Plenair Van Apeldoorn bij behandeling Wet implementatie EU-richtlijn toereikende minimumlonen



Verslag van de vergadering van 20 januari 2026 (2025/2026 nr. 14)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 13.44 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Apeldoorn i (SP):

Dank, voorzitter. Een jaar geleden debatteerden wij hier over de Wet implementatie EU-richtlijn inzake toereikende minimumlonen. De stemming hierover werd toen uitgesteld omdat een meerderheid van deze Kamer eerst de uitspraak van het Hof van Justitie in een door Denemarken aangespannen procedure wilde afwachten. Die uitspraak ligt er nu en daarom heb ik een korte vierde termijn aangevraagd alvorens wij tot stemming overgaan.

De kernvraag voor mijn fractie is: wat betekent deze uitspraak van het Hof nu voor de juridische toelaatbaarheid van uitzonderingen op het minimumloon en in het bijzonder voor de rechtsgelijkheid tussen werknemers? Het Hof is helder. De richtlijn is rechtsgeldig en vormt geen verboden inmenging in de loonvorming. Het Hof heeft daarbij expliciet verduidelijkt waar de richtlijn wel toe verplicht. Voor mijn fractie is daarbij vooral artikel 6, lid 1 van de richtlijn van belang. Dat bepaalt dat variaties, afwijkingen van of inhoudingen op het wettelijk minimumloon voor specifieke groepen, slechts zijn toegestaan indien zij voldoen aan het non-discriminatiebeginsel en het evenredigheidsbeginsel, waarbij dat laatste het nastreven van een legitiem doel omvat. Het Hof heeft in de rechtsoverwegingen 102 tot en met 104 expliciet bevestigd dat artikel 6 volledig rechtsgeldig is.

De Unie mag niet de hoogte van het minimumloon vaststellen, maar wel werknemers beschermen tegen onrechtvaardige ongelijkheid, onderbetaling en structurele uitholling van het minimumloon. Rechtsgelijkheid en bescherming tegen discriminatie behoren daarmee tot de kern van deze richtlijn. Erkent de minister dat? Hoewel de minister stelt dat de uitspraak geen directe gevolgen heeft voor het implementatiewetsvoorstel, is mijn fractie van oordeel dat zij wel materiële juridische gevolgen heeft voor de uitleg en toepassing van de richtlijn, met name waar het gaat om uitzonderingen op het minimumloon. Artikel 6 is dus overeind gebleven, en niet alleen dat. Het Hof heeft ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat uitzonderingen op het reguliere minimumloon uitsluitend zijn toegestaan binnen deze juridische grenzen. Daarmee is dit geen vrijblijvende beleidsnorm, maar bindend Unierecht. Hier juist wringt naar oordeel van mijn fractie de voorliggende implementatie.

Allereerst het minimumjeugdloon. In Nederland verdient een groep meerderjarige werknemers, die mogen stemmen, contracten mogen sluiten en mogen trouwen, voor exact hetzelfde werk veel minder dan het reguliere minimumloon. Dat is dus geen marginale variatie, maar een zeer forse structurele afwijking van gelijke loonbescherming. Na het arrest is de vraag niet langer of lidstaten zulke afwijkingen mogen kennen, maar of zij kunnen aantonen dat die niet discriminatoir en onevenredig zijn. Welk legitiem doel rechtvaardigt hier een loonverschil van deze omvang, zo vraag ik de minister. Hoe is een leeftijdsonderscheid bij gelijk werk te verenigen met dit beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk? Het is niet aan werknemers of vakbonden om discriminatie te bewijzen. Het is aan de regering om aannemelijk te maken dat hiervan geen sprake is en die juridische onderbouwing ontbreekt tot op heden, ondanks herhaalde vragen vanuit ook deze Kamer.

Hetzelfde geldt voor inhoudingen op het minimumloon voor huisvestingskosten, met name bij arbeidsmigranten. Daar hebben we het eerder over gehad met deze minister. Ook hier worden uitzonderingen slechts toegestaan binnen strikte grenzen. In de praktijk zien we echter inhoudingen die het loon structureel onder het minimum brengen zonder dat de prijs en de kwaliteit van de huisvesting daarmee in overeenstemming zijn. Daarmee wordt het minimumloon uitgehold en worden juist de meest kwetsbare werknemers structureel slechter beschermd. Dat is niet slechts een beleidskeuze die onlangs door deze minister is gemaakt, maar dat staat ook op gespannen voet met de rechtsstatelijke beginselen van het Unierecht die met deze richtlijn verankerd worden.

Voorzitter. Mijn fractie hoort daarom graag van de minister hoe zij in het licht van deze uitspraak meent dat zowel het minimumjeugdloon als de huidige inhoudingspraktijk nog steeds voldoen aan artikel 6 van de betreffende richtlijn.

Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Ramsodit van de fractie van GroenLinks-PvdA.