Plenair De Vries bij behandeling Wijziging van de Omgevingswet (maatwerkaanpak PAS-projecten)



Verslag van de vergadering van 3 februari 2026 (2025/2026 nr. 16)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.42 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer De Vries i (SGP):

Dank, voorzitter. Ook mijn felicitaties aan de collega's Kanis en Straus met hun maidenspeech van vandaag: de een al gehouden en de ander komt nog.

Voorzitter. Dit wetsvoorstel ligt in de lijn van een principe uit de christelijke filosofie — neem me niet kwalijk dat ik mijn vakgebied erbij haal — namelijk dat de werkelijkheid verschillende, niet tot elkaar te reduceren aspecten bevat, waaraan elk daarvan recht gedaan moet worden. Milieuoverwegingen, economische belangen en ik voeg er ook nog maar juridische belangen aan toe, verdienen alle drie serieus genomen te worden. Er is een zorgvuldige afweging nodig tussen al die afwegingen. Dat is wat het wetsvoorstel beoogt. Bovendien bevat het een element van rechtvaardigheid tegenover PAS-melders, die te goeder trouw activiteiten ondernomen hebben na die aangemeld te hebben.

Onze fractie staat daarom in beginsel positief tegenover dit wetsvoorstel. Dat neemt niet weg dat er veel vragen te stellen zijn, met name over de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid ervan. Er zijn heel veel zorgen die ook al door anderen zijn geuit. Ik ga die voor een deel herhalen en er misschien nog iets aan toevoegen.

Voorzitter. Hoewel de termijn van 28 februari 2028 als realistisch wordt geduid, zijn er ook signalen dat het maar zeer de vraag is of binnen die termijn de problemen met de PAS-projecten zijn opgelost. In de memorie van toelichting is al aangegeven dat de termijn niet betekent dat de oplossing al uitgewerkt is, maar dat voor legalisatie van belang is dat er concreet zicht is op een oplossing. De vraag aan de minister is: hoe realistisch is dat, gegeven de kans dat misschien wel veel ondernemers niet tevreden zullen zijn met die oplossingen en dat er een soort heen-en-weerproces ontstaat?

Nog een vraag: indien de PAS-problematiek niet tijdig is opgelost, wordt de termijn dan weer verlengd? Komt met het steeds verschuiven van de termijn toch een concrete stip op de horizon? Rechtszekerheid en voorzienbaarheid zijn belangrijke uitgangspunten bij wetgeving. Is het verschuiven van de legalisatietermijn daarmee te rijmen?

Derde vraag: heeft de minister onderzocht of de juridische kaders om te innoveren voldoende helder zijn, zodat een ondernemer van tevoren kan weten of een innovatie tot juridische validatie en daarmee tot legalisatie gaat leiden?

Vierde vraag: waarom zet de minister de rekenkundige ondergrens niet als eerste stap in als onderbouwing voor vergunningen specifiek voor PAS-knelgevallen, los van het eventueel invoeren van een rekenkundige ondergrens voor iedereen?

Voorzitter. Op het punt van proportionaliteit zijn nog veel vragen. Op dit moment is er nog geen duidelijke ondergrens voor stikstofdepositie. Niemand weet wanneer de depositie voldoende is gereduceerd. We weten dat stikstof in ieder geval ook een belangrijk voedingselement is voor de flora, voor de bloeiende natuur. Ergens moet er dus een balans zijn waardoor voldoende stikstof aan de natuur wordt gevoed, zonder dat dit tot bodemvergiftiging leidt. Die exacte grens blijkt moeilijk te bepalen, omdat verschillende bodemsoorten een verschillende hoeveelheid stikstof bergen voordat de bodem verzadigd is. Tegelijk zijn de provincies wel verantwoordelijk voor de natuurdoelanalyse. Die kan immers helpen inzicht te geven in hoeveel ruimte er is per natuurgebied en daarom helpen onderbouwen wanneer van handhaving kan worden afgezien of wanneer een vergunning kan worden afgegeven. Ze geven echter nog geen antwoord op de vraag hoe de actuele stikstofdepositie de ontwikkeling van de natuur beïnvloedt en daarom ook niet welk reductieniveau nodig is voor herstel. De vraag aan de minister is: wanneer wordt de natuurdoelanalyse op orde gebracht? Voert de minister het gesprek met de provincies om deze natuurdoelanalyse zo snel mogelijk te maken?

Vanuit de provincies komen signalen dat er te weinig informatie is over de ruimte die wordt gecreëerd door maatregelen als de Maatregel gerichte aankoop, MGA-1, en de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijen. Het toegezegde dashboard is nog altijd niet beschikbaar. De vraag aan de minister is: kan de minister aangeven wanneer dat dashboard beschikbaar komt? Is er een kennisplatform voor ondernemers en lokale bestuurders om creatieve oplossingen te delen of kan de minister dat laten ontwikkelen? Wordt het opnieuw mogelijk gemaakt voor provincies om gecreëerde stikstofruimte via opkoopregelingen tijdelijk in te zetten om handhavingsverzoeken bij PAS-melders af te houden?

Voorzitter. Voor de juridische onderbouwing voor het afzien van handhaving wordt een concrete afbakening gegeven. Het uitgangspunt blijkt te zijn dat er zicht moet zijn op legalisatie. Wat de SGP betreft wordt daarbij niet alleen gekeken naar oplossingen die in de toekomst liggen, maar naar een gestapelde onderbouwing om van handhaving te kunnen afzien. Dat betekent het beter in beeld brengen van al gerealiseerde uitstootreductie ten opzichte van 2015, een beroep op het evenredigheidsbeginsel en op het feit dat de uitstoot van PAS-melders onder de wetenschappelijke detectiegrens ligt, het realiseren van vrijwillige uitstootreductie op korte termijn, meer duidelijkheid over het reductiepad in de komende jaren, het beschikbaar stellen van stikstofruimte voor PAS-knelgevallen, een herziening van de natuurdoelanalyses om beter te laten zien dat het natuurbelang niet overal vraagt om het einde van PAS-melderbedrijven en ruimte voor PAS-melders om via de KringloopWijzer, inclusief een onafhankelijke toets, emissiereductie door managementmaatregelen aan te tonen en zo binnen de vergunning te blijven. Mijn vraag aan de minister: wordt op al deze punten ingezet om waar mogelijk van handhaving af te zien?

Onze fractie wacht met belangstelling de beantwoording van deze vragen door de minister af.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik heb nog even gekeken naar de toelichting van het amendement van de partijgenoot van de SGP in de Tweede Kamer. Daarin staat dat het gaat om PAS-knelgevallen die te goeder trouw gehandeld hebben. De kwestie "te goeder trouw" heeft ook een beetje te maken met de voorzienbaarheid. Daarover heb ik de volgende vraag. Er zijn drie data, of eigenlijk vier data, inclusief de datum van de vaststelling van de PAS. Daarover heb ik zelf gezegd dat toen eigenlijk al was te voorzien dat er hommeles kon dreigen. Maar ik ga even verder. Op 17 mei 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak prejudiciële vragen gesteld. Vervolgens is op 7 november 2018 door het Hof daarop gereageerd. Daarna is op 29 mei 2019 de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak gekomen. Ik heb drie vragen. De eerste is: is een boer die na 17 mei 2017 een PAS-melding doet te goeder trouw of had hij er rekening mee moeten houden dat het weleens fout zou kunnen lopen? Hetzelfde geldt voor de vervolgvraag, over een boer die een PAS-melding heeft gedaan na 7 november 2018, toen het Hof inmiddels had gereageerd. De derde vraag gaat over een boer die na 29 mei 2019 een PAS-melding heeft gedaan. Het zijn dus drie verschillende boeren, misschien wel uit één familie; dat schijnt nogal eens te gebeuren. Mijn vraag is: geldt voor ieder van die drie dat hij te goeder trouw heeft gehandeld?

De heer De Vries (SGP):

Ik heb u dat nu al paar keer horen zeggen. Ik moet eerlijk zeggen dat u er wel erg makkelijk van uitgaat dat die boeren een beroep doen op adviseurs en dat zij heel goed weten hoe de wetgeving in elkaar zit. Ik denk dat dat een heel erg vereenvoudigde gedachte is van hoe het boerenleven in elkaar zit, maar de heer Oplaat kan u daar natuurlijk meer over vertellen dan ik. Ik denk dat het heel erg veel vergt van een boer om dat allemaal op orde te hebben. Er kan natuurlijk ook sprake zijn van te goeder trouw handelen als de bank de investering ondersteunt en daar blijkbaar wel brood in ziet. Is dat niet aanleiding om te zeggen dat het dan waarschijnlijk toch wel zal kunnen? De boer zegt dan: ik ben geen juridisch specialist, dus ik denk dat het wel goed zal zijn.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik denk dat we het er allebei toch wel over eens zijn dat op al die drie momenten die ik noemde er wel het een en ander in de media is verschenen of op de televisie aan de orde is geweest. Laat ik nou het makkelijkste voorbeeld nemen: na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak gaat iemand toch nog een PAS-melding doen. Wat vindt u daarvan?

De heer De Vries (SGP):

U gaat ervan uit dat die boeren helemaal op het vinkentouw zitten om te kijken hoe het precies zit met alle juridische ontwikkelingen. Ik denk dat het niet redelijk is om dat te veronderstellen.

De voorzitter:

Tot slot, de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï (PvdD):

Mijn vraag is alleen maar of die boer te goeder trouw handelt in de zin zoals uw partijgenoot in de Tweede Kamer dat bedoelde.

De heer De Vries (SGP):

Te goeder trouw, lijkt me, betekent dat je uitgaat van de gegevens die je hebt. Als dat onder andere is dat een bank bereid is om je investering te betalen, dan denk ik dat je in ieder geval één argument hebt om te zeggen: waarschijnlijk zal het dan wel kunnen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Van Aelst. Zij spreekt voor de fractie van de SP, maar niet dan nadat ik een hele korte schorsing, voor vijf minuten, heb aangekondigd.