Verslag van de vergadering van 3 februari 2026 (2025/2026 nr. 16)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.29 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Straus i (VVD):
Voorzitter. Staat u mij toe om in mijn eerste bijdrage hier vandaag in de Eerste Kamer een iets bredere inleiding te geven op dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel ligt op een beleidsterrein dat voor mij nieuw is, maar waarmee ik met veel interesse de afgelopen maanden heb kennisgemaakt. Ik sluit mijn eerste inbreng straks ook nog af met een persoonlijke noot.
Voorzitter. De Nederlandse land- en tuinbouw behoort tot de meest innoverende van de wereld. Hij zorgt voor welvaart, heeft een belangrijke rol in de leefbaarheid en inrichting van het platteland en voorziet ons van veilig, gezond en betaalbaar voedsel. Nederland kent ruim 50.000 agrarische ondernemers, die samen deze belangrijke pijler van onze economie vormen. Dat zijn mensen die ervoor zorgen dat de landbouwsector in Nederland op het gebied van kennis en agrotechnologie vooroploopt, kennis en technologie die in de hele wereld als state of the art gezien wordt. Maar Nederland stoot in vergelijking met andere Europese landen ook veel stikstof uit. Het inzicht dat daar iets aan moet gebeuren is er al jaren, ook bij de sector zelf. Vanaf de jaren negentig is er lange tijd effectief beleid gevoerd dat ervoor zorgde dat de stikstofuitstoot jarenlang naar beneden is gegaan. Er was heldere regelgeving waarbinnen de agrariërs hun eigen verantwoordelijkheid konden pakken. Daarmee hebben ze ook voor resultaten gezorgd. Het laatste decennium is er echter nauwelijks meer een dalende trend zichtbaar. Onduidelijke en steeds weer veranderende regelgeving heeft onzekerheid gecreëerd. Als er iets is dat ondernemers niet willen, dan is dat onzekerheid.
Voorzitter. In 2015 introduceerde de overheid het Programma Aanpak Stikstof, het PAS. Daarmee werd geprobeerd economische ontwikkeling en natuurherstel te combineren. Activiteiten met een beperkte stikstofdepositie konden worden gemeld zonder vergunning, in de veronderstelling dat toekomstige reductie dit zou compenseren. In 2019 maakte de rechter duidelijk dat deze aanpak niet voldeed aan Europese natuurwetgeving. De gevolgen zijn bekend en schrijnend. Duizenden ondernemers werden ineens illegaal verklaard, terwijl zij volledig te goeder trouw handelden binnen de regels die de overheid zelf had vastgesteld. Na deze uitspraak ontstond een felle maatschappelijke discussie. In 2022 werd Johan Remkes gevraagd om die weer vlot te trekken. In zijn rapport is hij glashelder: het oplossen van het probleem van de PAS-melders moet prioriteit hebben; ondernemers die op de overheid mochten vertrouwen moeten worden gelegaliseerd of gecompenseerd en PAS-melders krijgen voorrang boven ieder ander project.
Voorzitter. Voor mij, nieuw als woordvoerder LNV in deze Kamer, is het rapport-Remkes een belangrijk ijkpunt. De regering heeft het toen opgepakt met het legalisatieprogramma PAS, vastgelegd op 28 februari 2022. Rijk en provincie kregen de opdracht stikstofruimte te creëren om PAS-projecten te legaliseren. De einddatum van dit programma, 28 februari 2025, ligt inmiddels al bijna een jaar achter ons en de resultaten zijn ronduit teleurstellend. Slechts een zeer beperkt aantal PAS-melders is daadwerkelijk geholpen. Veertien stuks, schreef de minister in haar brief van vorige week. Namens de VVD-fractie vraag ik de minister hoe het kan dat dit programma zo weinig heeft opgeleverd. Ondernemers zitten al jaren in onzekerheid. Er was prioriteit beloofd. Had niet eerder onderkend kunnen worden dat de gekozen aanpak onvoldoende werkte? Waarom is er nu pas, na afloop van de termijn, gekozen voor bijsturing?
Voorzitter. Het wetsvoorstel dat vandaag voorligt, wijzigt de Omgevingswet en verlengt de aanpak voor PAS-melders tot 1 maart 2028. Daarnaast wordt ingezet op meer maatwerk. Dat een andere aanpak nodig is, staat voor mijn fractie buiten kijf, maar gezien de magere resultaten tot nu toe, wil de VVD scherp kijken naar wat deze wetswijziging nou daadwerkelijk oplevert. Ik sta stil bij vier punten. Het eerste is legaliseren versus maatwerk. Het tweede is de geborgde stikstofreductie. De derde betreft handhaving en de vierde de realiteitswaarde van de nieuwe einddatum.
Ik begin met legaliseren versus maatwerk. In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd de wettelijke plicht verschoven van legaliseren naar het bieden van een oplossing. Een aantal collega's heeft hierover in het debat al gesproken. De Raad van State wees er terecht op dat dit de PAS-melders geen garantie meer bood. Perspectief is iets anders dan zekerheid. Is de minister het hiermee eens, vraag ik via de voorzitter aan haar. De Tweede Kamer heeft via het amendement-Flach vastgehouden aan die legalisatieverplichting, met ruimte voor maatwerk als PAS-melders dat zelf wensten. Dat amendement onderstreept wat de VVD betreft een belangrijk principe: de overheid mag haar verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie voor PAS-melders niet afzwakken. Mijn vraag aan de minister is hoe zij nu naar dit amendement kijkt. Erkent zij dat het vasthouden aan legalisatie als uitgangspunt ook nodig is om het vertrouwen van ondernemers te herstellen? Maatwerk geeft meer mogelijkheden. Met zaakbegeleiders, realistische tijdpaden en provinciale ondersteuning kunnen oplossingen worden verkend. Wellicht pas in laatste instantie, maar maatwerk kan in de praktijk ook neerkomen op sanering in plaats van herstel van rechtmatigheid. Heb ik dat goed gelezen? Hoe kijkt de minister daartegenaan?
Dan kom ik bij mijn tweede punt: geborgde stikstofreductie. Met alleen verlenging zonder dat er iets verandert zijn PAS-melders niet geholpen. Dat hebben we gezien. Een aantal collega's heeft dat vandaag in het debat benadrukt. Er moeten oplossingen komen die juridisch houdbaar zijn en die leiden tot daadwerkelijke reductie. Alleen dan komt vergunningverlening weer op gang en ontstaat er daadwerkelijk perspectief. Het met algemene stemmen in de Tweede Kamer aangenomen amendement-Grinwis/Vedder bepaalt dat uiterlijk 1 mei 2026 een programma met maatregelen moet zijn vastgesteld. Dat is al over enkele maanden. In haar brief van vorige week geeft de minister aan dat zij dit programma op 1 mei voor internetconsultatie zal aanbieden. Kan de minister schetsen welke concrete maatregelen dan beschikbaar komen voor zaakbegeleiders en provincies? Verwacht zij dat binnen de looptijd van dit programma ook nog aanvullende maatregelen nodig zijn?
Mijn derde punt betreft de handhaving. Hoewel PAS-melders te goeder trouw hebben gehandeld, krijgen zij nu al te maken met handhavingsverzoeken. De Raad van State stelt dat afzien van handhaving alleen kan als er concreet zicht is op legalisatie. De provincies geven aan dat verlenging van deze wet noodzakelijk is, maar op zichzelf onvoldoende is om handhaving juridisch te onderbouwen. De VVD steunt de inzet van de minister om handhavingsverzoeken af te houden, maar vraagt de minister wel hoe ervoor gezorgd kan worden dat dit bij de rechter standhoudt. Waarom is er niet voor een expliciet handhavingsmoratorium in de wet gekozen?
Voorzitter. Ik kom bij mijn laatste punt: de verlengingstermijn tot 1 maart 2028. Aan het begin van mijn woordvoering heb ik aangegeven dat mijn fractie het teleurstellend vindt dat de werking van de aanpak voor PAS-melders de afgelopen jaren maar zo weinig heeft opgeleverd. Ondernemers zitten al jarenlang in onzekerheid. De nu voorgestelde verlenging tot 1 maart 2028 lijkt misschien meer lucht te geven, maar het is al over twee jaar en een maand van nu. De Raad van State geeft aan dat de tijd eigenlijk zelfs te kort is om alles uitgevoerd te krijgen.
Met het aangenomen amendement-Grinwis/Vedder wordt de Kamer uiterlijk 1 juli 2027 geïnformeerd over de voortgang en effectiviteit. Het is verstandig om dat al ruim voor de einddatum te doen, maar ik vraag de minister of zij de voortgang van de PAS-melders die geholpen zijn, ook zichtbaar kan maken per provincie. We zien dat provincies verschillend beleid hebben. Voor de lerende werking zou het goed zijn om inzichtelijk te maken welke provincies voortgang maken en welke achterblijven. Daarnaast zou ik de minister willen vragen of er een scenario klaarligt voor verdere opschaling in het geval in juli 2027 opnieuw blijkt dat er tot dan toe onvoldoende PAS-melders zijn geholpen. Kan de minister toezeggen dat zij zich hiervoor wil inspannen?
Voorzitter. Het was vandaag mijn eerste, maar hopelijk niet mijn laatste debat als woordvoerder LNV van de VVD-fractie. Het is een nieuw dossier voor mij en een heel ander type dossier dan de onderwerpen op het terrein van onderwijs, zorg, sociale zaken en cultuur, waarin ik mij eerder namens de VVD in de gemeenteraad, Provinciale Staten en Tweede Kamer heb mogen verdiepen. Het is een onderwerp, echter, dat ik de afgelopen maanden heb leren kennen en waarderen en waarmee ik wellicht toch meer affiniteit heb dan ik in eerste instantie dacht. Ik ben opgegroeid in een dorp op het Limburgse platteland en ik heb vaak een boerderij van binnen gezien. Ik heb diverse vrienden en kennissen die in de agrofoodsector werkzaam zijn en ik weet dat deze mensen met hart en ziel met hun vak bezig zijn, dat zij elke dag weer laten zien dat Nederland er op het gebied van land- en tuinbouw en visserij toe doet, dat we vooroplopen op vele facetten. We lopen voorop niet alleen op het gebied van innovatie en automatisering, maar ook van veredeling, verduurzaming, energie-efficiëntie en dierenwelzijn, zeg ik er als vegetariër bij. Deze expertise is gewild in de hele wereld. De agrarische ondernemers die ik ken, staan te trappelen om zelf vrijwillig en zeker niet vrijblijvend bij te dragen aan de oplossing van het stikstofvraagstuk. Zij zien ook dat stilstand geen oplossing is. Zij willen ondernemen, zij willen investeren, zij hebben ideeën en oplossingen. Daarmee laten zij zien dat zij niet voor niets bij de wereldwijde koplopers in de sector behoren, een sector om trots op te zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Straus, voor uw maidenspeech. Mijn gelukwensen. Blijft u vooral staan, want ik wil graag iets over u vertellen. Dat doen wij hier bij maidenspeeches.
U studeerde bestuurs- en organisatiewetenschappen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Na uw studie werkte u onder andere als organisatieadviseur bij Boer & Croon. Bij DSM had u verschillende functies op de afdeling Personeel en Organisatie. Tegelijkertijd was u vanaf 1998 voor de VVD lid van de gemeenteraad van Roermond en na een verhuizing van de gemeenteraad van Midden-Delfland. Vervolgens werd u in 2010 lid van de Tweede Kamer. Ik herinner me u ook uit de Tweede Kamer. Aan de overkant voerde u vooral het woord over onderwijs. U zette zich met volle overtuiging in voor het vmbo. Een krant tekende het volgende op uit uw mond: "Niet alleen de knappe koppen, maar ook de gouden handjes hebben we hard nodig".
Uw politieke voorbeeld is Haya van Someren. Behalve als inspiratiebron bent u inmiddels ook daadwerkelijk in haar voetsporen getreden. Van Someren was immers ook eerst Tweede Kamerlid en later Eerste Kamerlid.
Toen u in 2017 de Tweede Kamer verliet, ging u opnieuw werken als organisatieadviseur. Sinds 2022 bent u voorzitter van de Algemene Vereniging Schoolleiders, de beroepsorganisatie van leidinggevenden in het basis, voortgezet en speciaal onderwijs. Daar ken ik u ook van. Politiek ging u ook door. In 2019 werd u gekozen als lid van de Provinciale Staten van Limburg.
Er zijn onder ons niet veel leden die dezelfde ervaring in de verschillende Kamers van het huis van Thorbecke hebben als u hebt. U was in twee verschillende gemeenten raadslid, lid van de Provinciale Staten van Limburg en Tweede Kamerlid en bent sinds 1 juli 2025 Eerste Kamerlid. Over uw motivatie om politiek actief te zijn, zei u eens: "Mijn motivatie komt van binnenuit. Om resultaat te bereiken moet je volhouden en die stip op de horizon blijven zien. Van de wieg tot het graf heeft iedereen met de overheid te maken. Als je daar een mening over hebt, moet je je ermee bemoeien en niet aan de kant blijven staan." Vandaar dat u vandaag achter het spreekgestoelte in deze Kamer staat. Nogmaals van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech.
Ik schors zo dadelijk de vergadering, zodat de collega's u en de heer Kanis kunnen feliciteren, maar niet dan nadat ik u beiden als eerste feliciteer.
Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan verzoek ik u en de heer Kanis zich voor het rostrum op te stellen voor de felicitaties. Ik schors de vergadering voor de dinerpauze tot 18.45 uur.