Op dinsdag 10 februari organiseerde de commissie voor Economische Zaken/Klimaat en Groene Groei een deskundigenbijeenkomst over de klimaat- en energiedoelen. Tijdens de bijeenkomst werden senatoren in twee rondes bijgepraat over de Klimaatdoelstelling 2040 (E250015), de uitkomsten van de 30ste Conference of the Parties (COP30) en de Klimaat-en energieverkenning 2025. De uitgenodigde sprekers waren Erwin Haveman (LTO), Emile Rodenhuis (VNO-NCW), Manon Bloemer (VNCI), Detlef van Vuuren (PBL), André Faaij (TNO) en Geeke Feiter (Verbond van Verzekeraars).
Erwin Haveman (LTO) trapte als deskundige de bijeenkomst af. Hij erkende de klimaatopgave voor de land- en tuinbouw, maar benadrukte dat effectieve emissiereductie alleen mogelijk is met een langjarig, sectorspecifiek beleidskader dat rekening houdt met de grote verschillen tussen bedrijven en de afhankelijkheid van natuurlijke processen. Dat vraagt volgens Haveman samenwerking tussen overheid, markt en ketenpartijen, maar vooral vertrouwen onderling. Haveman vroeg namens de sector om wettelijk verankerde restemissiedoelen richting 2040 en 2050, een strategisch convenant met de overheid, en 8 miljard euro aan middelen via een nieuw fonds. Met duidelijke doelen, stabiel beleid, maatwerk en voldoende financiering kan de sector volgens Haveman toekomstbestendig bijdragen aan nationale en Europese klimaatambities.
Emile Rodenhuis (VNO-NCW) benadrukte dat het regeerakkoord een sterke basis biedt voor verduurzaming en concurrentiekracht van de Nederlandse industrie, maar dat succesvolle uitvoering cruciaal is om banen, productie en investeringen te behouden. 'Zonder bestaande industrie, ook geen nieuwe industrie' aldus Rodenhuis. De basisindustrie is economisch en strategisch essentieel, maar loopt tegen knelpunten aan die concrete CO₂-reductieprojecten vertragen. Met duidelijke randvoorwaarden, voortzetting van de maatwerkaanpak en Europese vraagcreatie naar duurzame producten kan de industrie volgens Rodenhuis tijdig investeren en bijdragen aan de klimaatdoelen voor 2030 en 2040. Zo kan groene groei en internationale concurrentiekracht behouden blijven.
Manon Bloemer (VNCI) waarschuwde dat de chemische industrie in zwaar weer verkeert door een snelle toename van fabriekssluitingen, verlies aan concurrentiekracht en stagnerende investeringen, terwijl de sector juist essentieel is voor strategische autonomie en verduurzaming. De industrie heeft tal van concrete projecten klaarstaan, maar wordt volgens Bloemer geremd door hoge energieprijzen, gebrek aan infrastructuur, onvoorspelbaar beleid en een afwezig marktmechanisme voor duurzame producten. Bloemer pleitte daarom voor snelle actie van kabinet en EU: behoud van industriële capaciteit, een gelijk speelveld, effectieve marktbescherming, vraagcreatie voor duurzame chemie en een investeringsklimaat dat bedrijven in staat stelt zowel te verduurzamen als economisch gezond te blijven.
Senatoren vroegen onder andere naar de volgorde en samenhang van maatregelen voor het verduurzamen van de productie. Wat is er als eerste nodig? Hoe verhouden nationale maatregelen zich tot Europese? En hoe moeten de lasten tussen huishoudens en bedrijven verdeeld worden? De deskundigen gaven aan dat er vooral langjarig vertrouwen nodig is. Ook is er volgens hen geld nodig om de transitie aan te jagen. Europa biedt daar volgens hen de ruimte voor. In de basis moeten bedrijven geld kunnen verdienen zodat zij kunnen investeren in vergroening. Die groene investeringen leiden tot hogere prijzen van producten. En naar die duurzame producten moet vervolgens wel vraag zijn vanuit de markt.
Detlef van Vuuren (Planbureau voor de Leefomgeving) informeerde de senatoren in de tweede ronde over de voortgang in het internationale klimaatbeleid en de betekenis daarvan voor de klimaatdoelen in Nederland. Volgens Van Vuuren is het niet mogelijk om eenduidig vast te stellen wat de reductiedoelen voor Europa en Nederland zouden moeten zijn op basis van het Parijsakkoord. Daarbij moet een balans gevonden worden tussen rechtvaardigheid en haalbaarheid. En dat is deels subjectief. Europa heeft recent een tussendoel vastgesteld voor 2040: 90% reductie van broeikasgasemissies waarbij 5% buiten Europa mag worden behaald. Nederland moet, mede naar aanleiding van een recente rechterlijke uitspraak, ook nog een tussendoel stellen. Van Vuuren gaf aan dat 90% reductie een compromis zou kunnen zijn voor Nederland, met oog voor de balans tussen wat haalbaar en rechtvaardig is.
Geeke Feiter (Verbond van Verzekeraars) nam de senatoren mee in de enorme schades die verzekeraars zien als gevolg van klimaatverandering. Feiter bood handelingsperspectief op vier aspecten: 1) Energietransitie. Per sector moeten duidelijke en stabiele doelen komen gericht op het verminderen van de CO2-uitstoot. De overheid heeft daarbij een belangrijke rol door te zorgen voor consistente regelgeving. 2) Publiek-private samenwerking en nieuwe financieringsvormen. Om transities belegbaar te maken zijn voorspelbaar beleid, publieke garanties en nieuwe financieringsconstructies nodig. 3) Water en bodem sturend bij ruimtelijke keuzes. De gevolgen van weersextremen zorgen voor veel ongemak en kosten de samenleving steeds meer geld. Dat vraagt klimaatadaptieve maatregelen, maar ook dat risico's worden meegewogen in ruimtelijke ordening. 4) Toekomstbestendige bouwvoorschriften. Feiter pleitte ervoor om klimaatadaptatie te verankeren in landelijke bouwvoorschriften. Volgens haar is klimaatadaptief bouwen nu nog te vrijblijvend.
Andre Faaij (TNO) belichtte de economische vooruitzichten en kansen van de energietransitie en industriële transformatie. Volgens Faaij is de businesscase voor de energietransitie goed. Er is genoeg potentieel om op Europees niveau de afhankelijkheid van olie en gas af te bouwen. Ook is er technisch gezien al zoveel mogelijk om de kosten te verlagen, dat de energievoorziening van de toekomst zeker niet duurder en mogelijk zelfs goedkoper kan worden. Een goede implementatie is daarbij cruciaal. Dat vereist volgens Faaij goed beleid, goede strategie en goede wetgeving. Innovatie kost geld, maar bij Europees opschalen en bundelen van investeringen kunnen we ervan profiteren zo stelt Faaij. Bijvoorbeeld door innovaties die we kunnen verkopen op de mondiale markt. 'De energietransitie kost veel geld, maar is niet duur' zo vatte Faaij zijn betoog samen.
Senatoren stelden onder andere vragen over de economische haalbaarheid van 90% reductie in 2040. Welke investeringen zijn daarvoor nodig? En welke (overheids-)instrumenten kunnen daarbij behulpzaam zijn? Volgens de deskundigen is 90% reductie in 2040 economisch aantrekkelijk, dat zegt ook de EU. Innovatie is volgens de deskundigen vooral gebaat bij stabiliteit, zowel in investeringen als in overheidsbeleid. Alleen zo kan het bedrijfsleven een effectief aandeel leveren in de transitie.