Behandeling Nieuw Wetboek van Strafvordering



Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)

Aanvang: 14.11 uur

Status: ongecorrigeerd

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Wetboek van Strafvordering) (36327);
  • het wetsvoorstel Vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering) (36636).

Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de behandeling van de wetsvoorstellen 36327, Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, en 36636, Vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Dat wordt ook wel de Tweede vaststellingswet Wetboek van Strafvordering genoemd. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid en de staatssecretaris Rechtsbescherming van harte welkom in de Eerste Kamer. Ik heet ook de regeringscommissaris, de heer Knigge, van harte welkom. Hij verleent de bewindspersonen op hun verzoek bijstand, conform artikel 54 van het Reglement van Orde.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Recourt van de fractie GroenLinks-PvdA. Hij spreekt mede namens de Fractie-Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Ik wil de bewindspersonen en de regeringscommissaris van harte welkom heten. Als ik het goed heb, is dit in ieder geval voor de minister de eerste en de laatste keer, maar dan wel met een fantastisch stuk wetgeving. Dat moet toch voldoening geven, hoop ik. Het zijn twee wetten die eindelijk hier in de Eerste Kamer worden besproken, waarmee de basis van dat enorme traject van opstellen en behandelen van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering tot een eind komt.

De hoofddoelstelling van deze wetten is de volgende. Ik citeer: "Met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt beoogd een toekomstbestendig, voor burgers en professionals toegankelijk en in de praktijk werkbaar werkboek te realiseren dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen en een effectieve en zorgvuldige strafrechtspleging mogelijk maakt." Daar kan niemand tegen zijn. Maar wordt die doelstelling ook gehaald? Dat is natuurlijk de vraag. Het is volledig politiek neutraal geformuleerd, ook dat nog eens, maar onderliggend zijn er wel degelijk een paar politieke keuzes gemaakt. Zijn deze belangen goed afgewogen? Zijn de belangen goed verdeeld, bijvoorbeeld als het gaat om de bescherming van verdachten tegen de macht van de overheid of het belang van het slachtoffer bij een volwaardige plaats in het strafrecht? Mijn fractie zal hierover vragen stellen.

Een tweede element waar we vragen over gaan stellen, betreft de praktische werkwijze. De praktijk is erbij gebaat dat in de parlementaire behandeling al zo veel mogelijk duidelijkheid wordt gegeven over bijvoorbeeld de praktische uitwerking van de verdeling van bevoegdheden tussen regierechter en rechter-commissaris.

Een derde element waar wij vragen over gaan stellen betreft de uitvoerbaarheid. Wij hebben zorgen, best wel grote zorgen, over met name de digitale kant van de in- en uitvoering van dit enorme stuk wetgeving.

Voorzitter. Het huidige Wetboek van Strafvordering is een boek — "voer" heb ik hier geschreven — voor specialisten geworden. Het is alleen met veel kennis te doorgronden en het is niet geschikt voor verdere digitalisering of het is in ieder geval moeilijk geschikt hiervoor, want het is niet systematisch en niet inzichtelijk. Het is terecht dat volgens mij al in 2008 besloten is om dat te gaan herzien, al hoorde ik van collega Van Toorenburg dat het nog veel eerder begonnen is. Dat is een enorme klus. Daarmee geef ik veel complimenten voor de inzet, maar ook de kwaliteit van het nieuwe boek. In het bijzonder uit ik mijn waardering voor de vroegtijdige en langdurige inzet van deskundigen buiten de politiek-bestuurlijke koker. Dat is door het ministerie gedaan, maar ook door beide Kamers. Dat heeft de wet beter en gedragen gemaakt.

Wij hebben er als Eerste Kamer ook al een aanzienlijk voorbereidingstraject op zitten. Naast meerdere deskundigenbijeenkomsten zijn er veel schriftelijke vragen gesteld. Daarom resteert vandaag nog de behandeling op met name hoofdlijnen. Ik kan nu al zeggen dat mijn fractie de noodzaak tot herziening van het Wetboek van Strafvordering onderschrijft en de wetten die vandaag voorliggen op hoofdlijnen goede wetten vindt.

Ik loop zelf al een groot deel van dit proces als politicus mee. Ik was ook al lid van de voorbereidingscommissie in de Tweede Kamer. In die periode heb ik wel gezien dat waar er in het begin vooral grote verwachtingen bestonden over de versnelling van het strafproces, deze subdoelstelling toch steeds meer uit het zicht is geraakt. Versnellen gaat — dan neem ik maar vast een voorzichtige conclusie voor mijn eigen rekening — vermoedelijk niet echt lukken. Ik vind dat ook niet zo heel erg. Het Nederlandse strafproces is al een van de meest efficiënte van Europa, omdat het onmiddellijkheidsbeginsel hier niet wordt toegepast. Het gevolg is dat het Nederlandse strafproces hoofdzakelijk een papieren proces is dat grotendeels plaatsheeft buiten het onderzoek ter terechtzitting. Daarmee vindt het voor een groot deel ook buiten de openbaarheid plaats en is men afhankelijk van goede rechtshulp vroeg in het proces. Die zichtbaarheid en die rechtshulp zijn beide elementen waar niet zo veel aandacht voor is in deze wetsbehandeling. Dat is wel bijzonder, want voor bijna alles is aandacht geweest. We hebben het enorme pak papier allemaal gezien, of misschien is het relevanter om te spreken over een "enorme bak data". Ik kom daar later op terug.

Vervolgens is de vraag of er ambities gemist zijn. Wat mijn fractie betreft is dat mogelijk het geval op het terrein van de voorlopige hechtenis. Nederland is koploper in Europa als het gaat om het vastzetten van mensen van wie nog niet vaststaat dat zij een strafbaar feit hebben begaan. Dat is een groot probleem, al helemaal bij minderjarigen. De regering heeft niet gekozen voor een fundamentele wijziging. Er zijn gelukkig wel een paar maatregelen gekozen die kunnen helpen om dit terug te dringen. Ik noem het aanscherpen van de motiveringseisen, met het amendement op stuk nr. 41, de explicitering van het vereiste van strikte noodzakelijkheid — daar is ook een artikelnummer bij opgenomen, maar dat laat ik even voor wat het is — en de versterking van de alternatieven voor voorlopige hechtenis, onder meer door een verplichte toets op schorsing. De toepassing van deze wijzigingen zal worden gevolgd via de invoeringstoets en latere wetsevaluaties. Maar het is de vraag of deze maatregelen de huidige cultuur zullen doorbreken. Die cultuur is er toch vooral een van mensen preventief vastzetten. De vraag aan de minister is of hij duidelijk wil uitspreken dat het terugdringen van voorlopige hechtenis doel van wetgeving en beleid van deze regering is. Heeft de regering tot doel om actief, ook met buitenwettelijke programma's, in lijn te komen met uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om de voorlopige hechtenis terug te dringen? Wat is de stand van zaken wat betreft de ontwikkeling van de alternatieven voor voorlopige hechtenis?

Voorzitter. Er zijn nog twee elementen waarvan de regering nu al zegt dat de wetten die voorliggen onvoldoende waarborgen bieden. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft een lange, lange brief geschreven waarin op een aantal tekortkomingen wordt gewezen. Die betreffen met name de privacybescherming bij digitale gegevensdragers en de notificatieplicht bij niet-verdachten. Ik snap dat er bij een dergelijk groot wetgevingstraject gewerkt moet worden met herstelwetten, maar het blijft toch wel ongemakkelijk om voor wetten te stemmen waarvan nu al bekend is dat de rechtsbescherming tekortschiet. Daarom vraag ik graag nu al aandacht voor deze punten en een bevestiging van de minister dat de onderdelen zoals ik die net noemde, maar zoals die ook in de Tweede Kamer eigenlijk al zijn besproken door de ambtsvoorganger van deze minister, inderdaad zullen worden gerepareerd in een van de vervolgwetten die wij hier hopelijk binnenkort ook zullen behandelen.

Dan het appel- en bezwarenstelsel. Dat is echt een breuk met hoe het nu gaat. De regering zegt dat de rechter actief moet blijven, ook zonder bezwaren. In de praktijk zullen de planning en de zittingsduur juist worden gestuurd door de bezwaren die de appellant, meestal de verdediging, zal indienen. Zeker bij enkelvoudige behandeling is dit kwetsbaar, want er is tijdsdruk, er is minder tegenspraak en er zijn minder correctiemechanismen. Een volledige heroverweging is juist een van de uitgangspunten van het hoger beroep in het strafrecht. Het is juridisch mogelijk, maar met al die wijzigingen is het niet meer vanzelfsprekend. Hoe wordt voorkomen dat efficiency hier de boventoon gaat voeren? Kan de minister nog eens toezeggen dat een integrale heroverweging, los van de mogelijke bezwaren, mogelijk blijft voor de appelrechter?

Dan de beweging naar voren. Er is al heel veel geschreven over de versnelling van het strafproces, maar zoals ik al heb gezegd, is het maar de vraag of die gaat lukken. De pro-formazitting wordt afgeschaft. Dat lijkt winst, maar ook bij de raadkamerzitting zal de stand van het onderzoek aan de orde komen en zullen ernstige bezwaren moeten worden gewogen in het licht van de voortgang van het onderzoek. Kan de minister toelichten waarom hij denkt dat dit minder tijd gaat kosten? Waar ik "minister" zeg, bedoel ik trouwens ook de staatssecretaris; dat zeg ik er maar bij.

De pro-formazittingen stonden vast op een bepaalde tijd. Dat waren vaste momenten, na drie maanden, zeg ik uit mijn hoofd. De regiezittingen staan niet vast en dreigen daardoor snel naar achteren te schuiven. Kan de minister toelichten hoe voorkomen kan worden dat dit gebeurt? Bovendien is aanwezigheid op zo'n regiezitting niet verplicht. Is dat niet een mogelijkheid om te traineren? Waarom zou de verdediging belangrijke getuigen bij de rc willen laten horen als Europese jurisprudentie maakt dat het ondervragingsrecht ter zitting wordt verondersteld? Het is een knappe rechter-commissaris die dat gaat afwijzen. Is het trechtermodel dan geen kwestie van wensdenken? Tot slot hierover: kan de minister toelichten welke afspraken er zijn gemaakt voor de versterking van de bureaus rc? Duidelijk is namelijk dat de werklast van die bureaus met het nieuwe wetboek aanzienlijk zal worden verzwaard.

Voorzitter. Strafvordering gaat in essentie om de bescherming van burgers tegen de enorme macht van de overheid in het geval dat er een strafbaar feit is gepleegd. Daarbij is primair van belang dat deze burgers zo vroeg mogelijk in de procedure worden bijgestaan door een advocaat. Deze wetten maken dit belang nog groter, omdat gestimuleerd wordt dat verzoeken tot onderzoek zo vroeg mogelijk worden gedaan; ik had het net al over de beweging naar voren. Dit lijkt voor minderjarigen en mensen met een beperking goed geregeld te zijn als gevolg van de verplichte procesvertegenwoordiging, maar zou voor iedereen goed geregeld moeten zijn.

Dat is niet het geval, omdat het aantal sociaal advocaten jaar in, jaar uit achteruitholt. Plannen voor het versterken hiervan komen niet goed van de grond. Daarom vraag ik aan de minister ... Eigenlijk moet ik "zijn opvolger" zeggen, maar ik snap dat de minister daar toch weinig over kan zeggen. Het is eigenlijk een vraag aan het nieuwe kabinet, tenzij deze minister er al wat aan heeft gedaan. Maar goed, ik vraag de minister wat hij gaat doen om deze fundamentele voorwaarden te realiseren. Hoeveel geld is er door dit kabinet gereserveerd voor de versterking van de sociale advocatuur? Misschien weet de minister ook wel wat het volgende kabinet voornemens is om te doen. Kan de minister nog eens uitspreken dat de rechter een actieve rol heeft in het strafproces als hij of zij vermoedt dat de belangen van verdachten onvoldoende worden beschermd? Met het nieuwe bezwaarstelsel geldt deze verzwaarde zorgplicht van de rechter nog sterker in hoger beroep. Wat houdt dit precies in volgens de minister? Kan hij dit nog een keer toelichten?

Dan het slachtoffer. We hebben gelezen dat er zorgen bestaan over de uitholling van het spreekrecht van slachtoffers als het OM procesafspraken maakt met de verdachte of als zaken als gevolg van een OM-beschikking niet meer op zitting komen. Kan de minister aangeven hoe hij deze vrees beoordeelt? Worden de belangen van slachtoffers voldoende meegewogen in het geval een zaak niet meer op zitting komt, bijvoorbeeld met een schadevergoeding of met, niet in de laatste plaats, het dienstperspectief op het misdrijf? Geldt dat ook als die wel op zitting komt, maar bijvoorbeeld voor een minder zwaar delict? Zijn er alternatieven om de materiële en immateriële belangen van slachtoffers voor de relevante beslissers mee te laten wegen?

Dan kom ik bij het digitale stuk. Deze wetten moeten het mogelijk maken om de digitale ontwikkelingen bij te benen. Dit is evident: onze samenleving verandert in rap tempo, onder meer als gevolg van artificial intelligence. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering bevat geen zelfstandige specifieke regeling voor het gebruik van AI. Het eventuele gebruik van AI in de strafrechtspleging wordt geacht te steunen op bestaande wettelijke kaders, zo heb ik gelezen. Is het wetboek hiermee niet bij voorbaat eigenlijk al achterhaald?

Het volgende betreft de AI-toepassingen door de opsporingsinstanties. De mogelijkheden om opsporingen en vervolging hiermee te verbeteren, moeten worden benut, maar wel binnen strakke normatieve kaders. Juist die kaders zijn eigen aan het strafrecht, vanwege de grote inbreuk op iemands grondrechten. Kan de minister garanderen dat de huidige normen voor AI voldoende bescherming bieden binnen de strafvorderlijke context? Zijn die voldoende kenbaar? Op welke wijze kunnen de verdediging en de rechter controleren dat gebruik is gemaakt van AI? Op welke wijze kunnen de verdediging en de rechter controleren welke algoritmen zijn gebruikt? Is er bij het gebruik van AI altijd sprake van een menselijke beoordeling? Is het met de kennis van nu en in het licht van de aard van de strafvordering niet verstandig om fundamentele normen voor het gebruik van AI in het strafproces ook op te nemen in het Wetboek van Strafvordering? Kan dit per voorziene wijzigingswet of is hier een apart wetsvoorstel voor nodig?

Dan het gebruik van AI in de samenleving. Het strafproces gaat bij uitstek over wat waar is en wat niet. Een nadeel van AI is de steeds verder toenemende mogelijkheid om de werkelijkheid na te bootsen op een wijze die niet of nauwelijks te onderscheiden is van de werkelijkheid. Op welke wijze is geregeld dat gegevens uit het strafproces die tot bewijs kunnen dienen, integer zijn en niet door AI nagebootst?

Meer praktisch, ik las dat de rechtspraak zich zorgen maakt over gegevensdragers die niet in een proces-verbaal zijn uitgewerkt, omdat het bekijken hiervan veel tijd zal kosten. Ik denk echter dat, los van de authenticiteit van deze gegevensdragers, de huidige stand van de techniek het al mogelijk maakt om direct en zonder tussenkomst van een mens processen-verbaal te maken van spraak of van samenvattingen op beeld. Op welke wijze zullen de geautomatiseerde vertalingen van spraak of beeld worden toegelaten in het strafproces? Kan de minister zijn licht hierover laten schijnen.

Meer in het algemeen zullen er nog veel meer voorziene en niet voorziene toepassingen van AI het strafproces binnenkomen. Daarom nogmaals de vraag, nu op het onderdeel dat niet de overheid zelf betreft, of normering in het Wetboek van Strafvordering zelf niet op zijn plaats is.

Dan de invoering in het kader van de digitalisering. Dat is, zoals ik al in het begin zei, ook een punt van grote zorg van mijn fractie. Naast alle bijscholing, rolwijzigingen, functieveranderingen en het verdwijnen van werkautomatisme, is toch vooral de digitalisering van de ketenpartners de grootste zorg. Ook hierover heeft de Eerste Kamer ketenpartners gehoord. Zij uitten zelf ook grote zorgen over dit traject: automatisering is niet op orde en er is onvoldoende geld om het tijdig op orde te krijgen, zowel voor de nieuwe systemen als voor de oude, die op hun laatste benen lopen en toch ingevolge het overgangsrecht nog vele jaren mee moeten. Er is geen plan B, niet per organisatie en ook niet ketenbreed. Klopt dat? In ieder geval was dit het verhaal zoals wij dat gehoord hebben.

Kan de minister aangeven op welke wijze de zorgen die ik net noemde zijn geadresseerd? Hoeveel extra geld is er voor politie, OM, rechtspraak en wellicht andere ketenpartners, zoals de reclassering, gereserveerd om de invoering per 2029 mogelijk te maken? Op welke wijze wordt invulling gegeven aan plan B als onverhoopt plan A niet lukt? Hoe groot is de kwetsbaarheid, in het bijzonder bij het Openbaar Ministerie?

Voorzitter. Wat mijn fractie betreft kan de wet alleen worden ingevoerd als er voldoende zekerheid is over het goed functioneren van die verschillende digitale systemen en hun samenwerking. KEI is nog niet vergeten. Ook de overeenkomst met de Omgevingswet ligt hier voor de hand. Daarom kondig ik alvast aan dat mijn fractie niet instemt met de invoering van de wet als oude en/of nieuwe systemen niet voor hun taak toegerust lijken te zijn.

Mijn fractie wil een strijd zoals die gevoerd is tussen de regering en dit huis bij de Omgevingswet, voorkomen. Daarom heb ik de volgende vragen over het proces. Kan de minister aangeven op welke momenten hij de Kamer gaat informeren over de voortgang van de digitale systemen? Op welke moment en op basis van welke criteria neemt de minister het besluit dat de wet per voorjaar 2029 kan worden ingevoerd? Zijn er dan voldoende toetsen uitgevoerd met het nieuwe systeem met alle ketenpartners en derden? Op welke wijze is dan getoetst dat stokoude systeem zoals COMPAS mee kunnen tot het einde van het overgangsrecht? Kan de minister toezeggen dat niet tot invoering wordt overgegaan voordat de invoeringswet door het parlement is aangenomen? Ik hoop dat dit allemaal met toezeggingen kan; anders heb ik nog een motie in mijn achterzak.

De heer Dittrich i (D66):

Ik heb een vraag hierover. De Eerste Kamer heeft over deze problematiek ook een adviesaanvraag gedaan bij de adviescommissie ICT. De verwachting is dat dat advies in de loop van 2026 naar de regering en de Eerste Kamer komt. Zou het een idee zijn daarop te wachten voordat we er allerlei verstrekkende gevolgen aan verbinden?

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Wij hebben dat niet voor niks gevraagd. Dat hebben wij gedaan omdat wij ons grote zorgen maken. De heer Dittrich en ik zitten samen in de voorbereidingsgroep; we kennen het proces. U heeft mij ook horen zeggen dat ik graag wil voorkomen dat we pas aan het einde worden geconfronteerd met een situatie die op dat moment heel moeilijk bij te sturen is. Het advies blijft dus reuze relevant. Dat zal mogelijk een deel van het traject blootleggen. Maar ik vind het een taak voor de regering om nú al goed inzichtelijk te maken hoeveel geld er nodig is, op welke balans dat te vinden is, daar in verschillende begrotingen inzicht in te geven, en het traject richting 2029, inclusief de tussenstop in 2026, in beeld te brengen.

De heer Dittrich (D66):

Betekent dit dat u het ermee eens zou zijn als de regering zou toezeggen het advies van de ICT-commissie over te nemen en verder uit te werken, zodat allerlei vreselijke dingen kunnen worden voorkomen?

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Daar ben ik het mee eens, met de aanvulling dat ik heb begrepen dat dat advies nog geen volledig inzicht geeft in de problematiek. Waar dat advies wél inzicht geeft, moet dat uiteraard worden gevolgd of zal er in belangrijke mate naar moeten worden geluisterd.

De heer Schalk i (SGP):

Ik zat niet in die voorbereidingscommissie, dus ik heb een beetje een achterstand. Maar als daar zo'n groot belang aan gehecht wordt, wat betekent dat dan voor het wetgevingsproces? Zegt de heer Recourt hiermee dat we dit eigenlijk on hold moeten zetten?

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Nee, dat heb ik niet beoogd. Vandaag gaat het over het invoeren van de twee invoeringswetten die vooral heel veel materiele procesnormen neerzetten. Die moeten worden vertaald naar de digitale systemen. Daar zit het probleem rond de financiering en uitvoering. Daarom verwijs ik naar de uiteindelijke invoeringswet. Bij de Omgevingswet hebben we die in dit huis gebruikt om de wet te stoppen totdat het goed geregeld was. Mijn betoog is: laten we alsjeblieft niet zo lang wachten, maar als het nodig is, stel ik voor dat wij ook bij deze wet stop zeggen als het niet goed geregeld is.

De heer Schalk (SGP):

In dat geval is het: wachten op de invoeringswet of de invoeringswet uitstellen?

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Precies, maar hopelijk is er dus van tevoren al duidelijkheid en worden de zorgen al weggenomen.

Voorzitter. Dan de digitale autonomie. Ik kom aan het eind van mijn tijd, maar gelukkig ook aan het eind van mijn tekst. Kan de minister zeggen in hoeverre onze rechtspraak wordt gezien als deel van de kritieke infrastructuur van onze samenleving? Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat deze structuur onafhankelijk van big tech, en in het verlengde daarvan van China en de Verenigde Staten, opereert? Kunnen we misdaad nog blijven aanpakken als we in conflict raken met de VS over Groenland, om het maar even heel praktisch te vertalen? De ketenpartners hebben met klem benadrukt dat zij de invoering en de uitvoering van deze wet aankunnen als zij duidelijkheid hebben over de invoeringsdatum en daarnaast niet met andere, grote wijzigingen worden belast. Om hieraan tegemoet te komen, is de digitale kant cruciaal. Wij hopen niet alleen dat de minister vandaag antwoorden kan geven op onze vragen, maar ook dat hij laat zien dat hij van de urgentie van dit probleem doordrongen is. Als dit niet tijdig wordt opgelost, zal het recht niet zijn loop kunnen hebben. Dat heeft naast veel leed ook een ontwrichtend effect op de hele samenleving.

Voorzitter, afrondend. Ik ben blij dat de overheid nog in staat is dit soort enorme projecten op te pakken en hopelijk tot een goed einde te brengen. Het strafrecht is een van de belangrijke regelende en normerende pijlers onder de samenleving. Vermoedelijk is dit het laatste grote wetgevingstraject waarbij AI niet een grote rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de wetten zelf. Gebruik van AI lijkt dan ook nog onderbelicht in dit wetstraject. Ook verder zijn er punten die de nodige zorg blijven vragen als de wet in werking is getreden, zoals privacybescherming en rechtsbijstand.

Er is uiteraard voorzien in een grondige evaluatie, met invoeringstoetsen door het WODC, maar zonder vooraf vastgelegde criteria. Kwetsbare verdachten — dan hebben we het over beperkt doenvermogen, lage digitale vaardigheden, geen rechtsbijstand — worden niet expliciet meegenomen in de evaluatie. Digitalisering wordt wel geëvalueerd, maar niet normatief. Risico's voor toegang tot het recht en ongelijkheid blijven onderbelicht. De effecten van het voorbehoudend appel op rechtsbescherming in hoger beroep worden niet afzonderlijk gemonitord. Veel wordt doorgeschoven naar het overleg met het WODC en we krijgen nu geen toetsingskader. Waarom is er op dit moment nog geen toetsingskader? Kan de minister toezeggen dat de kwetsbare verdachten, de normatieve kant van digitalisering en de rechtsbescherming in hoger beroep bij de voortgang en de evaluatie worden meegenomen?

Bij zo'n grote wet kan het niet anders dan dat er in deze plenaire behandeling gekozen moet worden welke punten worden bevraagd. Mijn fractie heeft deze prioriteiten gekozen in de wetenschap dat het geheel een degelijk stuk wetgeving is. Wij kijken dan ook uit naar de beantwoording van onze vragen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Dittrich van de fractie van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Dank u wel, voorzitter. Het huidige Wetboek van Strafvordering is dit jaar precies 100 jaar geleden in werking getreden. Het dateert in essentie uit 1926. Het is dus goed dat we dat gaan moderniseren. Zelden heb ik eigenlijk een wetsvoorstel behandeld dat zo grondig is voorbereid. De heer Recourt had het er ook al over. Het is het resultaat van de afgelopen tien jaar zorgvuldig kijken: door de praktijk, door de wetenschap, door regeringscommissaris Knigge en door de commissie onder leiding van Rianne Letschert, die dit allemaal in gang gezet en bekeken hebben. Ook de Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben dit heel serieus opgepakt: 160 pagina's gedetailleerde antwoorden van de regering. Dat brengt ons ertoe om ons te beperken tot een aantal onderwerpen.

Het eerste wat ik namens de fractie van D66 aan de orde zou willen stellen, is de beweging naar voren en de regie in het strafproces. Een van de dragende pijlers van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is de zogenoemde beweging naar voren. Zo veel mogelijk onderzoek vindt plaats in de voorfase onder regie van de rechter-commissaris, zodat de zitting beter kan worden voorbereid en procedures worden verkort. Dat doel onderschrijft mijn fractie, want te lange doorlooptijden zijn schadelijk voor verdachten, voor slachtoffers en voor het vertrouwen in de rechtsstaat. Daarom vinden wij ook dat strafzaken sneller moeten worden behandeld, maar uiteraard met behoud van zorgvuldigheid. De kernvraag is eigenlijk niet of dit doel wenselijk is, maar of de gekozen systematiek dat doel daadwerkelijk dichterbij brengt. In de nieuwe constructie krijgen de officier van justitie, de advocaat van de verdachte en de rechter-commissaris een grotere rol, zodat aan veel van de onderzoekswensen onder leiding van de rechter-commissaris wordt voldaan, voordat de officier van justitie de procesinleiding, zeg maar de dagvaarding, de deur uitstuurt. Het meeste werk is dan voor de openbare zitting verricht, zodat de strafzaak soepel kan worden behandeld.

We hebben natuurlijk ook signalen gehad van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en die maken duidelijk dat doorlooptijden mogelijk helemaal niet korter zullen worden. Dat kan te maken hebben met de proceshouding van de verdediging. Het kan te maken hebben met vertraging als de voorzitter van de strafkamer opdracht geeft tot extra onderzoek, of door personeelstekorten bij het kabinet van de rechter-commissaris, tekorten bij rechters of tekorten aan zittingszalen. Mijn vraag aan de minister is: wat zijn de mogelijkheden van de minister om, mocht blijken dat die doorlooptijden niet korter worden, additionele maatregelen te nemen om de hoofddoelstelling van dit nieuwe Wetboek van Strafvordering te bereiken? Gaat hier specifiek op gelet worden bij de invoeringstoetsen, één en drie jaar na de inwerkingtreding?

In de onderzoeksfase krijgt de rechter-commissaris een regierol: het bijeenroepen van partijen, het bespreken van onderzoekwensen en het bewaken van de voortgang. Tegelijkertijd zijn die procespartijen niet verplicht om daaraan deel te nemen. De vraag aan de regering is dan ook: hoe stevig kan de regie zijn wanneer medewerking daaraan vrijblijvend is? Waarom is er eigenlijk niet een aanwezigheidsplicht opgenomen in het wetboek zoals bij de huidige pro-formazittingen? Acht de minister regie zonder afdwingbaarheid wel voldoende robuust? Hoe wordt voorkomen dat het gezag van de rechter-commissaris in de praktijk daardoor wellicht onder druk komt te staan?

Na de procesinleiding verschuift de regie naar de voorzitter van de meervoudige strafkamer. Dat roept vragen op over de efficiëntie en de taakafbakening. De verdediging kan namelijk onderzoekwensen indienen bij zowel de rechter-commissaris als bij de voorzitter van de strafkamer. Als de voorzitter besluit dat alsnog door de rechter-commissaris onderzoek moet worden uitgevoerd, dan raken die verantwoordelijkheden elkaar. Bovendien moet de rechter-commissaris na de procesinleiding steeds toestemming vragen aan de voorzitter om nog onderzoekhandelingen te kunnen verrichten, ook wanneer beide partijen met de rechter-commissaris zouden instemmen. Kan de minister dus nog eens toelichten waarom deze extra schakel nodig is? Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot extra overlegmomenten, vertraging en administratieve lasten?

Over de verhouding tussen de rechter-commissaris en de voorzitter van de strafkamer hebben wij als D66 in de schriftelijke voorbereiding heel veel vragen gesteld vanuit de gedachte dat deze twee actoren elkaar niet voor de voeten moeten lopen, maar soepel als een tandem met elkaar moeten kunnen samenwerken. De praktijk zal uiteraard moeten uitwijzen hoe dat gaat lopen. Wil de minister toezeggen dat dit vraagstuk bij de wetsevaluatie na vijf jaar specifiek wordt meegenomen?

Tot slot op dit onderdeeltje: erkent de minister dat de beweging naar voren extra capaciteit vraagt en dat de baten, zoals tijdwinst, nog niet zijn geraamd? Dat maakt de vraag des te urgenter: is er een realistische inschatting gemaakt van het beslag op schaarse capaciteit binnen de rechtspraak? Is de minister bereid om bij tegenvallende resultaten in overleg met het veld het stelsel op dit punt aan te passen?

Voorzitter. Dan een enkel woord over de openbaarheid van de rechtspraak. De beweging naar voren geeft uitdagingen voor de openbaarheid van het strafproces. Veel beslissingen worden in het voortraject genomen. Ik hoorde de heer Recourt van GroenLinks-Partij van de Arbeid daar ook al over praten. Onze vraag is eigenlijk: in hoeverre gaan wij uit de pas lopen bij andere Europese landen omdat bij ons in de strafzaak, bij de openbare terechtzitting, vaak getuigenverklaringen worden voorgelezen of samengevat? Het is op dat moment niet echt heel contradictoir. Graag ziet mijn fractie op dat punt een reflectie van de minister.

Dan de positie van de verdachte en de verdediging. Het nieuwe wetboek versterkt terecht de rol van de verdediging in een vroeg stadium. Dat past ook bij moderne opvattingen over equality of arms. Maar rechten hebben eigenlijk alleen betekenis als zij daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend. Veel van de verdachten zijn afhankelijk van gefinancierde rechtsbijstand. Advocaten in die praktijk werken al onder enorm hoge druk met beperkte middelen. De vraag aan de minister is: kan hij concreet toelichten hoe wordt geborgd dat de uitbreiding van taken en verantwoordelijkheden voor de verdediging gepaard gaat met voldoende capaciteit en financiering? Wat betekent het voor de rechtsbescherming van de verdachte als die actieve rol in de praktijk niet of minder kan worden waargemaakt?

Daarnaast vraagt de fractie van D66 aandacht voor het doenvermogen van verdachten, want het nieuwe stelsel vraagt meer initiatief, meer procesinzicht en snelle besluitvorming. Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot rechtsongelijkheid tussen mondige en minder mondige verdachten? Daarbij raakt dit thema ook aan de modernisering van het bewijsrecht, want de toenemende digitalisering en de mogelijkheden tot selectie van processtukken kunnen bijdragen aan overzicht en efficiency, maar brengen ook risico's met zich mee. Hoe wordt geborgd dat de verdediging daadwerkelijk toegang houdt tot alle relevante informatie en dat selectie van stukken niet ten koste gaat van transparantie of de mogelijkheid om het bewijs effectief te betwisten?

Een herziening ten voordele van de gewezen verdachte is geregeld in artikel 5.8.1. Onder c van lid 1 staat vermeld dat de Hoge Raad een strafvonnis ten voordele van de gewezen verdachte kan herzien als er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat uiteraard serieus genoeg is om het te laten leiden tot een andere beslissing. Ik parafraseer enigszins. Er is een preadvies verschenen van professor Geert-Jan Knoops over het "ne bis in idem"-beginsel. Hij pleit op pagina 272 voor de mogelijkheid om herziening ook bij ernstige twijfel mogelijk te maken, ondanks het feit dat er dan strikt genomen geen echt nieuw gegeven aanwezig is. Ik zou graag een toezegging van de minister willen vragen of hij bereid is de Eerste Kamer te informeren rond dat preadvies en dat punt van ernstige twijfel en de Eerste Kamer te laten weten of herziening bij ernstige twijfel een begaanbare weg zou zijn.

Voorzitter. Dan wil ik kort stilstaan bij de positie en de afdwingbaarheid van slachtofferrechten. Ook de positie van het slachtoffer verdient bijzondere aandacht. De afgelopen decennia zijn er al belangrijke stappen gezet om slachtoffers een volwaardige plaats te geven in het strafproces. Denk bijvoorbeeld aan het spreekrecht voor slachtoffers. Tegen die achtergrond zijn de bevindingen van de Algemene Rekenkamer op dit punt echt zorgwekkend. Bijna een op de vijf slachtoffers wordt niet adequaat geïnformeerd door het Openbaar Ministerie. Wettelijke informatieplichten worden niet nageleefd. Soms gebeurt dat al jarenlang niet. Dat raakt niet alleen individuele slachtoffers, maar ook het vertrouwen in de rechtsstaat. Het nieuwe wetboek bevat een uitgebreide catalogus van slachtofferrechten, maar die zijn niet afdwingbaar. Dat roept de vraag op: wat is dan de praktische waarde van die slachtofferrechten? Wat betekent een recht als het niet kan worden afgedwongen wanneer het wordt geschonden? Waarom is ervoor gekozen om slachtofferrechten niet te voorzien van effectieve rechtsmiddelen? Mijn fractie ziet ruimte om deze rechten serieuzer te verankeren, bijvoorbeeld door vormen van afdwingbaarheid die geen afbreuk doen aan de positie van andere procespartijen.

In dat kader roept ook de beperking van het spreekrecht "in het belang van het slachtoffer" vragen bij ons op, want de kern van het spreekrecht is juist dat het slachtoffer zelf bepaalt of en hoe hij of zij spreekt. Waarom wordt die afweging in dit wetboek nu bij de voorzitter of bij het Openbaar Ministerie gelegd?

Voorzitter. Dan wil ik even stilstaan bij de onafhankelijke positie van het Openbaar Ministerie. In de praktijk kan het Openbaar Ministerie besluiten om een onderzoek niet te starten, geen extra onderzoekshandelingen uit te voeren of deze slechts gedeeltelijk uit te voeren. Soms wordt een nieuw onderzoeksteam gevormd voor een second opinion, maar soms beslist de officier simpelweg geen vervolgonderzoek te doen, bijvoorbeeld door werkdruk of door het ontbreken van een in de ogen van het Openbaar Ministerie gerede aanleiding. In dergelijke gevallen blijft de belanghebbende vaak met lege handen staan en biedt ook het nieuwe artikel 3.5.1 geen duidelijke uitkomst.

Daarnaast biedt de interne klachtenregeling van het Openbaar Ministerie geen onafhankelijk of bindend herstel van rechten. Die richt zich voornamelijk op interne afhandeling. Ook de informatierechten van artikel 1.5.4 lid 1 bieden onvoldoende dekking, met name wanneer nog geen concrete verdachte is aangewezen of niet duidelijk is of er sprake is van een misdrijf omdat er bijvoorbeeld sprake kan zijn van een ongeval of zelfdoding.

Dit aspect van het opportuniteitsbeginsel kan in de praktijk als onrechtvaardig worden aangevoeld. Het Openbaar Ministerie bepaalt immers zelf of vervolgonderzoek nodig is, waardoor fouten of nieuwe feiten soms niet adequaat kunnen worden opgepakt. Daarom stelt de fractie van D66 voor om een permanente externe toetsingscommissie in te stellen, die beslissingen van het Openbaar Ministerie in zaken van levensbelang opnieuw kan beoordelen op verzoek van een belanghebbende. Dit voorstel sluit aan bij het WODC-rapport "Toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden" uit 2018, waarin wordt vastgesteld dat dit externe toezicht ontbreekt. Ik vraag de minister om toe te zeggen een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van zo'n landelijke toetsingscommissie en hoe die in de praktijk kan worden ingericht, zodat de rechten van slachtoffers en andere belanghebbenden daadwerkelijk worden gewaarborgd.

Voorzitter. De heer Recourt van GroenLinks-Partij van de Arbeid heeft gesproken over de implementatie, over ICT en over de uitvoerbaarheid richting 2029. Inderdaad is het zo dat wellicht de grootste uitdaging van dit wetboek in de uitvoering ligt. De invoering per 1 april 2029 vraagt om ingrijpende aanpassingen van werkprocessen en ICT-systemen bij de politie, bij het Openbaar Ministerie, bij de rechtspraak en bij de advocatuur. Deze systemen zijn onderling sterk afhankelijk van elkaar. Falen bij de ene schakel raakt de hele keten. Recente verstoringen en kwetsbaarheden in de digitale infrastructuur van de strafrechtketen laten zien hoe gevoelig dit allemaal is. Op de hoorzitting die de Eerste Kamer heeft georganiseerd, hebben we gehoord dat er een gerede kans is dat het Openbaar Ministerie om uitstel zal vragen van de invoering van dit nieuwe Wetboek van Strafvordering.

Daar komt nog eens het hele ingewikkelde thema van het overgangsrecht bij. Na 2029 zal langdurig met het oude en het nieuwe recht naast elkaar moeten worden gewerkt. Het Openbaar Ministerie zal tegelijkertijd het huidige rechtssysteem moeten hanteren voor lopende zaken en het nieuwe systeem voor nieuwe zaken. Die hybride toepassing brengt aanzienlijke risico's op fouten, vertraging en rechtsongelijkheid met zich mee. Slachtoffers zouden daardoor niet adequaat worden geholpen, verdachten kunnen hinder ondervinden en criminelen mogen niet de dans ontspringen door een haperend ICT-systeem. De D66-fractie hecht veel waarde aan een stevige centrale regie daarover. De vraag is dan: wie is uiteindelijk verantwoordelijk voor het bewaken van de voortgang en het ingrijpen bij geconstateerde problemen? Hoe worden de adviezen van de adviescommissie ICT, die pas in de loop van dit jaar worden verwacht, betrokken bij de besluitvorming? Is de regering bereid die adviezen zwaar te laten wegen en gemotiveerd verantwoording af te leggen indien daarvan wordt afgeweken? Stel dat de adviescommissie ICT ernstige bedenkingen heeft of serieuze aanbevelingen doet, die de voorgenomen planning wijzigen, is de minister of zijn opvolger dan bereid om die adviezen op te volgen en de Eerste Kamer hierover tijdig te informeren?

Voorzitter. Dan Boek 8, dat gaat over internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking, en dan met name over samenwerking op basis van internationale rechtshulp in strafzaken. Naar aanleiding van de gesprekken met Nederlandse ambassadeurs in verre landen wil ik daarover graag het volgende opmerken. Soms zijn ambassadeurs mede geaccrediteerd in andere landen, al komen ze daar minder frequent en hebben ze daar ook niet zo'n goed netwerk als in hun land van accreditatie. Maar politionele en justitiële samenwerking draait juist op onderling vertrouwen, elkaar kennen en elkaar iets gunnen. Dat heeft totaal geen prioriteit bij de huidige regering en ook niet bij de vorige regeringen, waardoor veel internationale misdrijven onder de radar kunnen blijven.

Mijn vraag is of hier extra aandacht aan besteed kan worden. Dat vraag ik, omdat er in Nederland veel synthetische drugslabs worden opgerold, met name in Brabant. Heel goed natuurlijk, maar de export vanuit Nederland van synthetische drugs naar andere landen is gigantisch, en wederkerigheid is in Boek 8 echt een belangrijk principe. Nu blijkt dat veel landen vinden dat Nederland veel te weinig doet aan het stoppen van die export, waardoor Nederland kansen mist op een soepele samenwerking. Daar hoor ik graag een reactie op.

Als een Nederlandse crimineel in bijvoorbeeld een Afrikaans land woont, zegt Nederland vaak tegen dat Afrikaanse land "wij willen die persoon graag hebben, maar dan op basis van het wereldwijde uitleveringsverdrag". Maar Afrikaanse landen zeggen nu juist weer tegen onze ambassadeurs in die landen "nee, wij willen dat op basis van een bilateraal verdrag". Dan ontstaan er allerlei onderhandelingen. Ik heb vernomen dat het ministerie van Justitie en Veiligheid er naar verluidt veel te afhoudend in is om bilaterale verdragen te sluiten, met als gevolg dat Nederland regelmatig achter het net vist als het zo'n rechtshulpverzoek doet.

Als een rechtshulpverzoek vanuit een ander land bij de bevoegde Nederlandse autoriteiten wordt ingediend, belandt dat vaak onder een stapel, omdat de strafrechtsketen in Nederland al ernstig onder druk staat. Gevolg: zaken slepen zich maanden en maanden voort, tot frustratie van het verzoekende land. De vraag is dus of daarin verbetering optreedt met dit nieuwe wetboek, met Boek 8. We kunnen immers niet zo doorgaan.

De voorzitter:

Meneer Dittrich, wilt u afronden?

De heer Dittrich (D66):

Jazeker. Als laatste op dit onderdeel doe ik een concreet verzoek. Als een Nederlandse man bijvoorbeeld in een land buiten de EU veroordeeld is voor kindermisbruik en hij gaat vervolgens als toerist bijvoorbeeld naar de Filipijnen, dan staat hij niet in Nederland geregistreerd. Dat belemmert onze opsporing in Nederland. De vraag is of de wet op dit punt kan worden aangepast.

Mevrouw de voorzitter, ik hoor u vragen aan mij of ik wil afronden. Dat ga ik ook doen. D66 staat voor een strafrechtspleging die bij de tijd is, effectief en rechtvaardig. Dit wetboek biedt daarvoor een sterke basis. Daarom kan ik nu al aankondigen dat mijn fractie voor dit nieuwe wetboek zal stemmen. Maar de kwaliteit van het recht wordt uiteindelijk bepaald door de uitvoering: heldere regie, voldoende capaciteit, betrouwbare ICT en daadwerkelijke naleving van rechten zijn daarvoor onmisbaar. Vanuit die verantwoordelijkheid ziet mijn fractie met belangstelling uit naar de antwoorden van de regering. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van de fractie van JA21.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Voorzitter. Alvorens te starten met mijn bijdrage, wens ik eerst namens mijn fractie onze waardering uit te spreken voor de zeer zorgvuldige behandeling van de twee wetsvoorstellen die vandaag in dit huis worden behandeld, en uiteraard voor iedereen die daar een bijdrage aan heeft geleverd. De behandeling van deze wetten was aan de overkant al zeer uitvoerig, met ondersteuning van vele deskundigen uit het veld, maar ook in samenspraak met de gehele strafrechtketen en maatschappelijke organisaties die hebben meegedacht en bijgedragen aan dit vernieuwde Wetboek van Strafvordering.

Het is een historisch moment; laten we daar met elkaar dan ook even goed bij stilstaan. Voor de minister en de staatssecretaris is het naar ik aanneem ook een bijzonder moment om nog binnen hun mandaat deze wet vandaag in dit huis te verdedigen. Een warm welkom aan de heer Knigge, de regeringscommissaris voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Wij zijn vandaag in goede handen. Tot slot wil ik alle medewerkers van het ministerie die vandaag achter de schermen aanwezig zijn, succes wensen en danken voor hun bijdrage om vandaag tot een mooi en inhoudelijk debat met elkaar te komen.

Voorzitter. Dan begin ik met mijn bijdrage. Er wordt weleens gezegd dat wetten gestolde moraal zijn. Het is zeer de vraag of dit klopt, maar toch lijken wetten van tijd tot tijd aangepast te worden aan iets wat "tijdgeest" wordt genoemd. Het is ook maar zeer de vraag of er zoiets bestaat als een tijdgeest. Hoe het ook zij, er is gedacht dat het tijd is om te komen tot een nieuw Wetboek van Strafvordering. Het huidige wetboek stamt uit 1926 en dit nieuwe Wetboek van Strafrecht is geen cosmetische ingreep, maar een structurele herziening van het corpus. Hier ligt een fundamentele herstructurering van het strafprocesrecht voor, met verstrekkende gevolgen voor de gehele strafrechtketen. Dit raakt politie, Openbaar Ministerie, rechtspraak, advocatuur en burgers die met het strafrecht in aanraking komen, als verdachte, slachtoffer of anderszins. Juist vanwege die reikwijdte past de Eerste Kamer terughoudendheid, of beter: grondigheid. Dat is gelet op de omvang van de materie ofwel een ondoenlijke opdracht, ofwel een titanenklus. Dat is een veeg teken. Wij moeten ons niet alleen afvragen of dit wetsvoorstel juridisch goed in elkaar zit, maar vooral of het uitvoerbaar, handhaafbaar, betaalbaar en verantwoord is in de praktijk van alledag.

Tijdens een deskundigenbijeenkomst van deze Kamer op 11 februari 2025 is door geleerden verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden een aantal aandachtspunten meegegeven. Zij stelden dat bij het ontwerp van het wetboek een duidelijke visie ontbreekt en geen fundamentele keuzes zijn gemaakt. Volgens hen is het een resultaat vooral gebaseerd op overleg met ketenpartners en compromissen. Invulling van belangrijke onderwerpen uit de wet worden aan de praktijk overgelaten. Dit wordt onder meer zichtbaar in de buitengerechtelijke afdoening en de voorlopige hechtenis, die ondanks de bestaande problematiek nauwelijks heeft geleid tot aanpassing in de wettelijke regeling. Dat brengt mij dan ook gelijk bij de vraag of de minister hierop kan reflecteren.

Maar dan even terug naar het grotere plaatje. In deze Kamer, waarin zo veel leden nostalgie voelen naar de toekomst, zal het wellicht verbazen dat JA21 niet tegen modernisering is. Het huidige Wetboek van Strafvordering is in de loop van decennia uitgegroeid tot een complex en versnipperd geheel, waarin samenhang soms met een lantaarntje te zoeken was. Er was sprake van noodreparaties, toevoegingen en allerlei onderdelen die niet meer aansloten op de digitale werkelijkheid. Overzichtelijk is anders, maar erger is het dat de rechtszekerheid daarmee onder druk is gezet. Voor JA21 geldt echter een duidelijke randvoorwaarde. Een noodzakelijke voorwaarde voor geslaagde wetgeving is dat zij uitvoerbaar is. Dat betekent uitvoerbaar voor alle betrokken partijen, met aanvaardbare kosten, met voldoende capaciteit en met systemen die daadwerkelijk functioneren. Wetgeving die op papier klopt, maar in de uitvoering vastloopt, schaadt het vertrouwen in de rechtsstaat en ondermijnt de legitimiteit van het strafrecht.

Tegen die achtergrond kijken wij met zorg naar de implementatieplanning. De regering gaat uit van een beoogde inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering per 1 april 2029. Uit de stukken en de toelichtingen van de ketenpartners blijkt echter dat deze datum alleen haalbaar wordt geacht indien de strafrechtketen uiterlijk rond 1 april 2028 in belangrijke mate gereed is voor implementatie. Die datum heeft weliswaar geen formele status, maar fungeert als een door ketenpartners zelf genoemde referentie om een jaar later tot verantwoorde inwerkingtreding te kunnen komen. Dat is naar de mening van mijn fractie een buitengewoon smalle marge. Het betekent dat er nauwelijks ruimte is voor tegenslagen, terwijl de ervaring leert dat bij trajecten van deze omvang tegenslagen eerder regel dan uitzondering zijn.

Ook zijn er grote zorgen over de capaciteit en werkdruk. De uitvoeringsorganisaties kampen al met personeelstekorten, hoge werkdruk en oplopende doorlooptijden. Het nieuwe wetboek introduceert nieuwe procedures, uitgebreidere motiveringseisen en extra beslismomenten. In theorie kunnen deze bijdragen aan zorgvuldigheid, maar in de praktijk betekenen zij ook meer werk, meer administratieve lasten en meer druk op de toch al overbelaste ketenpartners.

De rechtspraak, het OM en de politie waarschuwen ook dat zonder substantiële en structurele extra middelen de invoering zal leiden tot vertragingen, hoge werkdruk en mogelijk zelfs rechtsongelijkheid. JA21 vindt het zorgelijk om een stelselwijziging van deze omvang door te voeren zonder duidelijke garanties dat de uitvoering dit aankan. Graag een reflectie van de minister op deze punten.

Daar komt nog bij dat het wetgevingsproces nog niet is afgerond. Er volgen nog aanvullingswetten, de Innovatiewet, invoeringswetten, uitvoeringsregels en uitwerkingen. Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat men moet bouwen terwijl de blauwdruk nog niet volledig vaststaat. Dat is riskant, zeker waar het gaat om ICT-systemen en ketenafspraken die lastig achteraf te corrigeren zijn. Mijn vragen aan de minister zijn de volgende. Staat de implementatie van de twee vaststellingswetten onder druk, als de eerste aanvullingswet niet voor 1 april 2026 wordt aangenomen? Heeft de minister een plan B, mocht gaandeweg blijken dat invoering per 1 april 2029 gewoonweg niet haalbaar is?

De regering erkent deze spanning ook en spreekt daarom ook over de noodzaak van een beleidsluwe periode van twee jaar voor en één jaar na invoering. Rinus Otte, de voorzitter van het College van procureurs-generaal, vraagt ook om een aantal jaren van wetgevingsluwte. Wij vragen ons af: leggen wij ons als parlement niet zelf aan de ketting vanwege deze buitengewoon omvangrijke operatie? Kunnen wij het de komende jaren wel vergeten dat geweldplegers tegen hulpverleners uiteindelijk zwaarder worden gestraft, omdat het OM de gehoopte wetswijziging niet kan verwerken? Graag een reflectie van de minister hierop met het oog op alle eventuele wets- en beleidswijzigingen.

Een ander zorgenkind is de digitalisering. Dit nieuwe wetboek is niet alleen een juridische herziening, maar in belangrijke mate ook een grootschalig ICT-project voor alle ketenpartners. Zowel politie als OM hebben aangegeven dat de benodigde systemen nog niet op het vereiste niveau zijn en dat de invoeringstermijn erg ambitieus is. Ook dient voor bepaalde tijd nog gewerkt te worden met twee digitale systemen, voor de oude zaken die nog vallen onder de huidige wetgeving en de nieuwe zaken die vallen onder het nieuwe wetboek. De overgang van het huidige Geïntegreerd Processysteem Strafrecht naar nieuwe systemen bij het Openbaar Ministerie en de rechtspraak is ambitieus en raakt de kern van de strafrechtspleging. Het gaat om dossieropbouw, gegevensuitwisseling en de toegankelijkheid van het proces voor procespartijen.

In de afgelopen jaren is het Openbaar Ministerie meermaals doelwit geworden van succesvolle hackaanvallen, waardoor interne systemen zelfs voor langere periodes platlagen en de privacy van verdachten, slachtoffers en andere betrokkenen gecompromitteerd werd. Kan de minister aangeven welke concrete maatregelen er worden getroffen om de veiligheid en vertrouwelijkheid van verplichte elektronische indiening van stukken te waarborgen, mede gelet op het risico van cyberaanvallen? Rinus Otte heeft tijdens een informatiebijeenkomst in ons huis van 3 november 2025 opnieuw zijn zorgen geuit of de ingangsdatum van 1 april 2029 gehaald gaat worden — collega Dittrich refereerde er ook al aan — gezien de grote problemen in zijn ICT-systemen. De Kamer verwacht medio april een eerste rapport van het Adviescollege ICT-toetsing met een globaal beeld van de situatie en een risicoappreciatie. Kan de minister toezeggen dat als dit eerste rapport bekend is, er opnieuw beschouwd wordt of 1 april 2029 een realistische planning blijkt te zijn voor de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering?

Een verder punt van aandacht is de zogenaamde "beweging naar voren". Het nieuwe wetboek beoogt meer regie in de voorbereidende fase van het strafproces, met als doel efficiëntere zittingen en minder aanhoudingen. Met name de positie van de rechter-commissaris verdient hierbij aandacht. De rol wordt zwaarder en structureel, maar een concreet en onderbouwd beeld van de gevolgen voor werklast, formatie en opleiding ontbreekt nog. Graag een reactie van de minister op dit punt.

De rechter-commissaris heeft een regierol in het voorbereidend onderzoek: sturen op voortgang, bewaken van proportionaliteit, beslissen over onderzoekswensen enzovoort. Het idee is: meer rechterlijke controle aan de voorkant. Echter, de rechter-commissaris heeft regie zonder tanden. De regierol kan werken, maar is niet zelfhandhavend. Het succes hangt dus niet af van de wet, maar bijvoorbeeld van institutionele discipline en rechterlijke assertiviteit. De rest van de strafrechtketen moet meebewegen en zich schikken naar de nieuwe rollen. Hoe maakt men zich nieuwe rollen eigen en hoe worden oude patronen doorbroken? Dat is de vraag. Is de minister bereid toe te zeggen dat bij de invoeringstoets expliciet wordt beoordeeld in hoeverre de regierol van de rechter-commissaris, die niet is voorzien van eigen sanctiemiddelen, in de praktijk daadwerkelijk bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van de "beweging naar voren"?

Voorzitter. JA21 wil dat het nieuwe Wetboek van Strafvordering een succes wordt. Dat betekent niet alleen dat het wordt aangenomen, maar vooral ook dat het werkt. Dat vereist realisme over planning, capaciteit, digitalisering, voldoende financiële middelen en governance. Het vereist ook de bereidheid om tijdig pas op de plaats te maken als blijkt dat aan de randvoorwaarden nog niet is voldaan.

Wij zien uit naar de duidelijke en concrete antwoorden van de regering, want meebewegen met de tijd is alleen enigszins verantwoord als het weldoordacht is.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):

Voorzitter, minister, staatssecretaris, geachte regeringscommissaris, geachte collega's, wij staan hier vandaag vanwege onze rol als chambre de réflexion. Onze taak is niet het bedrijven van de politiek van de dag, maar het toetsen van wetgeving op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het voorliggende wetsontwerp wordt gepresenteerd als een modernisering, een noodzakelijke update van ons strafprocesrecht. Maar wetgeving is geen abstracte oefening op papier. Een wet is pas een goede wet als deze kan functioneren in de weerbarstige praktijk van alledag.

Vandaag moet de centrale vraag dan ook zijn: is de bodem waarop wij dit juridische bouwwerk willen plaatsen wel stevig genoeg? Daarover heb ik grote twijfel. Of zijn we bezig een extra verdieping te bouwen op drijfzand? Zeven fundamentele vragen aan u. Om tot een gewogen oordeel te komen over de haalbaarheid van dit voorstel, heb ik in ieder geval zeven vragen die volgens mij de kern van onze rechtsstaat raken.

Eén: equality of arms, artikel 6 EVRM. Rechtsongelijkheid dreigt. In hoeverre voorziet dit wetsvoorstel in een reële compensatie voor de verdediging bij complexe digitale opsporing? Is de minister met mij van mening dat de balans zoekraakt als het OM beschikt over geavanceerde algoritmen terwijl de verdediging de middelen nog mist om de betrouwbaarheid van deze data te toetsen? De "beweging naar voren" is al genoemd. Wij maken ons daar zeer grote zorgen over. Mijn fractie heeft 50 sociaal advocaten gesproken. Zij maken zich daar grote zorgen over. De verdediging mist deze middelen echt, zij loopt achter de feiten aan, terwijl ze al met 3-0 achterstaat. Het is echt een van onze mensenrechten en Europese rechten dat we dit goed regelen.

Het klinkt mooi om deze nieuwe strafwet efficiënter en sneller te doen verlopen, maar we hebben nogal wat verzoeken en wij hopen dat u de toezegging kunt doen, dat u garanties kunt geven dat dit niet fout gaat. Garandeert u een gelijk speelveld? Mag de verdediging bijvoorbeeld tot op het laatste moment stukken indienen?

Twee: de positie van de rechter-commissaris. JA21 refereerde daar terecht al aan. Dit punt verdient echt grote aandacht. Ziet de minister in dat door de verschuiving van de bevoegdheden naar de officier van justitie de preventieve toetsing door de rc mogelijk — mogelijk — wordt uitgehold? Hoe rijmt hij dit met de noodzaak van onafhankelijk toezicht op ingrijpende inbreuk op de privacy?

Drie: chain of custody. Hoe garandeert de minister de integriteit van digitaal bewijs conform de eisen van een eerlijk proces wanneer de IT-infrastructuur bij de politie regelmatig tekortschiet in de verslaglegging van de herkomst van data?

Vier: ICT-risico's, de black box van een algoritme. Ik heb het over AI. Door vorige sprekers is daar al nadrukkelijk op gewezen. Hoe verhoudt de inzet van analysetools zich tot de motiveringsplicht van de rechter? Kan een rechter nog wel aan zijn plicht voldoen als de onderliggende logica van de software onkenbaar blijft voor zowel de magistratuur als zeker de verdediging, die al met 3-0 achter staat? Je kunt wel een kloppende wet samenstellen, maar als het systeem niet werkt, dan werkt het óók niet. Wij willen heel graag dat het nieuwe bouwwerk een groot, goed systeem wordt dat goed geheid is. Daar hebben wij grote vraagtekens bij. Ook kan een grotere afhankelijkheid van de ICT je kwetsbaar maken. Denk maar aan de ICT-hack bij het OM van het afgelopen jaar. De schade was groot. Alles lag plat.

Vijf: de financiële houdbaarheid. Welke concrete budgettaire reserveringen heeft u begroot voor de onmiddellijke, onvermijdelijke IT-aanpassingen, opleidingen en noodzakelijke herscholing binnen deze keten? Ik heb ze nog niet gezien. Er zijn minder correctiemechanismen. Daar gaf ook de heer Recourt al voorbeelden van. Er is ook minder rechtsbescherming.

Dan kom ik bij punt zes. De Ottenorm, zo noem ik het maar even. Ik heb het over de Ottenorm voor rechtszekerheid. Is de minister bereid te erkennen dat een gebrekkige uitvoering van deze wet direct leidt tot schending van de redelijke termijn? Dat is toch zeer essentieel voor verdachten. Dat is zeer essentieel als die niet al te kapitaalkrachtig en daardoor afhankelijk van de sociale advocatuur zijn. Is de minister bereid te erkennen dat hij daarmee de weg plaveit voor meer niet-ontvankelijkheidsverklaringen?

Zeven: de AI-verordening. Is reeds een Fundamental Rights Impact Assessment uitgevoerd? Dat is een systeem dat vaker wordt gehanteerd voor de beoogde nieuwe tools en is in lijn met de Europese AI-regelgeving voor highrisksystemen. Ik heb het nog niet gezien. Daar is al door vorige fracties op gewezen. Ik hoop werkelijk, of mijn fractie hoopt werkelijk, dat u daar een toezegging op kunt doen en dat u onze zorgen kunt wegnemen. Normering in het Wetboek van Strafrecht middels AI is zeer noodzakelijk. Zou het niet beter zijn daar even op te wachten, om een beter bouwwerk te kunnen organiseren? Ik durf het wel een wrakke gesteldheid te noemen, een diagnose van Otte. Dat blijkt ook uit de eerdere inbreng van de pg, Rinus Otte, de heer Otte, ook hier bij een deskundigenbijeenkomst.

Voorzitter. Bij de beantwoording van deze vragen kunnen we niet om de feiten heen. Ik refereerde al aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de heer Otte. Otte spreekt in niet mis te verstane bewoordingen over de wrakke gesteldheid van de strafrechtketen. Dat is een citaat van hem, "de wrakke gesteldheid van de strafrechtketen". Laat dat even resoneren. Er is dus echt wel wat te doen. Het is een systeem in crisis. Wanneer de procureur-generaal waarschuwt dat de fundamentele waarden van onze rechtsstaat, zoals een tijdige en zorgvuldige berechting en een zorgvuldige voorbereiding voor de verdediging, onder druk staan door structurele tekorten, dan past ons uiterste terughoudendheid. Dat zou mijn fractie dan inbrengen. De strafrechtketen is zo sterk als de zwakste schakel. Momenteel vertonen bijna alle schakels hier barsten. Graag uw reflectie hierop.

Voorzitter. Ik geef vier praktijkvoorbeelden van een systeem in nood met een wrakke gesteldheid.

Eén: het seponeren door tijdsverloop. In diverse arrondissementen worden wekelijks kansrijke zaken geseponeerd wegens een gebrek aan zittingscapaciteit. Het toevoegen van nieuwe bevoegdheden die tot complexere dossiers leiden, zal dit stuwmeer aan zaken alleen maar vergroten.

Twee: de digitale sliblaag. Specialistische teams wachten nu al maanden op het uitlezen van telefoons. Nieuwe wetgeving zonder een enorme investering in de forensische ICT is als het aanleggen van een snelweg die doodloopt op een zandpad.

Drie: het logistieke infarct. Zittingen worden afgeblazen bij gebrek aan parketpolitie of griffiers. In een systeem waar de basislogistiek al faalt — het spijt me dat ik het zo moet zeggen — is elke extra procedurele stap uit dit wetsvoorstel een garantie voor een verdere verstopping.

Vier: de menselijke uitputting. De werkdruk bij rechters en officieren van justitie ligt structureel al tussen de 125% en 130%. De werkdruk zal alleen maar hoger worden. We vragen van hen dat zij zich een complex nieuw kader eigen maken en bouwen terwijl ze in feite al bezwijken onder de huidige last. Dit is een recept voor fouten en voor een verdere uittocht van expertise. Gaarne uw reflectie hierop en bij voorkeur ook garanties voor hoe u dit gaat voorkomen.

Over de rechtszekerheid gaven twee vorige fracties al iets aan over het "ne bis in idem"-voorstel van professor Geert-Jan Knoops. Gezien mijn spreektijd neem ik dat punt over.

Conclusie: een pleidooi voor bezinning en uitstel. Vandaag staan we voor een besluit over de fundamenten van onze rechtsstaat. Het is aan ons om dat te overwegen en ons af te vragen of we daar voor zijn. Moeten we dit nou wel doen met deze effectiviteit? Wij denken van niet. We kunnen als wetgever niet blijven stapelen op een wrak fundament. Het risico dat de kwaliteit van onze rechtspraak definitief bezwijkt onder de ambities van dit huis is te groot.

Ik kom tot een afronding, mevrouw de voorzitter. Ik verzoek de minister een realistisch tijdpad samen te stellen, rechtszekerheid te waarborgen en in ieder geval de vragen die we hebben gesteld serieus te beantwoorden en ons garanties te geven. Dan kunnen we hopelijk ook een bijdrage leveren aan serieuze, sterkere wetgeving, want dat heeft dit land hard nodig.

Ik dank u voor uw aandacht.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Doornhof van de fractie van het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof i (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Uzelf, de bewindslieden, de regeringscommissaris, de collega-Kamerleden, en ook ikzelf: iedereen is wel bekend met grote of kleine voorbeelden, van jezelf of uit directe kring, waaruit blijkt hoe strafvordering daders en slachtoffers heel direct raakt. Zo weten we dat er soms met lof over de politie wordt gesproken als een aangifte meteen is opgepakt en er recht is gedaan aan iemand die met criminaliteit te maken heeft gehad. In andere gevallen is er juist kritiek op justitie, omdat iemand bijvoorbeeld ten onrechte als mogelijke dader zou zijn lastiggevallen of, andersom, als een zaak zomaar zou zijn geseponeerd.

Wat betreft die grote voorbeelden van de impact van strafvordering op mensen wil ik wijzen op Slachtofferhulp, de recentelijk in het leven geroepen podcast van BNNVARA. Daarin vertellen nabestaanden van geweldsdelicten onder meer wat het strafproces voor hen betekende. In de eerste afleveringen hoor je reconstructies van de families van Scott, die door een inbreker werd doodgestoken, en Sela, een slachtoffer van femicide. Die verhalen maken duidelijk dat de manier waarop de organen van onze rechtsstaat communiceren en beslissingen nemen en uitvoeren, niet abstract is, maar rechtstreeks invloed heeft op hoe nabestaanden hun verlies ervaren en verwerken. Uiteindelijk staat hun vertrouwen in de rechtsstaat op het spel, en dat kun je een understatement noemen. In dit verband is het niet voor niets dat de voorzitter van de raad van bestuur van Slachtofferhulp Nederland, mevrouw Rosa Jansen, liet weten dat ze artikel 1.1.4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering aan de muur spijkert. Het luidt: "Strafvordering heeft plaats op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer."

Dit sluit aan bij het christendemocratische uitgangspunt van publieke gerechtigheid. In het algemeen betekent dit uitgangspunt dat er nadruk wordt gelegd op onder meer de menselijke waardigheid, die door de rechtsstaat gekoesterd moet worden, juist als mensen gedurende hun levensloop kwetsbaar zijn en rechtvaardig behandeld behoren te worden. Dat brengt enerzijds met zich mee dat de wet wordt gehandhaafd door middel van het strafrecht. Een geloofwaardig overheidsoptreden voorkomt dat burgers eigenrichting plegen of het vertrouwen in en het respect voor het recht verliezen. Anderzijds is een bestanddeel van publieke gerechtigheid dat de positie en rechten van de verdachte uiterst zorgvuldig in ogenschouw worden genomen.

Nu ik toch begonnen ben met verwijzen naar media: in de documentaire Napels aan de Noordzee, van PowNed, wordt zichtbaar hoe een langdurige strafrechtelijke procedure een stad, bestuurders en betrokkenen jarenlang in zijn greep houdt, nog los van de uiteindelijke rechterlijke beoordeling. De naam van Marco Borsato laat ik in dit verband ook vallen. Ik citeer daarom opnieuw uit de nieuwe wet, en wel uit artikel 1.1.2: "De verdachte heeft recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn." Dat sluit natuurlijk aan bij de bepalingen die hierover al in het EVRM en in de Grondwet staan, maar uiteindelijk is het niet de bedoeling dat het bij dit nieuwe wetboek blijft bij een codificatie-exercitie. Met de nieuwe regels voor strafvordering wordt ingezet op een strafrechtketen die digitaal samenwerkt, voortgang kan aantonen en beslissingen kan uitleggen aan de verdachte, aan het slachtoffer en aan de samenleving.

Mevrouw de voorzitter. Dit wetboek omvat een van de meest omvangrijke wetswijzigingen uit de Nederlandse wetsgeschiedenis. Dat hebben we als Kamer zelf ook niet onderschat: niet voor niets is er een speciale werkgroep ingesteld om de behandeling van dit wetsvoorstel voor te bereiden. Graag grijp ik meteen de kans om onze voorzitter, collega Vogels, te bedanken voor haar betrokken leiding, alsook de griffie voor de professionele ondersteuning. Ik zie dat mevrouw De Graag naast u zit, voorzitter. Haar kijk ik dan ook in het bijzonder aan.

In het kader van de voorbereiding hebben we onder meer een gesprek gevoerd over de praktijk van het huidige strafproces, afgezet tegen hoe dat in het nieuwe wetboek is. Er is toen ingezoomd op de rollen van de rechter-commissaris en de raadkamer. Uiteindelijk moet er een beweging naar voren komen, zodat strafzaken beter voorbereid bij de zittingsrechter terechtkomen. Er zijn nu te veel pro-formazittingen nadat de dagvaarding is uitgebracht. De doorlooptijden moeten korter worden. Daarom krijgt de rechter-commissaris een meer samenhangende en regisserende rol in de onderzoeksfase. De raadkamer behoudt wel de bevoegdheid over bijvoorbeeld gevangenhouding, maar pro-formazittingen en het voeren van regie vallen weg. De officier van justitie is ook niet langer verplicht om na 90 dagen verlenging van de gevangenhouding de zaak op zitting aan te brengen. Er gaat pas een procesinleiding uit op het moment dat de officier van mening is dat het onderzoek gereed is — zie artikel 4.1.1.

Om er nu voor te zorgen dat doorlooptijden ook echt korter worden, moeten de veranderingen in regels wel gepaard gaan met een cultuuromslag. De regering schrijft zelf dat voor een geslaagde beweging naar voren het belangrijk is dat alle actoren, ieder vanuit zijn eigen rol, bijdragen aan de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De beweging naar voren vergt een goede samenwerking tussen deze actoren en een — ik citeer — "proactieve attitude". Dit deed mijn fractie meteen denken aan die andere, uiterst omvangrijke wetswijziging, namelijk — het woord is al gevallen — de Omgevingswet. Ook die wet is inhoudelijk doordacht, maar al vroeg werd duidelijk dat het succes niet primair afhangt van de juridische regels en instrumenten, maar van de uitvoering met een houding van "nee, tenzij" naar "ja, mits" ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de overheid.

Daarvoor is onderlinge samenwerking cruciaal. De Omgevingswet veronderstelt dus een werkelijkheid met één loket, samenwerkende overheden en actuele en digitale informatie. Maar uit een eerste evaluatie — ik heb zelf ook zo mijn ervaringen met die wet — is al gebleken dat binnen gemeenten weliswaar vaker en eerder contact wordt gezocht tussen afdelingen, met ruimtelijke ordening enerzijds en vergunningen, toezicht en handhaving anderzijds, maar dat oude verkokerde werkpraktijken toch steeds de kop opsteken. Bovendien is het digitale stelsel nog steeds niet op orde.

Kunnen de bewindslieden in het licht van deze ervaring concreter maken hoe, als het nu gaat om dat nieuwe Wetboek van Strafvordering, de cultuuromslag binnen de strafrechtketen echt waar wordt gemaakt? In de beantwoording van onze vraag heeft de CDA-fractie in het bijzonder herhaald zien worden wat het beoogde resultaat is, maar de echte maatregelen ontbreken waarmee de cultuuromslag moet worden bereikt. Waaraan mogen we in deze Kamer het vertrouwen ontlenen dat in dit opzicht het nieuwe wetboek echt tot verbetering en versnelling leidt?

Voorzitter. De achtergrond van deze vragen is als volgt. Als wetgeving veronderstelt dat functionarissen en digitale systemen samenwerken, dan is dat geen implementatiedetail, maar een constitutieve vereiste voor het slagen van de wet. Dan hebben we het bij het Wetboek van Strafvordering niet over omgevingsvergunningen, hoe verstrekkend die overigens ook kunnen zijn, maar over vrijheid, veiligheid en rechtsbescherming. We mogen daarom niet, nog minder dan bij de Omgevingswet, te optimistisch zijn over de uitvoerbaarheid.

Voorzitter. Daarom is het ook terecht dat naast die focus op de uitvoering van het nieuwe wetboek, onze Kamer zich geconcentreerd heeft op informatietechnologie. Ook daarover hebben we een aparte deskundigenbijeenkomst gehad. Daarin heeft de heer Van Leest toegelicht dat binnen de rechtspraak de Basisapplicatie Strafrechtspraak, kortweg BAS, intrede doet. Aan de kant van het OM wordt EMMA ontwikkeld. Naast de zelfstandigheid die de rechtspraak nastreeft, is de afhankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het proces van de totstandkoming van de ICT-systemen benadrukt, in de woorden van de heer Van Leest: "BAS en EMMA moeten samen dansen."

Er is ook nog de politie, die ervoor moet zorgen dat dossiers via haar systemen digitaal naar het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de rechtspraak gaan. Daarbij is door mevrouw Vis, programmadirecteur bij de politie, evenzeer de afhankelijkheid van het OM genoemd. Wat zei het OM dan zelf? Het heeft de wens om nader onderzoek te doen, gericht op de ketenbrede voortgang en de haalbaarheid om het nieuwe wetboek succesvol in te voeren. De regering heeft laten weten dat het OM en het ministerie hierover op korte termijn in gesprek gaan en dat de eerstgenoemde daarvoor de nodige analyses uitvoert.

In dit verband is het recente coalitieakkoord tussen de fracties van D66, VVD en CDA overigens hoopgevend. Ik citeer: "Het Openbaar Ministerie vervult een onmisbare rol in onze strafrechtketen, maar wordt gehinderd door grote IT-problemen die mogelijk invloed kunnen hebben op strafzaken. We zorgen voor rust in het beleid ten aanzien van het OM en maken goede afspraken om de digitale bedrijfsvoering duurzaam op orde te brengen." Bij dit alles komt betekenis toe aan het feit — het is eerder al gevallen — dat wij als Kamer zelf hebben besloten advies te vragen aan het Adviescollege ICT-toetsing. Daarbij gaat het om de voorbereiding van de individuele organen in de strafrechtketen op alle ICT-aanpassingen en de overkoepelende regie. Dit laatste lijkt nadrukkelijk ook het ministerie te betreffen. Uiteindelijk blijft het uiteraard nog steeds een rare volgorde: vandaag voeren we eerst dit debat, en pas in april beschikken we over een eerste rapport van het adviescollege met een globaal beeld.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Ik ben blij dat de heer Doornhof het regeerakkoord aanhaalt. Ik heb die zin ook gelezen en ben toen verdergegaan naar de financiële paragraaf. Daarin kon ik helemaal niets vinden over het geld dat het OM nodig heeft. Heb ik verkeerd gekeken of staat het er inderdaad niet in?

De heer Doornhof (CDA):

Ik heb zelf niet op die manier gekeken naar deze bepaling. Met de kennis die ik heb over de onderhandelingen in de Tweede Kamer, zou ik wel durven stellen dat het van de hele Kamer gaat afhangen welk geld hier uiteindelijk beschikbaar voor wordt gesteld. U weet dat het om een minderheidskabinet gaat. Als u van mening bent dat daar op dit moment te weinig geld naar gaat, zou ik u de suggestie willen doen om contact op te nemen met uw partijgenoot aan de overkant; mogelijk zou die nog wat voor u kunnen betekenen.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Dank voor de suggestie, maar ik wilde iets anders voorstellen. Ik wil voorstellen om nu aan de minister te vragen de financiële kaders helder te maken en de toezegging te doen dat deze in begrotingen worden opgenomen, zodat wij controle hebben over hoe dat geld georganiseerd moet worden.

De heer Doornhof (CDA):

Even serieus dan, om de vraag van collega Recourt goed te beantwoorden. Ik heb zelf gezien dat de regering in de beantwoording nu vrij geruststellend zegt: wij voeren die gespreken; het OM doet nu analyses naar wat het nodig heeft en hoe het ministerie daarbij zou kunnen helpen. In mijn ogen zat daar meteen al een soort bereidwilligheid in om hieruit te komen. Volgens mij geldt voor ons beiden, zeg ik via de voorzitter, dat de uitvoerbaarheid buiten kijf moet komen te staan. Ik vond het extra hoopgevend dat dit niet alleen iets is wat deze regering naar voren bracht, maar dat we het ook aantreffen in het nieuwe coalitieakkoord.

Ik had het over de wat rare volgorde. We praten nu over de wet en krijgen straks nog het advies van het adviescollege. Ook daarbij zie je misschien wel de parallel met de Omgevingswet. Daar werd ook aan gerefereerd. Eerst moeten we de wet aanvaarden en dan moeten we een tijd wachten op de inwerkingtreding. Ook professor Otte is al een paar keer aan de orde geweest. Hij zegt dat we niet te romantisch mogen zijn. Of die 2029 een halszaak is of niet; het is toch een kwestie van nader onderzoek en het heeft misschien meer tijd nodig, aldus de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

De regering heeft in ieder geval gezegd dat als de bevindingen van het Adviescollege ICT-toetsing aanleiding geven tot bijstelling van de geplande inwerkingtredingsdatum, onze Kamer en de Tweede Kamer daarover te informeren. Kunnen de bewindslieden misschien wat meer zeggen over hoe zij de gedachtewisseling over de advisering door het adviescollege met de senaat voor zich zien? Het zal natuurlijk niet verbazen dat wij daarbij in het bijzonder betrokken willen blijven. Daarbij speelt de vraag in hoeverre het feit dat de digitale inbedding van de strafvordering een constitutief vereiste is samen kan gaan met de mening van de CDA-fractie dat 2029 misschien inderdaad geen halszaak is, maar dat de modernisering die wij vandaag bespreken echt niet veel langer op zich mag laten wachten, in het belang van slachtoffers en verdachten.

Overigens waardeert de CDA-fractie het dat de politie en het Nederlands Forensisch Instituut informatietechnologie ook gebruiken door via algoritmes strafzaken op te lossen. In dit verband geldt dat het nieuwe wetboek hier nog niet speciaal op is aangepast. De heer Recourt zei dat ook. Kan de regering wellicht zeggen of op dit punt nog extra innovaties voor de opsporing zijn te verwachten om de pakkans na een gepleegd misdrijf verder te vergroten? Het gebruik van AI valt nu onder de eisen van zorgvuldigheid en controleerbaarheid van het wetboek. De regering heeft in dit verband bevestigd dat er geen sprake is van het vaststellen van een verdenking of het beoordelen van bewijs door AI zonder dat is voorzien in menselijke tussenkomst.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Ik zat nog heel even te kauwen op die zinsnede van collega Doornhof dat 2029 geen halszaak is, maar wel van het grootste belang, of woorden van die strekking. Daarvan denk ik dan: dat is eigenlijk een synoniem. Ik vraag dus maar even via u, voorzitter, aan collega Doornhof: wat zegt hij daarmee dan eigenlijk, als het geen halszaak is, maar wel van het grootste belang?

De heer Doornhof (CDA):

Het heeft misschien met het woord "balans" te maken. Enerzijds zeg ik inderdaad dat het niet zo kan zijn dat je met dat nieuwe wetboek aan de gang gaat terwijl je de uitvoerbaarheid niet hebt verzekerd. Anderzijds ontstond er misschien ook een beetje een sfeer van — misschien zeg ik het dan een beetje weinig parlementair — "dan moet het gewoon maar wat langer de tijd hebben, en dat maakt dan niet uit". Ik weet niet of dat heel onparlementair is, maar goed "we laten het een beetje op z'n beloop", terwijl ik dat besef van urgentie hier nu namens mijn fractie nog een keer goed wil benadrukken. Ik geloof dat het de heer Dittrich was die een concrete vraag stelde: hoe hard is nou die datum van 2029? Wij gaan hier vanuit de Kamer, zou ik zeggen, natuurlijk niet de voorzitter van het college van pg's tegenspreken als deze zegt: 2029 gaat gewoon niet gebeuren. Maar het moet niet omslaan in een houding van: nou ja, we nemen nog jaren de tijd. Laat ik dat zo tegen de collega zeggen.

De voorzitter:

De heer Doornhof vervolgt zijn betoog.

De heer Doornhof (CDA):

Over AI heeft de regering ook gezegd dat de verdediging — ik hoorde zojuist iets anders — juist wel met behulp van dezelfde systemen die ook de opsporing gebruikt een desbetreffende dataset kan doorzoeken met het oog op het vinden van relevante gegevens. Bovendien kan worden verzocht een deskundige te benoemen met de opdracht om tegenonderzoek te doen. Dit alles neemt niet weg dat de minister niet lang geleden de commissie-Koops II heeft ingesteld met de vraag om aanbevelingen te doen voor een nadere normering van het verwerken van bulkdata ten behoeve van de politietaak. Op dit punt wordt het nieuwe wetboek mogelijk nog aangevuld. Kunnen de bewindslieden zeggen of dit betekent dat op dit moment eventuele nieuwe technologische innovaties in de opsporing nog niet toegepast kunnen worden?

Voorzitter. Ik kom aan het slot van mijn betoog. Vandaag staan de juridische en uitvoeringstechnische kant van het wetsvoorstel nogal centraal, waardoor misschien wat te weinig wordt uitgesproken dat er grote waardering is voor onze politiemensen. Zij werken met overtuiging, professionaliteit en loyaliteit aan de rechtsstaat. Dit doen ze, terwijl ze niet altijd de steun van hun burgemeester of van het OM ervaren. Bovendien zijn rechterlijke beslissingen voor de werkvloer soms moeilijk te begrijpen. In zoverre juicht mijn fractie het toe dat, aan de overkant dus, in het coalitieakkoord door de fracties dank wordt uitgesproken aan politie, hulpverleners en andere hoeders van de rechtsstaat. De coalitie belooft te zullen zorgen dat ze voldoende mensen, middelen en mogelijkheden hebben om hun werk goed te doen.

Bij de CDA-fractie in déze Kamer bestaat hoe dan ook het besef dat achter elk strafdossier hard politiewerk zit. Het gaat om uren en soms jaren van recherche, observatie, verhoor en analyse, en dan vaak onder hoge druk en met grote maatschappelijke verwachtingen. Dat werk verdient respect. Dat respect zit niet alleen in woorden en politieke beloften, maar zeker ook in de manier waarop aan een concrete zaak door officieren van justitie en rechters een vervolg wordt gegeven. Want niets is zo ontmoedigend voor politiemensen als een zaak waarin een dossier zorgvuldig is opgebouwd en het onderzoek professioneel is uitgevoerd, maar de vervolging hapert, bijvoorbeeld door gebrekkige samenwerking in de keten. De beloning voor goed politiewerk is een zorgvuldige vervolging en een rechtelijk oordeel dat standhoudt. Dat is recht doen aan het slachtoffer, dat is recht doen aan de verdachte en dat is recht doen aan de inzet van de politie. Daarmee is een goed werkend Wetboek van Strafvordering uiteindelijk niet alleen iets wat juridisch moet, maar ook een morele verplichting tegenover iedereen die dagelijks werkt aan publieke gerechtigheid, aan onze rechtsstaat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Talsma van de fractie van de ChristenUnie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Dank u zeer, mevrouw de voorzitter. Op donderdag 13 en vrijdag 14 januari 1921 beraadslaagden onze voorgangers over een nieuw Wetboek van Strafvordering. Een van de sprekers aan de zijde van de Kamer was SDAP-senator Maurits Mendels, wiens naam ik in het bijzonder noem omdat zijn betoog voor een rechtvaardig strafprocesrecht zo keihard contrasteert met zijn levenseinde als rechteloze in het concentratiekamp Theresienstadt, op 3 juni 1944, aan de vooravond van D-day. Oud-collega Mendels begon zijn bijdrage aan het debat met een felicitatie die ook vandaag niet misstaat, namelijk een felicitatie met het feit dat een zeer omvangrijk wetsontwerp als dit het stadium van de beraadslaging in de Eerste Kamer bereikt. Mendels zei, en ik citeer: "Dat is zeker een zeldzaamheid, want sedert tientallen van jaren hebben wij niet mogen beleven, dat een geheele codex werd omgewerkt, maar hebben wij ons steeds tevreden moeten stellen met partieele wijzigingen." Einde citaat.

Ruim een eeuw later sluit ik me graag bij Mendels aan. Het Wetboek van Strafvordering waar hij over debatteerde, trad op 1 januari 1926 in werking en heeft sindsdien talloze partiële wijzigingen ondergaan, maar uiteindelijk kon, zoals Mendels dat noemde, een omwerking van de gehele codex niet uitblijven. Een substantieel eerste deel daarvan ligt vandaag voor, en ik feliciteer namens mijn fractie graag de minister, het departement, en ook de regeringscommissaris en alle anderen die namens de verschillende schakels in de strafrechtketen of in andere hoedanigheden hebben meegewerkt aan de totstandkoming van deze wetsvoorstellen.

Het brengen van overzicht en consistentie in de ontstane wettelijke lappendeken, het aanpassen van de wetgeving aan de huidige stand van de nationale en internationale jurisprudentie, het bieden van een wettelijke grondslag voor de inzet van nieuwe technologieën, en het bevorderen van een vlotte procesgang: dat zijn wat mijn fractie betreft de kernelementen van deze wetsvoorstellen die maken dat wij er met een positieve grondhouding naar kijken. De voorbereiding van de wetsvoorstellen is zeer grondig geweest. Dat geldt ook voor de behandeling in de Tweede Kamer. Collega's zeiden het al.

Ik dank de minister voor de beantwoording van onze schriftelijke vragen. Ik dank daarmee telkens ook de staatssecretaris en regeringscommissaris, maar ik noem voor het gemak maar even de minister. Vandaag zal ik me hoofdzakelijk richten op enkele thema's die wat mijn fractie betreft nog wat extra opheldering behoeven, met name in het licht van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Het bevorderen van een vlotte procesgang, waar ik het zojuist even over had, heet in het nieuwe strafvorderingsvocabulaire ook wel "de beweging naar voren". Laat heel helder zijn: mijn fractie steunt die wens. Strafzaken duren soms veel te lang, met alle gevolgen van dien. Het inhoudelijk zo veel mogelijk zittingsklaar maken van een zaak past in de Nederlandse strafvorderlijke traditie en is in overeenstemming met de vereisten van bijvoorbeeld het EVRM. Te veel nadruk op snelheid kan echter ten koste gaan van de grondigheid van onderzoek en leiden tot bewijsproblemen. Te veel nadruk op snelheid kan ook leiden tot afbakeningskeuzes die gevolgen kunnen hebben voor bepaalde slachtoffers of benadeelde partijen. De vraag is dan: op welke manier denkt de minister te voorkomen dat de beweging naar voren op dit punt uiteindelijk een stap achteruit blijkt te worden?

Datzelfde geldt met betrekking tot rechtsbijstand, met name voor verdachten die niet in voorlopige hechtenis zitten. Om te voorkomen dat zij op de inhoudelijke zitting voor voldongen feiten staan, is er behoefte aan tijdige rechtsbijstand. Op vragen daarover antwoordde de minister het volgende. Het is een omvangrijk citaat. Zet u schrap. "Tegen de achtergrond van de doelstelling van de beweging naar voren wordt onderzocht op welke wijze en in welke zaken het mogelijk zal worden gemaakt voor een verdachte voor wie niet in verband met de voorlopige hechtenis een raadsman is aangewezen, om op basis van een aanvraag gesubsidieerde rechtsbijstand een raadsman toegevoegd te krijgen, met als doel ook voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing al verzoeken tot het doen van onderzoek bij de rechter-commissaris." Dat is een prachtige volzin, geen twijfel daarover, maar inhoudelijk is het wat mij betreft toch vooral een herformulering van de vraag in plaats van een begin van een antwoord. Daarom de vraag: kan de minister op dit punt alsnog klare wijn schenken?

Een ander complicerend aspect van de beweging naar voren is de extra druk op de rechter-commissarissen, de raadsheer-commissarissen en hun kabinetten. De minister ziet dit punt ook en gaat er in zijn beantwoording ook wel enigszins op in, maar voor de uitvoerbaarheid van deze wetsvoorstellen is meer nodig dan dat. De minister stelt: "Voor het daadwerkelijk bereiken van sommige van de genoemde doelstellingen, zoals de verkorting van doorlooptijden en de reductie van administratieve lasten, is wetswijziging alleen niet voldoende. Ook aanvullende maatregelen, flankerend beleid en bij de implementatie te maken keuzes zijn hiervoor van groot belang." Graag nodig ik de minister uit dat eens wat nader te concretiseren.

De voortvarendheid van het vooronderzoek hangt voor een groot deel samen met de versterkte regierol van de rechter, zowel de rechter-commissaris als de zittingsrechter. Over de druk op de rc's prak ik zojuist al even, maar het is mijn fractie ook nog niet goed duidelijk hoe de uitvoerbaarheid van die regierol zich verdraagt met het moment waarop voorzitter en zittingsrechters aan een zaak gekoppeld worden. Is het gevaar niet groot, zo vraag ik de minister, dat er van regievoering weinig terecht komt naarmate die koppeling van rechters en zaak later plaatsvindt? Graag een reactie op dit punt van de minister.

Een thema waarop de Nederlandse strafvordering regelmatig bekritiseerd wordt, is dat van de voorlopige hechtenis. De minister stelt dat deze kritiek op zichzelf genomen niet hoeft te leiden tot een wijziging van de wettelijke regeling, aangezien zij ziet op de toepassing ervan in de praktijk. Is de minister inderdaad van opvatting dat de kritiek alleen de uitvoering betreft en niet ook de wettelijke regeling zelf? Zo ja, waarom staan er dan toch een paar aanpassingen in de nieuwe wetgeving? Op welke wijze stimuleert de minister de verbetering van de uitvoering?

Een van de belangrijke punten van kritiek, waar het de toepassing van voorlopige hechtenis betreft, gaat over de motivering. In dat verband stelt de minister: "De waarborgen ten aanzien van de motivering van de voorlopige hechtenis, die het huidige wetboek al bevat, blijven in het nieuwe wetboek behouden." Nou, dat klinkt ronduit geruststellend, maar levert onder de streep dus geen wettelijke verbetering op. Kan de minister toelichten waarom hij die keuze maakt?

In de schriftelijke vraag is mijn fractie ingegaan op enkele van de door de Tweede Kamer aanvaarde amendementen. In de meeste gevallen heeft de minister daarop uitgebreid en goed, deels bevredigend, geantwoord, waarvoor nogmaals dank, zodat ik die punten vandaag niet opnieuw aan de orde stel. Wel leg ik graag nogmaals de vinger bij de gevolgen van het amendement op stuk nr. 35, van het Tweede Kamerlid Helder, dat de opsporingsambtenaar de mogelijkheid biedt om met toepassing van het bepaalde in artikel 1.3.15 van de verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing af te zien en de door een ander dan de opsporingsambtenaar aangehouden verdachte direct in vrijheid te stellen. Conform het artikel dat ik noemde, 1.3.15, zal de opsporingsambtenaar zijn beslissing moeten nemen "onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inachtneming van de door het College van procureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen". Gevraagd naar wat die verantwoordelijkheid van de officier van justitie dan praktisch betekent, antwoordt de minister dat de opsporingsambtenaar zich bij het uitoefenen van die bevoegdheid moet houden aan de richtlijnen van het college. Nou, dat laatste staat niet ter discussie. Sterker nog, dat komt in de wet te staan. Maar dat is geen antwoord op de vraag. Daarom leg ik die vraag, wat de verantwoordelijkheid van de officier van justitie dan praktisch betekent, nogmaals aan de minister voor.

De spanning van de aanvaarde amendementen op de stukken nrs. 14, 15 en 16 van het Tweede Kamerlid Van Nispen, over de zogenoemde plicht tot tenuitvoerlegging, blijft wat mijn fractie betreft ook na de beantwoording van onze vragen een punt van aandacht. Op dat punt wil ik niet in herhaling vallen en daarom vraag ik de minister of de werking van de gecreëerde mogelijkheden om geheel of gedeeltelijk af te zien van tenuitvoerlegging wordt meegenomen in de reeds voorziene evaluatie van de wetsvoorstellen. Graag een heldere toezegging op dat punt.

Tot slot in deze termijn wijd ik graag enkele woorden aan de combinatie van inwerkingtreding en uitvoerbaarheid. Daarvoor keer ik nog één keer terug naar het debat op 14 januari 1921 in de Eerste Kamer over de totstandkoming over het huidige Wetboek van Strafvordering. Minister van Justitie Heemskerk zei in dat debat: "Niet zonder ingenomenheid heb ik van sommigen van de geachte sprekers vernomen dat zij zouden wenschen, dat, indien dit wetsontwerp tot wet mocht worden verheven, het spoedig werd ingevoerd. Niets zal mij aangenamer zijn." Desondanks duurde het vervolgens nog vijf jaar voordat de inwerkingtreding een feit was.

Om verschillende redenen, maar met name de gereedheid en de stabiele inzetbaarheid van de nodige ICT-systemen, is mijn fractie bezorgd over de haalbaarheid van de voorgenomen inwerkingtreding op 1 april 2029. Verschillende collega's spraken er al over. De deskundigenbijeenkomst heeft deze zorg bepaald niet weggenomen. Mijn fractie wacht met spanning op het door deze Kamer gevraagde advies van het Adviescollege ICT-toetsing. Daarop vooruitlopen heeft geen zin, maar wel hoort mijn fractie graag van de minister welke scenario's hij voor ogen heeft om een voortvarende en uitvoerbare inwerkingtreding te realiseren. Op z'n Heemskerks: niets zal mij aangenamer zijn. Met belangstelling zie ik uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Marquart Scholtz van de fractie van BBB.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Marquart Scholtz i (BBB):

Dank u wel, voorzitter. Ik heet namens mijn fractie de bewindslieden en de regeringscommissaris van harte welkom in deze Kamer bij de verdediging van deze twee wetten. Het is vandaag een bijzondere dag. In januari 1926, 100 jaar geleden, trad het destijds nieuwe Wetboek van Strafvordering in werking, nadat al in 1921 de Eerste Kamer het wetsontwerp had aangenomen. En vandaag, 10 februari 2026, behandelen wij hier plenair het nieuwe Wetboek van Strafvordering, specifiek de Vaststellingswet en de Tweede Vaststellingswet, tezamen een indrukwekkend wettelijk systematisch bouwwerk, een bouwwerk waarvoor mijn fractie grote waardering heeft. Graag spreek ik allereerst de dank van mijn fractie uit aan allen die meer dan tien jaar aan dit wetboek hebben gewerkt en die deze majeure operatie, door andere sprekers al een groot werkstuk genoemd, hebben afgerond. Ook dank aan de medewerkers en medeleden van de werkgroep Voorbereiding behandeling Wetboek van Strafvordering in deze Kamer, onder de bezielende leiding van collega mevrouw Vogels.

Voorzitter. Het oude wetboek heeft ruim een eeuw lang richting gegeven aan de strafrechtpleging. Alleen al dat feit toont aan dat destijds een wetgeving tot stand is gebracht van grote klasse. Dat wetboek betekende een volledige breuk met het wetboek van 1838. Immers, het strafproces werd systematischer opgebouwd, meer geüniformeerd en duidelijker verankerd in de rechtsstatelijke uitgangspunten. Nu de tijd niet stilstaat en nieuwe ontwikkelingen zich aandienen, werd door de vele noodzakelijke deelwijzigingen het wetboek steeds minder overzichtelijk. Een voorbeeld hiervan is titel 5b, Bijzondere bevoegdheden tot opsporing van terroristische misdrijven, dat zo is uitgedijd dat we zelfs een artikel 126zga aantreffen. Zo goed als, zou je kunnen zeggen. In het begin van deze eeuw werd steeds duidelijker dat de modernisering van het wetboek onontkoombaar was, waarbij het niet ging om een fundamentele herijking van het strafproces, maar veeleer om het verrichten van achterstallig onderhoud. Het ging, kort gezegd, niet om stelselvernieuwing, maar om stelselmodernisering, aldus professor Crijns. Lag in 1921 de nadruk op het vormgeven van de moderne rechtsstaat, thans ligt de nadruk op het behoud en de uitvoering daarvan in een complexe samenleving.

Het feit dat de wetgever verantwoordelijkheid draagt om wetten niet alleen rechtvaardig maar ook begrijpelijk en uitvoerbaar te houden, klinkt door in de hoofddoelstelling van de huidige herziening, zoals onder meer blijkt uit de begeleidende brief al uit 2014 bij de contourennota van destijds, namelijk "om te komen tot een toekomstbestendig, voor professionals en burgers toegankelijk en in de praktijk werkbaar wetboek, dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen, en om daarmee te voorzien in een wetboek waarin zo veel mogelijk bevorderd wordt dat een adequate justitiële reactie kan worden gegeven op strafbaar gedrag en dat onjuiste justitiële beslissingen zo veel mogelijk worden voorkomen".

Die hoofddoelstelling maakt dat het wetboek zo belangrijk is. Het regelt de bevoegdheden van de overheid op het gebied van de opsporing, en dat zijn zeer vergaande bevoegdheden die diep in iemands leven kunnen ingrijpen. Tegelijkertijd geeft het ook regels voor diezelfde opsporing om burgers te beschermen tegen de kwaadwillende, door die op te sporen en voor de rechter te brengen. Daarmee raakt het aan de kern van gerechtigheid, de bescherming van de slachtoffers en de waarborging van de rechtsstaat.

Voorzitter. In de vierde klas van mijn gymnasium behandelde mijn onvergetelijke leraar Nederlands dr. Zwaan de gedichten van Willem de Mérode. Nog altijd zijn mij de eerste twee regels van een van zijn kwatrijnen bijgebleven:

Bewaar mij voor de waanzin van het recht,

De sluwe waarheid van de letterknecht.

Dat zijn bittere woorden, die De Mérode dichtte nadat er groot onheil in zijn leven was gekomen: hij was in 1924 als onderwijzer veroordeeld voor handelen in strijd met het toen geldende artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht. Dat was, zoals u weet, ontucht tussen een meerderjarige en een minderjarige van 16 tot 29 jaar van hetzelfde geslacht, het wetje-Regout.

Tijdens mijn rechtenstudie heb ik vaak aan die woorden gedacht, en vooral aan het woord "letterknecht". Dat is iemand die in vergaande mate vasthoudt aan regels, een scherpslijper dus. Regels zijn juist gecodificeerd in wetboeken waarin het formele recht is neergelegd, zoals het Wetboek van Strafvordering. De Mérode zou trouwens vooral hebben gedoeld op de toepassing van 248bis en niet zozeer op de formele kant van de zaak. Is het dan ook scherpslijperij als een jurist zich in de praktijk laat leiden door al die strikte voorschriften en regels uit het wetboek? Geenszins. Al snel werd mij tijdens de bestudering van het strafprocesrecht duidelijk dat juist dat verfijnde stelsel van regels en procesvoorschriften niet knecht, maar waarborg is voor vrijheid en een bescherming tegen willekeur. Zonder heldere procesregels is er immers sprake van chaos en willekeur en is er geen recht.

"Het nieuwe wetboek is belangrijk en noodzakelijk, maar de implementatie mag niet worden onderschat", aldus ook het positionpaper van het Openbaar Ministerie, overgelegd aan de commissie voor Justitie en Veiligheid van deze Kamer op 23 september 2025 ter gelegenheid van de deskundigenbijeenkomst. Over die implementatie leven bij mijn fractie grote zorgen. Het wetboek introduceert namelijk andere manieren van werken, met een grote nadruk op een digitale wijze van werken. Het vergt van het Openbaar Ministerie, en uiteraard ook van de hele strafrechtsketen, een ingrijpende herziening van werkprocessen en ICT-systemen om dat te kunnen uitvoeren.

Dat is een enorme opgave, niet alleen voor de hele strafrechtsketen, maar vanwege de centrale positie daarbinnen vooral ook voor het Openbaar Ministerie. Het raakt het OM tot in de haarvaten en is van invloed op al zijn werkprocessen. Naast de noodzaak om een compleet en passend opleidingsaanbod te maken voor bijna 70% van alle OM-medewerkers, is de vernieuwde ICT conditio sine qua non. Die ICT is verouderd en niet toekomstbestendig. De leden van mijn fractie hebben in de schriftelijke inbreng in het bijzonder op dit punt vragen gesteld, aangezien ze er niet op gerust zijn dat vlekkeloze invoering op ICT-gebied geborgd is. Die vrees is aangewakkerd door het grote veiligheidsincident van vorige zomer, waardoor het werk van het OM vrijwel onmogelijk werd, en door het feit dat nog steeds storingen optreden. Daarbij komt nog de groeiende frustratie van de medewerkers van het OM zelf, die blijkt uit het verzenden van een brandbrief aan het College van procureurs-generaal in november '25. Daarbovenop komt dan nog de discussie over digitale onafhankelijkheid of kwetsbaarheid van de nieuwe ICT-infrastructuur in wording.

Ik wijs in dit verband ook nog op de recente briefwisseling tussen de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het College van procureurs-generaal in die maand, november '25. De NVvR wijst op de snel toenemende onvrede en onrust bij de OM-achterban, onder andere veroorzaakt door ICT-problemen, en vreest dat de loyaliteit van medewerkers aan de organisatie niet langer als vanzelfsprekend kan worden beschouwd. Dat is nogal wat.

Ook de aangekondigde bezuinigingen op de OM-organisatie van 4,5% tot 5,5% acht mijn fractie zorgwekkend. Onlangs, op 13 januari, verscheen in de Volkskrant een interview met procureur-generaal Otte, waarin hij stelt dat hij graag zou willen dat het nieuwe kabinet scherpe keuzes maakt: "Want het kan niet langer zo. Zolang onze ICT-basis niet op orde is, kan het OM nieuw beleid en nieuwe wetgeving niet verwerken." Onlangs deed hij dat nog eens dunnetjes over op LinkedIn. Hij acht 80 miljoen euro structureel op jaarbasis nodig. Welnu, er is nog geen nieuw kabinet; nog net niet. Desondanks wil ik namens mijn fractie de regering dringend vragen om gehoor te geven aan deze noodkreet van het Openbaar Ministerie en met spoed extra budget ter beschikking te stellen voor modernisering van de ICT van het OM.

Daartoe vraag ik twee toezeggingen van de regering. Kan de regering toezeggen om nu al, zonder het door de Kamer verzochte advies van het Adviescollege ICT-toetsing af te wachten, alle door het OM op het gebied van ICT noodzakelijk geachte maatregelen te willen nemen? Wil de regering afzien van het toepassen van bezuinigingen op de OM-organisatie in 2026 en daaropvolgende jaren? Dekking hiervoor kan in de Voorjaarsnota bijvoorbeeld gevonden worden door niet 4 miljard subsidie de zee op te jagen naar windturbines, maar enkele tientallen miljoenen minder.

Voorzitter. Een tweede punt is het volgende. Zowel de Raad voor de rechtspraak als de korpsleiding van de politie pleiten in hun respectievelijke position papers, overgelegd op 23 september, voor een beleidsluwe periode — weer een bijzonder woord, maar goed — in de aanloop naar en rond de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Dat zijn dus de komende drie jaren. Op dit moment zijn op het gebied van Justitie bij deze Kamer tien wetsvoorstellen in behandeling, waaronder drie initiatiefwetsvoorstellen. Gereed voor plenaire behandeling door deze Kamer zijn zes wetsvoorstellen, met inbegrip van de wetsvoorstellen van vandaag. Nog in behandeling bij de Tweede Kamer zijn 34 wetsvoorstellen, waarvan 16 initiatiefwetsvoorstellen. Ik kan er een of twee hebben gemist, maar van "beleidsluw" is geen sprake. Natuurlijk hebben niet alle tot wet te verheffen wetsvoorstellen dezelfde invloed op het opsporings- en vervolgingsbeleid, maar toename van de werklast voor de rechterlijke macht en politie zal hier zeker het gevolg van zijn en zal zeker effect hebben op de beschikbaarheid of bruikbaarheid van ICT-systemen. Het zou daarom in de lijn van de wens van de rechtspraak en politie liggen als zowel het ministerie als de leden van de Tweede Kamer niet alleen bereid waren tot een beleidsluwe periode, maar ook tot een beleidssluwe periode. Mijn fractie ondersteunt deze wens en verzoekt de regering hieraan gevolg te geven. Is de minister het met ons eens en kan hij in dit in zijn overdracht aan zijn opvolger benadrukken?

Voorzitter. Ik kom tot een derde punt. Het nieuwe wetboek kent in Boek 7 de regels omtrent de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Dat is een probleem op het ogenblik. Vonnissen worden niet compleet ten uitvoer gelegd. Veroordeelden komen zelfs twee weken eerder los. Er is een wachtlijst van 3.300 zelfmelders, die in totaal nog 584 detentiejaren moeten uitzitten. Sinds 2012 zijn 26 gevangenissen gesloten. Personeel is naar huis gegaan. Nu rechterlijke vonnissen niet volledig kunnen worden uitgevoerd en bepaalde gedetineerden dus eerder vrijkomen, kan naar mijn oordeel en dat van mijn fractie gesproken worden van een crisis in het gevangeniswezen. Dan spreek ik nog niet over de tbs'ers. Tbs'ers krijgen te horen: er zijn nog 270 wachtenden voor u. Kan de regering toezeggen dat met voortvarendheid zal worden gewerkt aan het oplossen van deze crisis door versneld gevangenissen te renoveren, gesloten inrichtingen zo mogelijk weer in bedrijf te brengen en door een ambitieus wervings- en aannamebeleid te voeren ten aanzien van penitentiair inrichtingswerkers? Welke maatregelen kan de Kamer op korte termijn van de regering verwachten op dit vlak?

Voorzitter, ik kom tot een afronding. Op 14 januari, zoals collega Talsma ook al zei, van het jaar 1921 werd het wetsontwerp Vaststelling van een Wetboek van Strafvordering zonder hoofdelijke stemming aangenomen, en het trad vijf jaar later in werking. Namens de regering trad op die 14de januari minister Heemskerk aan. De Handelingen van de Eerste Kamer van die 14de januari geven het antwoord van de minister op de vragen van de senatoren weer. Hij gaat daarbij onder andere in op het nieuwe artikel 29, waarin de verplichting tot het geven van de cautie is vermeld. Tevoren had hij met SDAP-senator Mendels van gedachten gewisseld over de inquisitoire aard van het strafproces. Om te illustreren dat enerzijds evenals toen van een belangrijke herziening van het wetboek sprake is en anderzijds dat de tijdgeest veranderd is, en niet zo zuinig ook, en om nog even aan te tonen dat niet elk woord in deze Kamer gesproken van een diepe ernst getuigt, veroorloof ik mij enkele regels uit die Handelingen voor te lezen. Ik ga dan verder waar collega Talsma gebleven is. De minister zegt dan over artikel 29: "In Engeland is het de gewoonte, dat, als iemand verdacht is, men tot hem zegt: alles wat gij zegt, kan tegen u worden uitgelegd. Dat is niet de formule, welke hier wordt voorgeschreven; alleen kan eenvoudig op gepasten, objectieven, kalmen toon gezegd worden: ik herinner u er aan, dat ge niet verplicht zijt tot antwoorden. Dan moet de verdachte het zelf maar weten." … "Indien hij een serieuze verdediging heeft, zal hij in verreweg de meeste gevallen wel degelijk antwoorden." Dan interrumpeert de heer Mendels: "Vooral als de beklaagde een vrouw is; vrouwen antwoorden altijd." De minister vervolgt dan droogjes: "Ik heb eens als plaatsvervangend kantonrechter een vrouw voor mij gehad, die beschuldigd werd, dat zij op een verboden uur matten had uitgeklopt tegen het politiebureau. Zij begon met het te ontkennen, maar toen de agent van politie als getuige verscheen en het proces-verbaal bevestigde, zeide zij: als ik het gedaan heb, heb ik het niet tegen het politiebureau gedaan. Ik heb die vrouw toen een gulden boete opgelegd; ik meende, dat zij het wel gedaan had."

Matten kloppen, voorzitter. Dat was pas een vervolgenswaardig feit. Het geeft haarfijn aan hoe in een eeuw niet alleen de maatschappij is veranderd, maar ook het crimineel handelen veranderd en verhard is. Reden om een wetboek van 100 jaar oud weer bij de tijd te brengen. Dat is met deze grote wetswijziging met succes geschied. Daarom zal ik mijn fractie aanraden voor het aannemen van deze voorstellen te stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Vogels van de fractie van de VVD.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Vogels i (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Alvorens in te gaan op de inhoud van de voorliggende wetsvoorstellen wil ik namens mijn fractie dank en waardering uitspreken voor de zorgvuldigheid waarmee dit omvangrijke wetgevingsproject ter hand is genomen en is doorlopen. Vanaf de eerste contourennota in 2015 tot en met de behandeling in de beide Kamers der Staten-Generaal is zichtbaar met toewijding, openheid en vakmanschap gewerkt en samengewerkt door en met het ministerie, de wetenschap, de rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de nationale politie, de advocatuur, kortom, alle ketenpartners in de strafrechtspleging en vele andere bij de strafrechtspraktijk betrokken organisaties. De vele gevraagde en ongevraagde adviezen, soms kritische, zijn niet terzijde geschoven, maar zichtbaar verwerkt, ook die van de Raad van State. Dat waardeert mijn fractie zeer. Wetgeving die op deze wijze tot stand komt, kan bogen op een zeer breed draagvlak en getuigt van institutionele volwassenheid in onze democratische rechtsstaat.

Ook de Tweede Kamer heeft haar rol met grote ernst vervuld met de aanstelling van rapporteurs, intensieve ondersteuning vanuit de wetenschap en uitgebreide wetgevingsoverleggen. Persoonlijk heb ik genoten van die wetgevingsoverleggen: bewindslieden en collega-parlementariërs van verschillende politieke partijen in gesprek om de rechtsstaat te versterken, idealen te verwezenlijken en tegelijkertijd luisterend naar elkaar, de uitvoeringspraktijk in ogenschouw nemend, bereid om compromissen te sluiten en niet zomaar het gesprek, maar wat ik noem, het goede gesprek, ook met de regeringscommissaris. En dat omdat wetgeving aan de orde was die raakt aan de fundamenten van onze rechtsstaat.

Mevrouw de voorzitter. Ik hecht er ook aan om nog even stil te staan bij de samenwerking in dit huis. Ook deze Kamer heeft zich tijdig en zorgvuldig voorbereid. Zo werd al in december 2023, ruim anderhalf jaar voordat de voorliggende wetsvoorstellen in de Tweede Kamer werden aangenomen, een voorbereidingswerkgroep ingesteld met een brede afspiegeling van partijen. Ik dank de collega's Dittrich van D66, Doornhof van het CDA, Marquart Scholtz van de BBB, Recourt van GroenLinks-PvdA en Talsma van de ChristenUnie voor de samenwerking in deze werkgroep én voor hun toewijding, vakinhoudelijke denkkracht en visie. Ik ben onze griffie erkentelijk voor de professionele ondersteuning. Het is voor mij en mijn fractie een voorrecht geweest om samen met u, zo spreek ik via de voorzitter, het voortouw te hebben mogen nemen in de adviezen aan de vaste Kamercommissie van Justitie en Veiligheid.

We hebben samengewerkt vanuit het perspectief hoe we de rol van de Eerste Kamer goed tot zijn recht konden laten komen. We benadrukten en spraken naar elkaar uit dat we vooral niet het werk van de Tweede Kamer over wilden doen, maar een Eerste Kamer wilden zijn die, als chambre de réflexion, wetsvoorstellen toetst op hun kwaliteit vanuit het oogpunt van rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Met de vele technische briefings, colleges en deskundigenbijeenkomsten heeft de Eerste Kamer die klassieke rol van chambre de réflexion zichtbaar waargemaakt. Er volgden zelfs werkafspraken voor de schriftelijke behandeling: focus op implementatie en uitvoering. Met die focus, zoals we als VVD-fractie gewoon zijn, konden we heel goed uit de voeten. We zijn nog niet klaar.

Mevrouw de voorzitter. Vanuit de samenleving is de afgelopen jaren vaak de vraag aan de orde geweest of in Den Haag nog wel wordt samengewerkt; samenwerken in de Staten-Generaal, in de beide Kamers, dwars door alle partijen heen. Zo-even schetste ik hoe dat eruitziet en -zag. Wij kunnen het wel. Dit wetgevingsproject is daarvan in mijn ogen het levende bewijs.

Voorzitter. Ik begon met het uitspreken van dank en waardering voor de zorgvuldige aanpak en behandeling van dit omvangrijke wetgevingsproject. Ter afronding van dit punt: die zorgvuldigheid vormt — over rechtmatigheid gesproken — een wezenlijk onderdeel van de legitimiteit van de voorliggende wetsvoorstellen.

Dan naar de inhoud van die wetsvoorstellen, want na 100 jaar is het weleens tijd. Het huidige Wetboek van Strafvordering, dat op 1 januari 1925 in werking trad, dient de Nederlandse rechtsstaat nu ruim een eeuw, maar het draagt onmiskenbaar de sporen van een samenleving die ingrijpend is veranderd, nationaal en internationaal, technologisch en maatschappelijk. Niet alleen is de aard van de criminaliteit in 100 jaar veranderd, ook zijn de strafrechtelijke sancties veranderd die kunnen worden opgelegd. Door nieuwe technieken ontstonden nieuwe opsporingsbevoegdheden, die ook weer hun weerslag hebben op de afdoening van strafzaken. Bovendien kijken we heden ten dage anders naar de rolverdeling tussen de strafvorderlijke actoren: de rechter, de verdachte, de officier van justitie, het slachtoffer. Als medewetgever hebben we die ontwikkelingen zo goed en zo kwaad als het ging bijgehouden, maar door de vele en vaak onvermijdelijke wijzigingen is het wetboek in de loop der jaren onoverzichtelijk en minder toegankelijk geworden. Met de behandeling van deze eerste twee wetsvoorstellen uit de reeks die dan tezamen dat nieuwe Wetboek van Strafvordering zullen vormen, staan wij dan ook aan het begin van een ingrijpende, maar ook in de ogen van mijn fractie noodzakelijke modernisering van het strafprocesrecht. Voor de VVD wegen handhaving en uitvoering daarbij zwaar. Ik kom daar zo op terug.

De VVD-fractie omarmt de doelen van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Het is een overzichtelijk wetboek, dat het geldende recht weerspiegelt, toegankelijk is voor burgers en professionals en duidelijke regelingen kent rondom de rechtspositie van verdachten en slachtoffers, waarin opsporingsbehoeften zijn vereenvoudigd en geactualiseerd en waarmee het digitale strafproces wordt gefaciliteerd. Het draagt bij aan een voortvarende procesgang. Behoudens de rechtszekerheid zijn dat voor ons als liberalen op zich geen ideologische keuzes, maar praktische randvoorwaarden voor een strafrechtspleging die haar legitimiteit behoudt in de eenentwintigste eeuw. Ziet de regering dat ook zo?

Naast codificatie van jurisprudentie en herstructurering waardeert mijn fractie overigens ook de processuele vernieuwingen, zoals de beweging naar voren, waarbij strafrechtelijk onderzoek zo veel mogelijk voor de terechtzitting wordt afgerond. Er is hierbij sprake van meer regie voor de voorzitter en de rechter-commissaris, toegang tot het digitale procesdossier voor de verdachte, afdoening van hogerberoepszaken door één rechter en invoering van het grievenstelsel in dat hoger beroep, zeg ik als civilist. Zo zijn er nog wel meer punten. Het betreft een eerlijk en voortvarend proces, zoals we dat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens hebben afgesproken.

Het nieuwe Wetboek van Strafvordering heeft dan ook grote implicaties voor de uitvoering. De voorstellen raken alle organisaties die betrokken zijn bij de opsporing van strafbare feiten, de terechtzitting en de tenuitvoerlegging van straffen. Daarover heeft mijn fractie nog wel wat zorgen. Een van de belangrijkste voorwaarden voor een succesvolle implementatie van het nieuwe wetboek bij alle ketenpartners betreft allereerst de ICT-voorzieningen. Die moeten op orde zijn. Ten tweede denk ik aan voldoende capaciteit. De VVD-fractie heeft daarom in de schriftelijke voorbereiding bijzondere aandacht gevraagd voor de implementatie, de personele capaciteit en de digitale infrastructuur bij de ketenpartners. Dit hebben we niet gedaan omdat wij twijfelden aan de richting van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, maar juist omdat we haar willen laten slagen. Ik dank de bewindslieden voor de uitvoerige beantwoording.

Over de door de ketenpartners gevraagde beleidsluwe periode rondom de datum van inwerkingtreding was de regering niet heel expliciet in de beantwoording van de vragen van diverse partijen, waaronder de VVD. Er werd enkel aangegeven dat er begrip is voor de zorgen bij de ketenpartners. Daarom stel ik de volgende vraag: kan de regering daar nog eens op reflecteren?

De regering heeft in nauwe afstemming met de nationale politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak gekozen voor een implementatieperiode van drie jaar en een beoogde datum van inwerkingtreding van 1 april 2029. Dat was al eens een uitstel van drie jaar. Tijdens de laatste deskundigenbijeenkomst in dit huis is bevestigd dat de betrokken organisaties zich richten op gereedheid per 1 april 2028, zodat er nog ruim de tijd is om te testen, zij het dat het Openbaar Ministerie een slag om de arm hield. Wij herinneren ons bovendien de hack van afgelopen zomer, die de organisatie nog maar net te boven is. De regering heeft weliswaar daarna schriftelijk geantwoord dat voldoende middelen beschikbaar zijn, maar daarmee zijn niet alle zorgen van mijn fractie weggenomen. Dit zeg ik ook vanwege recente geluiden vanuit het OM in de media. Collega Marquart Scholtz verwees er al naar. Graag verneemt mijn fractie dan ook de laatste stand van zaken hierover, in het bijzonder bij het Openbaar Ministerie. Kan de regering ook toezeggen dat ze alles in het werk zal stellen om ervoor te zorgen dat het Openbaar Ministerie op 1 april 2028 ook gereed is? Hoe is zij voornemens dat te doen?

De voorzitter:

Er is een interruptie van de heer Nicolaï.

Mevrouw Vogels (VVD):

Ik wilde nog zeggen: ik hoorde van andere collega's ook al vergelijkbare vragen.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Er is al een vergelijking gemaakt met de invoering van de Omgevingswet, waarvan we in feite hadden kunnen leren. Zegt mevrouw Vogels nou dat als de ICT, de capaciteit en de financiering niet op orde zijn, wij als Eerste Kamer, die naar de uitvoerbaarheid van een wet moet kijken, eigenlijk klem zitten? Begrijp ik het betoog van mevrouw Vogels zo goed?

Mevrouw Vogels (VVD):

Dank voor de nadere vraag van de heer Nicolaï. Ik zie ons als Eerste Kamer nog niet klem zitten, niet in de laatste plaats omdat wij, met het oog op die uitvoering en de gefaseerde invoering van de verschillende wetsvoorstellen die nu en te zijner tijd voorliggen, ook nog advies hebben gevraagd aan het Adviescollege ICT-toetsing. Ik verwacht daarom dat we met die informatie te zijner tijd goed geïnformeerd zijn en hier goede besluiten kunnen nemen.

De heer Nicolaï (PvdD):

Mag ik daaruit afleiden dat de VVD zal concluderen dat invoering in feite niet zinvol is op het moment dat uit de adviezen van die ICT-commissie blijkt dat er onoverkomelijke problemen zijn?

Mevrouw Vogels (VVD):

Nogmaals, ik zie op dit moment geen enkele aanwijzing dat er sprake is van klem zitten of dat de uitvoerbaarheid op de voorgenomen termijn niet mogelijk is. Maar daarom ook mijn vraag aan de regering om te bevestigen dat dit inderdaad nog haalbaar is. Komt tijd, komt raad, ook wat betreft de uitvoering en de precieze datum van invoering.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Vogels (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Over de tenuitvoerlegging van straffen is ook het nodige te doen geweest in de bijna afgelopen kabinetsperiode. De tekorten in ons gevangeniswezen zijn bekend. De VVD hecht eraan dat door de rechter opgelegde straffen onverkort worden uitgevoerd, zeker met de invoering van dit nieuwe wetboek, dat doorlooptijden beoogt te verkorten. Hoe lost de regering dat op? Hoe voorkomt de regering nieuwe knelpunten in de uitvoering? Mijn fractie ziet in ieder geval bemoedigende passages daarover op bladzijde 12 van het coalitieakkoord.

Ten slotte, voorzitter. Voor mijn fractie is deze modernisering niet alleen een technisch-juridische exercitie, maar ook een investering in het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat. Strafvordering grijpt diep in in het leven van mensen, of ze nou verdachte, slachtoffer of nabestaande zijn. Juist daarom moet het Wetboek van Strafvordering toegankelijk en duidelijk zijn en moet het de rechtsposities van verdachte en slachtoffer goed borgen. Verder ziet mijn fractie dat deze wetsvoorstellen het resultaat zijn van een zeer zorgvuldig proces, gedragen door de praktijk, de wetenschap en de instituties van onze rechtsstaat, van inhoudelijk hoge kwaliteit en met oog voor de uitvoerbaarheid. Wij zien dit wetsvoorstel dan ook als een noodzakelijke en verantwoorde stap in de modernisering van het strafprocesrecht. Deelt de regering deze visie? De ketenpartners drukken ons sinds de aanvang van de behandeling in deze Kamer op het hart: wij willen met de voorliggende wetsvoorstellen aan de slag. Waarvan akte.

Voorzitter. Mijn fractie ziet met vertrouwen uit naar het verdere debat, de reactie van de regeringszijde en de vervolgstappen in dit omvangrijke wetgevingsproject.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk i (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Er is een oud verhaal over een wijze koning bij wie twee vrouwen verhaal kwamen halen. Ze hadden allebei een kindje gekregen, maar toen een van de moeders in de nacht merkte dat haar kind was gestorven, ruilde ze het stiekem om voor het levende kind van de ander. De volgende morgen merkte de andere moeder meteen dat het dode kind niet van haar was. Ze wilde dat er rechtgesproken werd. Zo kwamen ze bij de koning. Hoe kon hij erachter komen van wie het levende kind was? Hoe kon deze koning rechtspreken? De goede luisteraar herkent natuurlijk de geschiedenis van de wijze koning Salomo. Zijn oplossing leek hard, maar was briljant: snijd het levende kind in tweeën en geef beide moeders de helft. De onechte moeder vond dat goed, maar de echte moeder smeekte de koning om het kind in leven te laten en het dan maar aan de andere moeder te geven. Welnu, stel dat de koning zijn oplossing had uitgevoerd, dan was de misdadiger goed weggekomen, maar was het slachtoffer, de echte moeder, dubbel onrecht aangedaan.

Mevrouw de voorzitter. Daarmee hebben we het belang van de herziening van het Wetboek van Strafvordering te pakken, wat mij betreft. Er moet recht gedaan worden. Dat is van cruciaal belang, zowel voor de daders als voor de slachtoffers. Wat is het daarom een zegen om te mogen wonen in een rechtsstaat, in een land waarin woorden als "recht", "rechtmatigheid", "rechtvaardigheid" en "gerechtigheid" geen loze woorden zijn en die het recht op orde probeert te houden, in dit geval met de herziening van het Wetboek van Strafvordering. Dat is een enorme klus, dus ik heb veel respect voor allen die daaraan hun steentje hebben bijgedragen; ze zijn allemaal al genoemd vandaag. Daarbij denk ik natuurlijk ook aan onze collega's die in de voorbereidingsgroep hebben gewerkt onder de bezielende leiding van mevrouw Vogels, die zojuist heeft verteld dat ze het een voorrecht achtte. Veel dank, in ieder geval.

Mevrouw de voorzitter. Terug naar recht en gerechtigheid. In het recht draait het natuurlijk om de juiste toepassing van wetten en regels. Het woord "gerechtigheid" gaat eigenlijk dieper. Dan zijn we aangekomen bij een overkoepelend denken over het waarborgen van de rechtsstaat. Als dat wordt toegepast op het strafrechtproces, dan komen we uit bij de doelstellingen van de rechtsstaat ten opzichte van het strafrechtproces. Dat strafrechtproces blijft uiteraard gericht op het bestraffen van degenen die de strafwet hebben overtreden. Er is steeds meer nadruk komen te liggen op het belang van de rechten en vrijheden van de dader. Maar niet minder is dat nodig voor slachtoffers: ook de slachtoffers, of juist de slachtoffers, hebben recht op bescherming, recht op heldere procedures en recht op voortvarende afhandeling van het strafproces.

Mevrouw de voorzitter. De hele samenleving is voortdurend in ontwikkeling en helaas ontwikkelt zich tegelijkertijd de criminele onderwereld, die zich overigens door ondermijning steeds meer mengt met de bovenwereld. Bovendien is Nederland, zeker op het terrein van georganiseerde misdaad, geen eiland, maar helaas op sommige terreinen bijna een soort zenuwcentrum. Denk daarbij aan de drugscriminaliteit. Nederland staat daarbij zeker niet gunstig op de wereldkaart. En om niet meer te noemen: technische ontwikkelingen hebben ook invloed op opsporingsbevoegdheden en op de afdoening van strafzaken in het kader van digitalisering.

Kortom, het is heel goed dat het voorliggende Wetboek van Strafvordering het resultaat is van een grondige herstructurering van dat wetboek. Dat is positief voor de rechtszekerheid en voor een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen, alles vastgelegd in een wetboek dat bestaat uit acht inhoudelijke boeken en een negende boek met slotbepalingen.

Mevrouw de voorzitter. Een paar aandachtspunten en vragen. Het strafproces wordt in de kern digitaal, met digitale dossiers en elektronische communicatie, alles gericht op snelheid en volledigheid voor alle betrokkenen. Hoeveel aandacht is daarbij gegeven aan digibeten en aan laaggeletterden? Hoe kunnen zij voldoende meekomen?

Dat brengt me nog op een ander punt, namelijk van de zogenaamde begrijpelijkheid. Dat hangt natuurlijk samen met de wijziging van het proces dat van inquisitoir naar meer contradictoir verandert, oftewel: het tegensprekelijk karakter is vergroot. Dat biedt de verdachte en zijn raadsman meer mogelijkheden om zelf te komen met bewijs et cetera, maar het heeft ook consequenties voor de motivering van beslissingen. Voortaan geldt de eis dat deze beslissingen zijn gemotiveerd, voor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen noodzakelijk is. Wat betekent dat nu eigenlijk precies? "Begrijpelijkheid" ziet uiteraard op de context van de standpunten, maar hoe wordt dit geborgd voor de taal en voor de manier van informatievoorziening? Horen die ook onder "begrijpelijkheid"? Wat zijn dan de criteria waaraan die begrijpelijkheid wordt getoetst?

In dit kader heb ik nog een vraag. Het tegensprekelijke karakter verruimt namelijk de mogelijkheden voor de verdachte, hetgeen natuurlijk meer werk betekent voor de verdediging van de verdachte. Maakt dat de procesvoering niet alleen extra lastig, maar ook langduriger? Wat betekent dat dus voor de werkdruk van de rechtsbijstandverlener? Anderzijds kan een slachtoffer het idee krijgen dat de verdachte op alle mogelijke manieren in staat wordt gesteld om zich vrij te pleiten. Is onderzocht of door de verruimde mogelijkheden het vertrouwen van slachtoffers in het proces van strafvordering geschaad wordt?

Het nieuwe wetboek gaat, anders dan het huidige, niet uit van één procesmodel. Naast de buitengerechtelijke afdoening via het opleggen van strafbeschikkingen wordt ook, duidelijker dan nu, de berechting door enkelvoudige kamers, naast de berechting door de meervoudige kamer, als een afzonderlijk spoor onderscheiden. We krijgen te maken met strafbeschikkingen door het OM, behandeling van de zaak door een enkelvoudige kamer of een meervoudige kamer, behandeling door de kantonrechter en behandeling door de politierechter. Draagt deze verscheidenheid aan procedures bij aan de efficiëntie en transparantie van de strafrechtspleging? Wat doet dit alles met het vertrouwen dat de samenleving heeft in die strafrechtspleging?

Mevrouw de voorzitter. Sommige schokkende misdrijven kunnen worden afgedaan middels de strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie, voor overtredingen en misdrijven met een maximale gevangenisstraf van zes jaar, de zogenaamde wanbedrijven. Hieronder vallen echter ook gewelds- en zedendelicten, zoals mishandeling of verkrachting. Dat zijn eigenlijk schokkende misdrijven waarvan het wenselijk is dat er een openbare terechtzitting plaatsvindt, waarbij oog is voor de vergelding namens het slachtoffer. Volgens de leden van de SGP-fractie volstaat het niet om middels een strafbeschikking de procedure aan de openbaarheid te onttrekken bij misdrijven met een grote maatschappelijke of persoonlijke impact. De vraag is dus welke overwegingen eraan ten grondslag liggen om alle overtredingen en wanbedrijven open te stellen voor de strafbeschikking. Is het niet wenselijker om bij misdrijven met een grote maatschappelijke of persoonlijke impact een openbare rechterlijke procedure te doorlopen? Welke rechten hebben de slachtoffers om ervoor te kiezen om gewoon de procedure via de rechter te doorlopen?

Mevrouw de voorzitter. Met deze herziening van het Wetboek van Strafvordering krijgen we een toekomstbestendig en evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen, dat een solide basis vormt om tot een gerechtvaardigd oordeel te komen, wetend dat daarbij wijsheid noodzakelijk is en dat een complexe zaak soms om een salomonsoordeel vraagt. Ik zie uit naar de antwoorden van de bewindslieden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van Rooijen van de fractie van 50PLUS.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Voorzitter. Ik heet de minister en de staatssecretaris en ook de regeringscommissaris welkom. Hadden we ook maar een regeringscommissaris voor de belastinghervorming, maar dat zal nog wel een paar eeuwen duren.

Voor mijn fractie staat het buiten kijf dat deze modernisering van het strafprocesrecht een noodzakelijke is, die veel beter aansluit bij actuele juridische en maatschappelijke eisen. Na een jarenlange gedegen voorbereiding, waarbij veel samenspraak is geweest met tal van organisaties op het gebied van strafrechtpleging, liggen er nu twee wetsvoorstellen voor, die naar het zich laat aanzien een breed draagvlak hebben.

De uitgebreide behandeling van de wetsvoorstellen in de Tweede Kamer, de deskundigenbijeenkomst en de schriftelijke ronde in de Eerste Kamer, vastgelegd in de nota naar aanleiding van het verslag, waarbij al veel vragen zijn gesteld en beantwoord, zorgen ervoor dat mijn fractie zich beperkt tot het stellen van slechts enkele vragen.

In het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt het bewijscriterium van de rechterlijke overtuiging vervangen door het criterium dat de rechter het bewijs slechts kan aannemen als buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het feit heeft begaan. Volgens de memorie van toelichting zorgt deze wijziging ervoor dat het objectieve karakter van de bewijsstandaard beter tot uitdrukking komt. In het huidige recht bestaat er al een grote mate van consensus over dat de rechter slechts tot een bewezenverklaring mag komen indien buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Daarnaast blijft gewaarborgd dat de rechter niet verplicht is om tegen zijn overtuiging in een bewezenverklaring uit te spreken. Het gaat dan om gevallen waarin de rechter, ondanks het feit dat de bewijsmiddelen volgens de objectieve bewijsstandaard een bewezenverklaring kunnen dragen, toch niet overtuigd is van de schuld van de verdachte. De rechter is onder het huidige recht dan niet gehouden om tot een bewezenverklaring te komen. Dan volgt er vrijspraak. Hier verandert niets aan in het nieuwe artikel 4.3.7, lid 3, Strafvordering.

Mijn fractie hecht eraan te benadrukken dat deze persoonlijke, individuele afweging en overtuiging van een rechter bij het vaststellen van een vonnis overeind moet blijven. Maar juist uitspraken die afwijken van die waarbij je met toetsing aan objectieve bewijsmaatstaven wel tot een bewezenverklaring komt, leiden vaak — minstens soms — tot veel onbegrip en verwarring in de samenleving. Is de minister het met de 50PLUS-fractie eens dat persoonlijke en individuele afwegingen van een rechter en diens overtuiging ook het risico met zich brengen dat een zekere mate van rechtsongelijkheid kan ontstaan? Hoe kan dit in het strafrecht worden voorkomen? Graag een toelichting van de minister: aan welke voorwaarden moet de motivering van een vonnis voldoen indien de rechter tot een andere conclusie komt dan de conclusie gebaseerd op toetsing aan objectieve bewijsmaatstaven?

Voorzitter. Mijn fractie heeft met belangstelling de vragen en beantwoording over de schriftuur met grieven gelezen. In het belang van versnelde doorlooptijden wordt de vrijblijvendheid van een procespartij om in hoger beroep te gaan, beperkter. Een officier van justitie wordt verplicht om een schriftuur met grieven in te dienen bij het instellen van een hoger beroep. De verdachte die in hoger beroep gaat, heeft deze verplichting echter niet. Tijdens de terechtzitting kan de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis nog mondeling toelichten; artikel 5.4.18. Al eerder vroeg de BBB-fractie waarom dezelfde verplichting voor indiening van een schriftuur met grieven niet geldt voor de verdachte. Het antwoord luidde dat de wetgever van oordeel is dat deze eis voor de verdachte te ver zou voeren, zeker voor een verdachte die zich niet juridisch laat bijstaan. Mijn fractie heeft begrip voor die laatste casus. Maar het afzien van juridische bijstand kan een eigen keuze zijn van de verdachte. Om een indruk te krijgen van om hoeveel gevallen dit gaat, hoort mijn fractie graag van de minister een getal of een percentage: de gevallen waarin een verdachte in hoger beroep niet is voorzien van rechtsbijstand.

De overgrote meerderheid van verdachten procedeert wel degelijk met rechtsbijstand, en van advocaten als professionals mag verwacht worden dat zij hun bezwaren tijdig kenbaar kunnen maken. Juist dat tijdig kenbaar maken van bezwaren tegen onderdelen van een rechterlijke uitspraak, zowel van de kant van het OM als van die van de verdachte, zou kunnen leiden tot een efficiëntere en betere procesplanning. Dit blijkt wel uit het gegeven antwoord: "Ook het zo snel mogelijk bekend worden van onderzoekwensen van de verdachte is van belang ter voorbereiding van de behandeling in hoger beroep, en de schriftuur kan daartoe een middel zijn."

De verdachte heeft echter onverkort het recht om pas op de terechtzitting mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis te uiten; artikel 5.4.18. Zoals hiervoor gezegd kan de verdachte eerst tijdens de terechtzitting in hoger beroep zijn bezwaren dan wel eventuele onderzoekwensen kenbaar maken. Is de minister het met onze fractie eens dat dit gevolgen heeft voor de doorlooptijd van het proces als geheel? Dit leidt toch wederom tot vertragingen en extra inspanning voor de toch al overbelaste rechterlijke macht? Graag een antwoord van de minister.

Dan blijkt uit de beantwoording dat een strikt grievenstelsel, waarbij de appelrechter zich alleen over ingediende bezwaren buigt, niet wenselijk is. Zowel de verdachte als de advocaat-generaal kunnen nog andere zaken aan de orde stellen dan in de schriftuur is vermeld. Maar dan rijst bij onze fractie de vraag waarom zo'n schriftuurverplichting dan überhaupt is opgenomen nu daarvan toch weer kan worden afgeweken. De rechter is immers niet gebonden aan de door de procespartijen ingenomen standpunten en beantwoordt zelfstandig de relevante vragen van het rechterlijk beslismodel. Waarin zit hem dan de meerwaarde van de schriftuurverplichting? Kan de minister deze meerwaarde nog eens duidelijk voor ons uiteenzetten?

Voorzitter. Dan wil de 50PLUS-fractie nog een vraag stellen over het stimuleren van het gebruik van mediation en andere herstelvoorzieningen. Dit onderdeel is aangescherpt door het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen op stuk nr. 51. Er bestaat onder het huidige recht al een informatieplicht van de politie aan slachtoffer en verdachte over de mogelijkheden van herstelrecht. Mijn fractie is verheugd dat, niet alleen in de fase van het opsporingsonderzoek door de politie, zowel het slachtoffer als de verdachte het recht krijgt om verzoeken te doen om na te gaan of mediation mogelijk is. Dit recht wordt nu ook naar andere fasen in het strafproces uitgebreid.

Ook als het onderzoek door de politie is afgerond, bij indiening van de stukken bij het Openbaar Ministerie óf in de fase bij de terechtzitting, heeft het slachtoffer of de verdachte nog steeds dit recht op mogelijke mediation. De verwachting is dat een geslaagde mediation de doorlooptijd van de strafzaak kan verkorten. Onze fractie onderschrijft deze verwachting als in een vroegtijdig stadium van een strafproces dit herstelrecht wordt uitgeoefend, maar als mediation pas in de fase van de terechtzitting aan de orde komt, zal dit naar het oordeel van onze fractie van weinig invloed zijn op de verkorting van de doorlooptijd. Kan de minister mijn fractie uitleggen waarom mediation die pas plaatsvindt in de fase van de terechtzitting, tot een verkorting van de doorlooptijd in die strafzaak leidt?

Voorzitter. Collega Dittrich heeft indringende vragen gesteld over de rechten van slachtoffers en de naleving hiervan. Welke vragen zijn beantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag? Erkend wordt dat slachtoffers lang niet altijd alle wettelijke verplichte informatie ontvangen. Het meest schrijnende is wel als het slachtoffer informatie heeft gevraagd over de datum van de terechtzitting, maar deze informatie niet heeft ontvangen en de terechtzitting inmiddels heeft plaatsgevonden. Dat heeft een onherstelbaar effect. Naar aanleiding van de aanbevelingen uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer wordt door het Openbaar Ministerie ingezet op verbetering van de naleving van slachtofferrechten via een verbeterplan. Op basis van dit verbeterplan zal de Algemene Rekenkamer een vervolgonderzoek uitvoeren. De minister heeft toegezegd dat hij de Tweede Kamer zal informeren over het vervolgtraject. Kan de minister toezeggen dat ook deze Kamer geïnformeerd wordt over het vervolgtraject?

Voorzitter. Tot slot. Ik sluit mij aan bij de al eerder gestelde vragen van mijn collega's over de ICT-voorzieningen en of die bij alle ketenpartners tijdig op orde zullen zijn. Ik zie uit naar de beantwoording van de door onze fractie gestelde vragen.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken wij over een van de grootste wetgevingsoperaties van deze tijd, de zogeheten modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Het doel, een toegankelijker, coherenter en toekomstbestendiger wetboek, onderschrijven wij. Ik denk dat alle senatoren dat onderschrijven. De eerste vraag die hier natuurlijk voorligt, is: gaat met dit voorstel dat doel bereikt worden? De tweede vraag is de kwestie van de uitvoerbaarheid.

Er zijn door eigenlijk alle voorgaande sprekers al vragen gesteld over de uitvoerbaarheid, vooral over de ICT en de capaciteit. Ik was zelf erg onder de indruk van de analyse van mevrouw Van Bijsterveld. Haar zorgenkindjes zijn ook zorgenkindjes van onze fractie. Hetzelfde geldt voor wat de heer Dittrich, de heer Recourt en de heer Talsma naar voren hebben gebracht. Ik heb geconstateerd dat ook de BBB en de VVD zeggen dat er echt geld moet komen en dat de ICT echt opgelost moet worden. Daar ben ik blij mee.

Voorzitter. Ik ga naar de modernisering. Op drie punten die modernisering betreffen, zal ik stilstaan bij de vraag of er eigenlijk voldoende rekening wordt gehouden met nieuwe opvattingen en nieuwe omstandigheden.

Voorzitter. Het eerste punt betreft de kwestie van de relatie tussen overheid en verdachte. Dat is in feite een species van de relatie tussen overheid en burger. De opvattingen over de relatie tussen overheid en burger zijn de laatste tien jaar sterk in beweging. Zowel de Nationale ombudsman als de Staatscommissie rechtsstaat wijzen op het belang van versterking van het burgerperspectief en introductie van de menselijke maat en versterking van de positie van de burger. Te lang is door de overheid dat perspectief veronachtzaamd in de uitwerking van de relatie tussen overheid en burger. Is een vergelijkbaar perspectief nu in het gemoderniseerde strafprocesrecht te herkennen? Getuigt dit ontwerp nu van een sterkere positie van de burger, in dit geval van de verdachte in relatie tot de macht van de vervolgende overheid? Ik heb het niet over de rechter. Ik heb het over de vervolgende overheid. Dat is het bestuur. De Nederlandse orde van advocaten heeft betoogd dat van een modernisering op dat punt, bestaande uit de verhoging van de rechtsstatelijke bescherming tegen overheidsoptreden, geen sprake is. Onder het mom van modernisering, aldus de NOvA, behelst het ontwerp eerder wijzigingen waarin efficiency de boventoon voert dan een erkenning van het grotere belang vanuit, zeg maar, het verdachtenperspectief. Mijn vraag aan de bewindslieden is: kunnen de bewindslieden in de veelheid van nieuwe bepalingen tien wijzigingen aangeven die erop gericht zijn de positie van de verdachte te versterken? Tien, dat lijkt me niet veel als je ziet hoeveel bepalingen we tot ons hebben moeten nemen. Tot zover het punt van het burgerperspectief.

Dat brengt mij bij het tweede punt: zijn de behoorlijkheidseisen voor de bevoegdheidsuitoefening bij opsporing en vervolging aangepast aan de eisen van de tijd? De bevoegdheden van de met opsporing en vervolging belaste overheidsorganen zijn — dat zullen we hier allemaal erkennen — diep ingrijpend. Bij zulke bevoegdheden past een stevige normatieve begrenzing. In de eerste plaats is dat de taak van de wetgever, die het lex certa-beginsel dient te hanteren en die zo veel mogelijk criteria zal moeten vastleggen waarmee de bevoegdheidsuitoefening van het OM en van alle andere met opsporing belaste overheidsfunctionarissen wordt begrensd. Maar soms moet aan zulke organen beleids- of beoordelingsvrijheid worden gelaten. En dan komt het aan op begrenzing door algemene bepalingen en door rechtsbeginselen die door de wetgever in rechte worden erkend.

Voorzitter. Een belangrijke discretionaire bevoegdheid van het OM betreft de vervolgingsbeslissing. De Afdeling advisering van de Raad van State wees op een tekort aan rechtsbescherming en drong aan op een sterkere normering. Dat is door de regering gevolgd. In artikel 3.1.1, eerste lid, is bepaald dat de officier van justitie bij zijn beslissing de beginselen van goede procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging, in acht moet nemen. In Boek 2, Titel 1.2, zijn twee belangrijke bepalingen opgenomen. Zo wordt in artikel 2.1.2 voorgeschreven dat een bevoegdheid niet wordt uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, en dat zij alleen mag worden uitgeoefend indien dit in het belang van het onderzoek is. In artikel 2.1.3 worden het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel gecodificeerd. Is dit een normering die aan de eisen van de tijd voldoet? Voor bestuursorganen geldt de Awb en in aanvulling daarop de rechtspraak van de bestuursrechter, die algemene beginselen van verantwoordelijk bestuur kan toepassen. Dat geeft een sterk normatief karakter en draagt bij aan de rechtsstatelijkheid van het overheidsoptreden.

Wat valt op als we die artikelen 2.1.2, 2.1.3 en 3.1.1 analyseren? Voor andere beslissingen van het OM dan vervolgingsbeslissingen is niet in de wet bepaald dat die moeten voldoen aan beginselen van behoorlijke procesorde. Hetzelfde geldt voor alle uitoefening van opsporingsbevoegdheid, waarop de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 betrekking hebben. Slechts misbruik van bevoegdheid is verboden en toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel is voorgeschreven. Maar over andere in acht te nemen behoorlijkheidsbeginselen wordt niet gerept.

Juist omdat het OM en de bij opsporing betrokken overheidsorganen in de praktijk veelvuldig discretionaire ruimte hebben, dringt zich de vraag op of het nog wel bij de tijd is om zulke organen aan minder beoordelingsregels te binden dan die welke gelden voor bestuursorganen in het algemeen. Wie de betreffende voorschriften analyseert, ziet dat de belangrijke beginselen die we in het bestuursrecht vanzelfsprekend achten, niet expliciet terugkomen als algemene norm voor bevoegdheidsuitoefening bij opsporing en vervolging. Dan heb ik het over het beginsel van zorgvuldig onderzoek, het beginsel van een zorgvuldig beslissingsproces, het motiveringsbeginsel, het fairplaybeginsel, het gelijkheidsbeginsel/consistentiebeginsel en het beginsel van afweging van het bijzondere geval. Betekent dit dat die behoorlijkheidsnormen niet meer in acht hoeven worden genomen? Dat zou haaks staan op de moderne toetsing van overheidsoptreden. De Afdeling advisering van de Raad van State benadrukte dan ook dat een vroegtijdige en gedegen juridische toetsing past bij de beweging naar voren waar wij het alsmaar over hebben.

Voorzitter. Op pagina 808 van de memorie van toelichting wordt ingegaan op de codificatie van de beginselen van een goede procesorde in artikel 3.1.1. Ik citeer: "De keuze voor vastlegging in Boek 3 laat onverlet dat genoemde beginselen ook in andere delen van het strafprocesrecht een rol spelen en dat ook andere beginselen van betekenis kunnen zijn voor de normering van vervolgingsbeslissingen." Dat stelt gerust, want zie ik het goed dat die passage in de memorie van toelichting impliceert dat naar het oordeel van de regering beginselen van een goede procesorde én beginselen van behoorlijk bestuur over de hele linie door de rechter zullen kunnen worden gehanteerd?

Dit debat kan worden benut om daarover nog extra helderheid te verkrijgen. Graag verneemt onze fractie van de minister een reactie op de volgende vragen. Kunnen de bewindslieden bevestigen dat het OM ook bij andere beslissingen dan vervolgingsbeslissingen de beginselen van een goede procesorde in acht dient te nemen? Kunnen de bewindslieden bevestigen dat het feit dat in de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 de beginselen van een goede procesorde ontbreken, er niet aan in de weg staat dat de rechter bij toetsing van de rechtmatigheid van uitoefening van bevoegdheid waarop die artikelen betrekking hebben, de beginselen van behoorlijke procesorde mag hanteren? Volgende vraag: delen de bewindslieden ons oordeel dat toepassing van de beginselen van een goede procesorde de rechter ruimte laat om daarin de eisen van beginselen van behoorlijk bestuur, die in principe voor alle bestuursbeslissingen gelden, te betrekken?

Voorzitter. Tot slot nog een andere kwestie, die te maken heeft met de moderne ontwikkeling van de criminaliteit. In hoeverre is dit ontwerp voldoende toegesneden op de toenemende impact van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit?

De heer Dittrich i (D66):

Ik heb een vraag over de algemene rechtsbeginselen. Is de heer Nicolaï met mij van mening dat rechters dan ook in hun uitspraken die beginselen beter of uitgebreider zouden moeten motiveren, zodat men ook weet dat die beginselen zijn toegepast?

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel voor deze vraag. Dat ligt voor de hand. Laat ik het zo zeggen: als wij in dit debat helder krijgen dat ook de regering vindt en dat wij misschien wel allemaal vinden dat die beginselen van toepassing zijn, dan is dat natuurlijk ook een stimulans voor de rechter om zich daarop te oriënteren. Dat is één. En als tweede: als hij ze toepast, maar dat is een normaal motiveringsbeginsel voor rechters, dan zal hij dat ook in de uitspraak moeten aangeven. Dat ben ik geheel met u eens. In de Wet op de Raad van State en in de Awb zie je ook dat een bestuursrechter, als hij die beginselen toepast, dat inderdaad ook in zijn uitspraak moet vermelden.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

De heer Nicolaï was het aan het begin van zijn termijn met zo ongelofelijk veel mensen eens dat ik even moest bijkomen daarvan. Maar ik hoorde hem hardop de vraag stellen of de behoorlijkheidsvereisten bij de bevoegdheidsuitoefening nu voldoende zijn aangepast aan de eisen van de tijd. Ik vermoed dat zijn antwoord daarop "nee" is. Collega Nicolaï verwijst dan naar een paar artikelen in beide wetsvoorstellen. Als zijn antwoord op die vraag eigenlijk "nee" is, welke beginselen, anders dan de bestuursrechtelijke beginselen die hij noemt, zouden er dan moeten worden opgenomen, die niet al sinds mensenheugenis, zou ik bijna zeggen, of eigenlijk al sinds 1921, 1926 in het Wetboek van Strafvordering staan en ook in bijvoorbeeld de Europese jurisprudentie en de rechtsspraak van de Hoge Raad zijn opgenomen? Welke nieuwe, aanvullende teksten vereist deze tijd dan?

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank voor deze vraag. Laat ik het zo zeggen: het mooiste zou natuurlijk zijn als in de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 gewoon vermeld zou worden dat niet alleen de proportionaliteit en de subsidiariteit, maar ook alle overige beginselen van een goede procesvoering, met inbegrip van de van toepassing zijnde eisen van behoorlijk bestuur, in de wet zouden worden opgenomen. Wij kunnen hier geen amendement indienen. Als ik dat had gekund, zou ik zo'n amendement indienen.

Mijn vraag aan de regering is: als men bevestigt dat dat in de ogen van de regering eigenlijk al besloten ligt in de toetsingsbevoegdheid van de rechter ... Een rechter moet namelijk altijd toetsen aan rechtsbeginselen. Er is geen wet die hem kan verbieden aan rechtsbeginselen te toetsen, want dan zegt hij: die wet is in strijd met een rechtsbeginsel, namelijk dat ik de wet moet uitvoeren. Uiteindelijk horen de rechtsbeginselen, als ze levend zijn in het zogeheten algemeen rechtsbewustzijn, door de rechter te worden toegepast. Als de regering dus zegt: de memorie van toelichting die de heer Nicolaï citeert, geeft aan dat wij dat onderschrijven, dan is het op dit moment voldoende dat het aan de rechters wordt overgelaten. Er moet niet gezegd worden "ja, maar die beginselen ontbreken als toetsingscriteria aan de wet, dus ik kom er niet aan", maar "ze zijn niet in de wet opgenomen, maar ik mag er wel aan toetsen".

De heer Talsma (ChristenUnie):

Korte vervolgvraag. Ik ben niet de spreekbuis van de regering en ik ben ook niet van plan dat vandaag te worden, maar ik vermoed eerlijk gezegd dat de regering dat gaat bevestigen, want dat is denk ik al geruime tijd het geval. Ik heb nog een afrondende vraag op dit punt. Ik vraag me toch nog maar één keer hardop af waaraan collega Nicolaï dan de gedachte ontleent dat die beginselen nu geen deel uitmaken van het strafprocesrecht en nu alsnog aan de eisen van de tijd zouden moeten worden aangepast, als een ingrijpende wijziging ten opzichte van wat we in de afgelopen 100 jaar hebben gedaan.

De heer Nicolaï (PvdD):

Laat ik het zo zeggen. Voordat de Algemene wet bestuursrecht tot stand kwam, werden de beginselen van behoorlijk bestuur natuurlijk ook al toegepast. Ja, dat klopt, maar de modernisering van de Algemene wet bestuursrecht betekende dat ze uitdrukkelijk in de wet werden genoemd en ook als een wettelijke toetsingsmaatstaf in de wet werden opgenomen. Die modernisering mis ik hier, want op gezag van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is alleen het verbod van willekeur, inhoudende het vertrouwensbeginsel en redelijkheid en billijkheid, erin gezet, maar dat is natuurlijk maar een van de beginselen. Dat had ruimer gekund. Dat is één. Twee. Voor zover het niet om de vervolgingsbeslissing van het OM maar om alle andere bevoegdheidsuitoefeningen gaat, ontbreken ze; dat betreft de artikelen 1.1.2 en 1.1.3. Daarvan zeg ik dat een goede, aan de eisen van de tijd voldoende wetgeving die beginselen daar eigenlijk had moeten noemen. Dat is niet gebeurd. Dat kunnen wij op dit moment niet repareren, maar de reparatie bestaat er voor mijn gevoel uit dat de regering zegt: het is niet gebeurd, maar het is ook niet nodig, want de rechter mag het al. Maar dat wil ik hier dan wel graag horen; laat ik het zo zeggen. Dat was de insteek van mijn bijdrage aan het debat op dit punt.

Voorzitter. Ik ga verder. Ik was bezig met de eisen van de tijd en de ontwikkeling van de criminaliteit. De vraag is in hoeverre dit ontwerp voldoende toegesneden is op de toenemende impact van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Het is een heftig punt, maar ik vind wel dat het hier ook aan de orde moet komen, omdat je je kan afvragen of er eigenlijk niet een lacune in de wet zit. Een moord op een advocaat en op een verslaggever, bedreigingen van rechters en politici, bunkers die nodig zijn voor strafzittingen; we kennen die feiten allemaal. Leden van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit — daar komt ie — kunnen zich beroepen op verdragsrechtelijke bepalingen die de rechtsstatelijkheid beschermen, terwijl ze er juist op uit zijn om de rechtsstaat te ondermijnen. Dat lijkt mij een duivels dilemma.

Ik ga naar het Marengoproces, waarin een verdachte het zonder raadsman moet doen. Er hebben zich een aantal advocaten teruggetrokken en daarnaast zijn drie advocaten wegens verdenking van strafbare feiten zelf aangehouden en hebben ze de verdediging moeten staken. Uit artikel 6 EVRM vloeit voort dat de Staat erin voorziet dat een verdachte die geen raadsman heeft, aanspraak heeft op rechtsbijstand in de strafzaak. Uit die bepaling wordt bovendien afgeleid dat de rechter moet bewaken dat het proces eerlijk verloopt. In de artikelen 1.4.13 en 1.4.14 van het ontwerp is geregeld dat de Raad voor Rechtsbijstand voor een verdachte die geen raadsman heeft een raadsman aanwijst. Hoewel er een wettelijke verplichting voor de Raad voor Rechtsbijstand is om een raadsman aan te wijzen, lukt dat niet. Kennelijk hebben moord, bedreigingen en chantage door de zware georganiseerde en ondermijnende criminaliteit een sfeer geschapen waarin advocaten geen risico willen lopen en dus afzijdig willen blijven. Zie ik het goed, dan is in het huidige ontwerp niet geregeld hoe dan verder moet worden gegaan. Als vastgehouden wordt aan de eis dat er een raadsman moet zijn — artikel 6 EVRM — dan wordt het proces opgehouden. Maar als het proces te lang duurt en de redelijke termijn van artikel 6 EVRM — een andere eis — wordt overschreden, dan dreigt de verdachte vrijuit te gaan. Mijn vraag is: zitten we hier klem? Is hier niet een lacune in de wet? Hoe kan worden voorkomen dat een verdachte in zo'n situatie vrijuit zou gaan wegens overschrijding van de redelijke termijn?

Ik kijk met belangstelling uit naar de beantwoording. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen van de SP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen i (SP):

Voorzitter, dank u wel. Na een woord van welkom en dank aan de minister, de staatssecretaris en regeringscommissaris Knigge wil ik graag beginnen met enkele welgemeende complimenten, om te beginnen een compliment aan de leden van de Tweede Kamer, die deze wetsvoorstellen zo zorgvuldig hebben behandeld. Want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat wij dat ook weleens anders zien. Er is in opeenvolgende wetgevingsoverleggen zorgvuldig inhoudelijk naar de materie gekeken. En er zijn wat de SP betreft ook zinvolle amendementen ingediend en aangenomen, al valt er over sommige nog best iets te vragen, zeg ik dan in de richting van de heer Talsma.

Voorzitter. Een volgend compliment is voor de werkgroep die in deze Kamer onze behandeling heeft voorbereid. Dat is daarmee natuurlijk ook meteen een groot compliment aan de ambtelijke staf, die de werkgroep zo uitmuntend heeft ondersteund.

We kunnen vandaag geen letter meer aan deze wetten veranderen. Dat is nou eenmaal ons lot in deze Kamer. De vragen die tot nu toe gesteld zijn, zijn daar ook niet op gericht, maar werpen de blik vooruit. Inhoudelijk kan ik me aansluiten bij de vragen die al zijn gesteld door collega's die eerder spraken.

Dat het Wetboek van Strafvordering moet worden gemoderniseerd, staat voor mijn fractie dan ook niet ter discussie. Maar ik ontkom er na meer dan tien jaar directe bestuurlijke en politieke betrokkenheid bij de totstandkoming en invoering van de Omgevingswet niet aan dat een vergelijking met de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zich wel bij mij heeft opgedrongen. Want bij een grote aanpassing doemen onvermijdelijk ook de rotsen op waar zo'n ingrijpende verandering op stuk kan varen. Het risico van veranderen om te veranderen ligt op de loer en de beoordeling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is voor mijn fractie al klimmend op de afwegingsladder van overwegingen naar bedenkingen en naar mogelijke bezwaren. Bij onze deskundigenbijeenkomsten bleek er ook grote twijfel of de beweging naar voren wel zal leiden tot het beoogde doel: een toegankelijker, werkbaarder en sneller proces. Dat leidt bij mijn fractie wel tot bedenkingen over de uitvoering. De cruciale vraag is dan ook of iedere verandering nu wel een verbetering is. Behouden we het goede en veranderen we alleen wat veranderd moest worden? In mijn eigen woorden: doen we nog het goede en, zo ja, doen we het goede dan nog op de goede manier?

Op die eerste vraag, of we nog het goede doen, lijkt het antwoord, ondanks opmerkingen links en rechts, bevestigend, gelet op de stemmingsuitslag in de Tweede Kamer. Eerder noemde ik al de amenderingen door de Tweede Kamer die nog verfijningen hebben aangebracht. Daarin zit ook niet de zorg van de SP-fractie. We krijgen bovendien nog aanvullende wetgeving. De zorg van de fractie ziet met name op de tweede vraag, namelijk of we de goede dingen nog op de goede manier doen of, gelet op de huidige staat van de rechtsstaat, beter geformuleerd: zijn we nog in staat om de goede dingen op de goede manier te doen? Is de politie nog in staat om op te sporen? Is het Openbaar Ministerie nog in staat te vervolgen? Is de rechtspraak nog in staat om recht te spreken? Is de advocatuur nog in staat de voor een zorgvuldig proces noodzakelijke rechtsbijstand te bieden? Zijn de mensen en de middelen die beschikbaar staan afdoende om het vertrouwen in de rechtsstaat overeind te houden? Hoe verhoudt het nieuwe Wetboek van Strafvordering zich tot de realiteit van dit moment? Graag een reflectie van de minister.

Als die mensen en middelen in de praktijk niet afdoende zijn, dan brokkelt het vertrouwen in de rechtsstaat verder af. De kranten staan vol berichten over schikkingen met zware criminelen, inclusief wat witteboordencriminaliteit wordt genoemd: voor miljoenen gefraudeerd en in de beleving van velen met een financiële schikking weggekomen. Die schikkingen zijn niet uit luxe. Ze zijn het gevolg van te weinig mensen, te weinig middelen om dergelijke grote zaken in een strafzaak voor de rechter te brengen. Dat raakt aan het rechtvaardigheidsgevoel van veel mensen. We zien dit in toenemende mate. Het is een symptoom van te weinig mensen en te weinig middelen.

Daarbij passen ook steeds verder gaande pleidooien van het Openbaar Ministerie om zaken zelf af te doen; het Openbaar Ministerie dat rechtspreekt. En ja, die strafbeschikking bestaat al sinds 2008, maar de verhoogde inzet van het middel wordt nu gemotiveerd met te weinig zittingscapaciteit en te weinig celruimte. Dat is in de ogen van de SP-fractie een glijdende schaal. Die hele discussie over de strafbeschikking zal ik nu niet gaan voeren, maar de vraag aan de minister is of dat de richting is die we met de strafvordering op willen gaan. Dan heb ik het nog niet eens gehad over de bestuurlijke strafbeschikking. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Het slagen van de opzet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering staat of valt bij mogelijkheden en onmogelijkheden in de uitvoering, en daar heeft de SP-fractie grote zorgen over. Kan de keten dit aan? Er zijn grote zorgen over de kwaliteit en veiligheid van de ICT in de keten. De invoering van dit gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering valt samen met een grote ICT-operatie waarin de oude systemen moeten worden vervangen. Mijn betrokkenheid bij het Digitaal Stelsel Omgevingswet sinds 2011 hebben mij vanuit de praktijk huiverig gemaakt voor dit soort grote ICT-operaties. De slogan van de Omgevingswet, Eenvoudig Beter, is verworden tot het tegenovergestelde. De rapporten over problemen bij ICT-projecten van de overheid zijn talrijk en bieden weinig hoop op een goede afloop. In dit geval gaat het ook nog eens om een grootschalige verbouwing terwijl de winkel openblijft.

De minister zal ongetwijfeld zijn vertrouwen uitspreken in de goede afloop van dit proces — hij kan moeilijk anders — maar laten we voorkomen dat, zoals bij de Omgevingswet in 2019, het Wetboek van Strafvordering in werking treedt om de reden dat het too big to fail is geworden. Het Adviescollege ICT-toetsing heeft ook bij de Omgevingswet diverse keren een stormvlag gehesen, maar toch volgde de invoering, met de nodige omleidingen en afgesneden bochten. Mijn voorspelling is dat we met de minister of zijn opvolgers in deze Kamer nog regelmatig het debat zullen voeren over hoe de praktijk zo kon afwijken van hetgeen wat op de tekentafel is bedacht, hoe het kon dat BAS en EMMA door hun enkels zakten, zodat ze helemaal niet meer aan dansen toekwamen.

Voorzitter, helemaal tot slot. Mijn slotvraag aan de minister is dan ook of er een plan B klaarligt als de ICT vastloopt. Ligt zo'n integraal plan B voor de keten klaar op het ministerie voor zijn opvolger? Of vindt de minister dat de politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak daar maar zelf voor moeten zorgen, ieder voor zich? Ik hoor het graag.

Voorzitter, ik kijk uit naar de beantwoording door de minister.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag tot slot het woord aan de heer Hartog van de fractie van Volt.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Hartog i (Volt):

Voorzitter. De collega's hebben al gesproken over het historische karakter van deze vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Ik wil daarom de bewindspersonen en alle op de achtergrond betrokken personen en instanties dankzeggen voor het enorme werk dat is verzet. De Voltfractie staat positief tegenover het voorliggende wetsvoorstel, of de voorliggende wetsvoorstellen, en denkt dat de uitgebreide behandeling in zowel de Tweede als de Eerste Kamer voldoende verduidelijking heeft gebracht. Desalniettemin is het goed dat we vandaag nog een laatste keer naar alle elementen kijken voordat de betreffende instanties zich kunnen gaan voorbereiden op de invoering en uitvoering van het nieuwe wetboek. Als spreker aan het eind van de lijst wil ik proberen niet opnieuw dezelfde vragen te stellen die al door de collega's zijn gesteld. Ook zal ik niet ingaan op alle vragen die mijn fractie in de schriftelijke ronde al heeft gesteld. Mijn doel voor vandaag is om de puntjes op de i te zetten, juist om voor zo veel mogelijk duidelijkheid te zorgen bij de interpretatie van de wet. Het doel van mijn fractie is vandaag om ervoor te zorgen dat wij de antwoorden op onze schriftelijke vragen juist hebben begrepen.

Daarbij heeft mijn fractie als eerste een punt over het spreekrecht. Begrijpt mijn fractie het goed dat dit spreekrecht automatisch, dus zonder verdere wetswijziging, zal worden uitgebreid indien de initiatiefwet vanuit de Tweede Kamer om het meerouderschap mogelijk te maken tot wet wordt verheven?

Voorzitter. Dan heeft mijn fractie ook nog een vervolgvraag over de vormvoorschriften met betrekking tot het proces-verbaal. Uit het antwoord op de schriftelijke vraag van mijn fractie over de mogelijkheid om een politieambtenaar iets te ontlasten op het gebied van het opstellen van het proces-verbaal meen ik te begrijpen dat er met dit wetboek niets gaat veranderen. Mijn fractie begrijpt het argument van het belang van de kwaliteit van het proces-verbaal voor het strafrechtproces. Ik had echter gehoopt dat er met het nieuwe wetboek meer blauw op straat zou kunnen komen en minder achter de computer. Om het in heel simpele termen te verwoorden: mijn fractie vraagt zich af waarom het bij aangifte van bijvoorbeeld diefstal of schade aan een auto per se een beëdigd politieagent moet zijn die de volledige verklaring opneemt. In dit geval is er geen sprake van eigen waarneming. Mijn fractie vraagt zich af waarom het niet mogelijk is om dit onder de supervisie van een beëdigd politieagent te laten doen door een beëdigd administratief medewerker. Welke ruimte ziet de minister op termijn om het administratieve werk van politieagenten te verlichten zonder de kwaliteit van het proces-verbaal aan te tasten?

Voorzitter. Tot slot vraagt mijn fractie nog verduidelijking op het punt van de definitie van "elektronische voorziening" in artikel 1.1.11. Daar wordt in de uitleg expliciet gerefereerd aan de overdracht van berichten en het indienen van stukken langs elektronische weg. In antwoord op de vragen van mijn fractie worden dan ook de woorden "elektronisch communiceren" gebruikt. Mijn fractie vraagt de minister om simpelweg te bevestigen dat dit betekent dat ook als een interactie plaatsvindt op een platform, dit onder de definitie valt. In een dergelijk geval is er immers in technische zin geen sprake van overdracht van berichten of het indienen van stukken.

Voorzitter. Mijn fractie kijkt uit naar de beantwoording van de vragen.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Wenst een van de leden in de eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval. Dan schors ik de vergadering voor de dinerpauze tot 18.30 uur.

De vergadering wordt van 17.08 uur tot 18.32 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Wij zijn toe aan het antwoord van de regering in eerste termijn. Ik heropen de beraadslaging. Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

De mapjes zijn heel glad en alles dreigt hier te vallen. Ik moet even kijken hoe ik dit slim doe.

De voorzitter:

De microfoon staat aan.

Staatssecretaris Rutte:

Ja, hij staat aan. Komt goed, hè?

De voorzitter:

Ja.

Staatssecretaris Rutte:

Voorzitter. Voordat ik aan mijn algemene tekst begin, heb ik een hele kleine anekdote van mijn kant. Er was een tijd, in 1990, dat ik verhuisde vanuit het mooie Twente naar Groningen om te gaan studeren. Ik had er heel goed over nagedacht. Het was de tijd van "kies exact"; dan kon je iets worden in het leven. Dus ik ging farmacie studeren. Dat werd een schitterende mislukking. Ik heb er veel goede vrienden aan overgehouden. Ik kan nog steeds een normaal gesprek met mijn vrouw voeren, die gepromoveerd medisch-bioloog is, maar voor de rest was het een schitterende mislukking. Na een jaar moest ik wat anders gaan doen. Tot mijn grote vreugde ben ik toen rechten gaan studeren. Uiteindelijk werd dat strafrecht. Ik heb dat met heel veel plezier gedaan. Ik ben uiteindelijk ook afgestudeerd. Ik vond alles aan het strafrecht prachtig. Uiteindelijk heb ik vooral een criminologische afstudeerrichting gekozen. Er was één onderdeel in het strafrecht dat mij wat minder lag. U kunt het al vermoeden. Het werd gedoceerd door de man links van mij, uw regeringscommissaris, de heer Knigge. Dat was het strafprocesrecht. De cirkel is aan de ene kant rond: aan het einde van mijn staatssecretariaat mag ik deze mooie, nieuwe wet verdedigen. Aan de andere kant voel ik toch ook wel de spiedende ogen van de heer Knigge in mijn rug, die in de gaten houden of ik wel het goede zeg. Ik haalde toen wel twee keer een voldoende, dus dat is hoopvol. Tegelijkertijd viel er ook nog heel veel te leren.

Toekomstige studenten zullen weer heel veel nieuwe dingen hebben te leren, want we gaan het vandaag hebben over een nieuw Wetboek van Strafvordering, voor het eerst in zo'n 100 jaar. Dat is me wat. Maar het verheugt mij dus wel om hier vandaag te mogen staan en het Wetboek van Strafvordering vandaag plenair te mogen behandelen in de Eerste Kamer. Dat kunt u zich voorstellen. Het gaat om twee wetsvoorstellen: de eerste vaststellingswet met de Boeken 1 tot en met 6 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en de tweede vaststellingswet met de Boeken 7 en 8.

Een actueel Wetboek van Strafvordering waarin de regels over opsporing, vervolging en berechting zijn neergelegd, is een onmisbaar element in een democratische rechtsstaat. Het huidige wetboek dat op 1 januari van dit jaar de leeftijd van maar liefst 100 jaar bereikte — velen van u refereerden daar al aan — is aan de ene kant, zoals de heer Marquart Scholtz zei, een prachtig wetboek, want houd het maar eens 100 jaar vol. Maar het is wel verouderd en dringend aan modernisering toe. Ik kan dan ook alleen maar bevestigen wat mevrouw Vogels zei, namelijk dat het nieuwe wetboek naar het oordeel van de regering een noodzakelijke en wenselijke stap behelst.

Het nieuwe wetboek is namelijk het noodzakelijke groot onderhoud om te blijven voldoen aan de codificatieopdracht van artikel 107 van de Grondwet. Dat artikel draagt de wetgever op om het strafprocesrecht in een algemeen wetboek te regelen. De wetsvoorstellen voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn in intensieve samenwerking met de organisaties van de strafrechtketen voorbereid. Die samenwerking heeft bijgedragen aan de uitvoerbaarheid van dat nieuwe wetboek en het draagvlak daarvoor. Alle organisaties die ermee te maken hebben, staan hierachter. We maken dat wel eens anders mee.

Ik wil vandaag mijn grote dank uitspreken voor alle inspanningen die de organisaties in de strafrechtketen hebben geleverd bij de voorbereiding van het nieuwe wetboek, en ook voor de inspanningen die zij nog gaan leveren bij de implementatie van het nieuwe wetboek. Daar gaan we het zo met elkaar nog uitgebreid over hebben. Maar graag wil ik de Eerste Kamer en in het bijzonder de meest betrokken Kamerleden uit de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid danken voor de zorgvuldige en doortastende behandeling van de wetsvoorstellen. Na aanvaarding van beide wetsvoorstellen door de Tweede Kamer heeft de vaste commissie in zeven maanden tijd deskundigenbijeenkomsten gehouden en verslag over de wetsvoorstellen uitgebracht. Op uw verzoek hebben wij binnen een maand de nota naar aanleiding van het verslag toegezonden. Dat vandaag, kort na afronding van de schriftelijke behandeling, de plenaire behandeling plaatsvindt, laat zien dat de Eerste Kamer het belang van een voortvarende behandeling met ons deelt. Waarvoor dank! De organisaties in de strafrechtketen zijn daarmee zeer geholpen. Voor de implementatie van het nieuwe wetboek is het namelijk van groot belang dat de inhoud ervan zo veel mogelijk vaststaat. Met de plenaire behandeling vandaag van de twee wetsvoorstellen tot vaststelling van het nieuwe wetboek wordt op dit punt een grote stap gezet.

Graag dank ik de woordvoerders die vandaag in de eerste termijn hun steun en waardering voor de inhoud van het nieuwe wetboek hebben uitgesproken. Van zo veel lof word je als verantwoordelijk bewindspersoon ook wel een beetje stil. Degenen die al jaren hard aan het nieuwe wetboek hebben gewerkt en nog werken, delen in deze waardering. Het duurt inderdaad al even — ik vermoed dat de minister daar zo meteen ook nog wel wat over gaat zeggen — maar er is in al die jaren niet stilgezeten. Er is hard gewerkt. Ik heb natuurlijk ook goede nota genomen van de zorgen die de verschillende woordvoerders hebben geuit over vooral de implementatie van het nieuwe wetboek. Ik zal daar zo uitgebreid op ingaan.

Voorzitter. Zoals u ziet, sta ik hier vandaag niet alleen. De minister van Justitie en Veiligheid en ik verdedigen vandaag samen de twee wetsvoorstellen voor het nieuwe wetboek. We worden daarbij ondersteund door de regeringscommissaris voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering, professor Knigge. Ik introduceerde hem al. We zijn de heer Knigge zeer erkentelijk voor zijn ondersteuning vandaag en ook eerder in dit wetgevingsprogramma. Dat wil ik nog wel even heel duidelijk hier uitspreken.

Onze rolverdeling bij de beantwoording — dat is misschien voor u ook wel goed om even te vernemen — zien de minister, de regeringscommissaris en ik als volgt voor ons. Ik trap af als primair verantwoordelijke voor het nieuwe wetboek. Ik zal de beantwoording van het leeuwendeel van de vragen voor mijn rekening nemen. Daarna gaat het stokje naar de minister. Die zal antwoord geven op vragen die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Dat zijn de onderwerpen die raken aan de opsporing en de vervolging. Dat betreft dan vragen over opsporing, de inzet van AI, voorlopige hechtenis, vervolging, strafbeschikking en internationale samenwerking in strafzaken. Mocht u daar vragen over hebben, stel die dan vooral ook aan de minister. Ook zal hij de vragen beantwoorden over de huidige stand van de ICT bij het Openbaar Ministerie. Ik sluit niet uit dat ik daar ook een paar dingen over zeg en dat u mij daar een beetje op bevraagt, maar als ik het echt niet weet, dan kijk ik gewoon naar rechts en dan zeg ik: de minister gaat dat zo meteen beantwoorden. De regeringscommissaris zal ons bijstaan bij de beantwoording van vragen over de systematiek en de techniek. Als ik iets vertel en u vraagt zich af hoe het zit en u wilt er meer over weten, moet u niet vreemd opkijken als ik naar links kijk, de heer Knigge opstaat en hij hele wijze woorden tot u gaat spreken. Dat is ongeveer de verdeling zoals we die voor ons zien.

Ik begin eerst met de inhoudelijke vragen op mijn terrein. Daarna komen de vragen over implementatie aan bod. Allereerst een enkel woord over het karakter van de modernisering van het nieuwe wetboek. Ik hoorde enkele woordvoerders, de heer Dittrich en mevrouw Van Bijsterveld, spreken over een stelselwijziging. Volgens mij werd dat al een beetje gecorrigeerd. Tegelijkertijd wordt het woord stelselwijziging niet ten onrechte gebruikt als je kijkt naar het wetboek uit 1926. Sindsdien heeft het strafprocesrecht natuurlijk niet stilgestaan. Ten opzichte van het geldende strafprocesrecht en de huidige praktijk behelst het nieuwe wetboek dan ook geen stelselwijziging — what's in a word — maar meer een ingrijpende modernisering. Als u met die term ook kunt leven, dan vind ik het goed.

Bij deze modernisering is een aantal doelstellingen leidend geweest. Ik heb het dan over overzichtelijkheid, toegankelijkheid, stroomlijning, digitalisering en, vandaag een paar keer genoemd, de beweging naar voren. Ik kan een eind meegaan met mevrouw Vogels, die over deze doelen zei dat die behalve de rechtszekerheid toch vooral praktische randvoorwaarden voor een legitieme strafrechtspleging behelzen. Het is geen ideologie. Maar ik zou hieraan, met verwijzing naar de behartigenswaardige woorden die de heer Doornhof daarover sprak, wel willen toevoegen dat het nieuwe wetboek ook het recht van de verdachte op een eerlijk proces garandeert en uitwerkt, welk recht ook in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in onze Grondwet is verankerd. Het nieuwe wetboek brengt tot uitdrukking dat strafvordering plaatsheeft op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer. Dat zijn de belangrijke uitgangspunten in een democratische rechtsstaat.

Ik heb een heel pakket. Ik ga er mapje voor mapje doorheen. Mijn eerste blokje gaat over de beweging naar voren. Dat is overigens een term die veel gebruikt wordt. In de korte periode dat ik staatssecretaris ben, ben ik ook betrokken geweest bij het onderwerp jeugdbescherming. Daar hebben we het ook over de beweging naar voren, maar dat is dan weer een andere beweging naar voren. We moeten dat niet met elkaar verwarren. We hebben het vandaag echt over de beweging naar voren in het strafprocesrecht en in het strafproces. Er zijn veel vragen gesteld. Ik zal proberen daar waar mogelijk vragen en antwoorden een beetje te bundelen. Dat lukt niet altijd. Soms lijkt het een beetje van de hak op de tak te zijn, maar ik probeer wel de blokjes bij elkaar te houden.

Ik begin met een vraag van de heer Recourt. De pro-formazitting wordt afgeschaft, maar ook op de raadkamerzitting zal de stand van het onderzoek aan de orde komen en zullen de ernstige bezwaren moeten worden gewogen in het licht van de voortgang. Kan de minister toelichten waarom hij denkt dat dit minder tijd gaat kosten, was zijn vraag. De afschaffing van de 90 dagenregel die pro-formazittingen noodzakelijk maakt, voorkomt onnodig oponthoud en draagt bij aan een beter voorbereide berechting. Zoals de heer Recourt aangeeft, moet in plaats van de zittingsrechter inderdaad de raadkamer beslissen over de noodzaak tot voortduring van de voorlopige hechtenis in het licht van de stand van het onderzoek. Daarover zal de officier van justitie de raadkamer moeten voorlichten ter onderbouwing van zijn vordering tot verlenging van de gevangenhouding. In zoverre is slechts sprake van een verschuiving van werkzaamheden. Maar de zittingsrechter hoeft niet op de pro-formazitting, die in de praktijk maar eenmaal per drie maanden plaatsvindt, te beslissen over onderzoekswensen die vervolgens moeten worden uitgevoerd door de rechter-commissaris. De rechter-commissaris hoeft in het nieuwe stelsel niet te wachten op de opdrachten daartoe van de zittingsrechter. Hij kán voortdurend, vanaf het eerste verhoor tot aan de inhoudelijke behandeling van de zaak, worden benaderd met onderzoekswensen.

Dan heb ik een volgende vraag van de heer Recourt. Hij vroeg hoe wordt voorkomen dat de regievoering naar achteren wordt geschoven door het afschaffen van de pro-formazittingen omdat er straks geen vaste regiemomenten meer zijn. Het is misschien wel goed om te zeggen dat de regie primair bij het Openbaar Ministerie ligt. Ik kom daar zo ook nog wel op terug. Ook de verantwoordelijkheid voor de afronding van het onderzoek ligt bij het Openbaar Ministerie. Ik benoemde zojuist al dat de afschaffing van de pro-formazitting geen vertraging oplevert, maar juist stagnaties wegneemt. Het nieuwe wetboek stimuleert met diverse aanpassingen van de regeling het tijdig indienen van onderzoekswensen, zowel tijdens het opsporingsonderzoek als na indiening van de procesinleiding. In de zaken waarmee de rechter-commissaris bemoeienis heeft, kan hij zijn regiemogelijkheden benutten om de voortgang van het onderzoek te bevorderen, bijvoorbeeld door een regiebijeenkomst te organiseren om met de officier van justitie en de verdediging te spreken over onderzoekswensen en de stand van het opsporingsonderzoek. Bovendien krijgt de voorzitter van de rechtbank meer bevoegdheden om regie te voeren nadat de procesinleiding is ingediend. Ten slotte kan de zittingsvoorzitter de inhoudelijke behandeling laten voorafgaan door een regiezitting als hij meent dat dat nuttig of nodig is. De regievoering vindt dus vooral plaats voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling, zoals eigenlijk ook de bedoeling is. Daarbij ligt de regie dus primair bij het Openbaar Ministerie.

Een vraag van de heer Dittrich: "Waarom is het nodig dat de rechter-commissaris na de procesinleiding toestemming vraagt aan de voorzitter voor het uitvoeren van onderzoekshandelingen? Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot extra overlegmomenten, vertraging en administratieve lasten?" Met de indiening van de procesinleiding vangt de berechting aan. Vanaf dat moment is de voorzitter van de rechtbank verantwoordelijk voor de planning en de volledige voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De afstemming tussen de rechter-commissaris en de voorzitter is vanaf dat moment dus nodig, omdat het in die fase gaat om een onderzoek waarover de rechter-commissaris als het ware namens de voorzitter van de rechtbank beslist. De voorzitter zou bijvoorbeeld van oordeel kunnen zijn dat de getuige voor verhoor op de rechtszitting moet worden opgeroepen.

De vereiste afstemming is ook nodig omdat het optreden van de rechter-commissaris ingrijpt in de organisatie van de terechtzitting. Dit zorgt ervoor dat de voorzitter bij de planning van de terechtzitting rekening kan houden met onderzoek dat nog door de rechter-commissaris wordt verricht. Door het inrichten van heldere werkprocessen voor de samenwerking tussen het kabinet van de rechter-commissaris en de zittingsvoorzitter kan de vereiste afstemming soepel en snel verlopen. Het overleg hierover kan eenvoudig plaatsvinden, bijvoorbeeld telefonisch of via e-mail. Wel is het belangrijk dat de uitkomst van het overleg wordt aangetekend in het dossier.

Een volgende vraag van de heer Dittrich: "Is de regierol van de rechter-commissaris stevig genoeg nu medewerking vrijblijvend is en de regie niet kan worden afgedwongen? Waarom is er geen aanwezigheidsplicht opgenomen, zoals bij de pro-formazittingen? Hoe wordt voorkomen dat het gezag van de rechter-commissaris in de praktijk onder druk komt te staan?" De rechter-commissaris is in het nieuwe wetboek helder gepositioneerd. Er is geen reden om aan te nemen dat zijn gezag onder druk zou komen te staan. Ik licht dat graag toe. De rechter-commissaris fungeert als rechter in het opsporingsonderzoek. Hij kan bijdragen aan de volledigheid en evenwichtigheid van het opsporingsonderzoek door onderzoek te doen in de zaken waarin dat hem is verzocht en in zaken waarin de verdachte voorlopig is gehecht, ook ambtshalve. Ik zeg het hier nog een keer: de regie en de leiding over het opsporingsonderzoek berusten bij de officier van justitie. Die is verantwoordelijk voor de voortgang en spoedige afronding van het opsporingsonderzoek en voor het nemen van een vervolgbeslissing.

Wat betreft de vrijblijvendheid van de medewerking van de partijen kan ik het volgende nog zeggen. De regie van de rechter-commissaris betreft het onderzoek in de zaken waarmee hij bemoeienis heeft. Hij kan bijvoorbeeld een regiebijeenkomst organiseren om te spreken over de stand van zaken van het opsporingsonderzoek of over eventuele onderzoekswensen. Zolang het opsporingsonderzoek nog loopt, beschikt de verdachte echter niet over de definitieve tenlastelegging en het volledige procesdossier. Daarom staat het de verdachte in dat stadium vrij om met verzoeken tot nader onderzoek te wachten tot hij meer zicht heeft op de vraag of hij zal worden vervolgd. Het verbinden van een gevolg of een sanctie aan het niet indienen van een verzoek door de verdediging bij de rechter-commissaris of aan het niet deelnemen aan een regiebijeenkomst voordat de vervolgingsbeslissing is genomen, is daarom niet zinvol en evenmin mogelijk, in het licht van het recht op een eerlijk proces.

Dan ga ik door met een vraag van de heer Recourt. "Aanwezigheid bij een regiebijeenkomst is niet verplicht. Is dit geen mogelijkheid om het proces te traineren?" Zoals gezegd, wordt de verdachte gestimuleerd om onderzoekswensen tijdig in te dienen. De rechter-commissaris kan daarvoor worden benaderd gedurende het gehele opsporingsonderzoek. Is dat het geval, dan kan de rechter-commissaris zijn regiemogelijkheden benutten om de voortgang van het opsporingsonderzoek te bevorderen, bijvoorbeeld door het organiseren van een regiebijeenkomst. De verdediging kan gebaat zijn bij een regiebijeenkomst en kan er dus belang bij hebben om daarbij aanwezig te zijn. In antwoord op een vraag van de heer Dittrich over de regierol van de rechter-commissaris heb ik al toegelicht waarom de verdachte niet kan worden verplicht om bij een regiebijeenkomst aanwezig te zijn. De officier van justitie is en blijft verantwoordelijk voor een spoedige afronding van het opsporingsonderzoek. Die is niet afhankelijk van de medewerking van de verdachte.

Dan komen we bij het traineren van de voortgang, waarvoor de vraagsteller vreest. Dat wordt voorkomen door de regeling voor de beoordeling van getuigenverzoeken. Net als in het huidige wetboek bestaat die regeling uit een ruimhartig verdedigingsbelangencriterium voor verzoeken die tijdens de voorbereiding van de terechtzitting binnen een bepaalde termijn worden gedaan. Een strenger noodzaakcriterium geldt voor verzoeken die na afloop van die termijn of pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting worden ingediend. De wet verbindt dus wel degelijk een gevolg aan inactiviteit, namelijk dat het strengere noodzaakcriterium van toepassing wordt bij de beoordeling van die verzoeken.

Dat leidt zo te zien tot een vraag.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Dank, staatssecretaris, zeg ik via de voorzitter, maar dat noodzaakcriterium wordt ingevuld in het licht van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het lijkt er daarbij op dat al vrij snel aan die noodzaak toegekomen wordt en dat het procesbelang van het horen van die getuigen op de zitting eigenlijk gegeven wordt. In hoeverre is denken dat die trechter gaat werken — laat ik het maar gewoon heel plat zeggen — wensdenken?

Staatssecretaris Rutte:

Hoe je het ook wendt of keert, in het vooronderzoek, dus voordat een zaak echt ter terechtzitting komt, worden getuigenverzoeken op een heel ruimhartige wijze toegekend of gegund; dat kan echt in het voordeel zijn van de verdediging, net als de wetenschap dat daar ruimhartig mee wordt omgegaan. Zeker, het kan zijn dat het Europese Hof zegt dat het noodzaakcriterium niet te strikt mag worden toegepast; dat klopt. Dat neemt niet weg dat een verdachte en de verdediging in ieder geval het risico nemen om toch nul op het rekest te krijgen als men later tot een getuigenverzoek komt, dus tot een verzoek om getuigen te horen. Dat zullen we dus langs die lijn moeten beoordelen. Ik geloof dat de heer Knigge daar nog iets aan wil toevoegen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Ik denk dat u … "De vinger op de zere plek" wil ik niet zeggen. U legt die op de goede plek. Het is inderdaad zo dat het ondervragen van een getuige à charge een recht van de verdachte is. Dat kan je in het licht van artikel 6 EVRM niet makkelijk kortwieken of aan voorwaarden binden. Dat is dus ook het hele probleem waarom de gedachte die er aanvankelijk achter de beweging naar voren zat, om getuigen in het vooronderzoek door de rc te laten horen, uiteindelijk niet levensvatbaar is gebleken. Dat zou vroeg of laat in strijd komen met artikel 6 EVRM. Het is dus inderdaad zelfs zo dat, als het om getuigen à charge gaat, een verdachte die geen gebruikmaakt van de mogelijkheid getuigen voor de zitting te ondervragen, vaak nog in de gelegenheid moet worden gesteld om die op de zitting te ondervragen.

Voor getuigen à décharge is het anders. Bij hen zal de rechter minder welwillend kijken naar verzoeken die pas op de zitting worden gedaan. Maar bij getuigen à charge kun je er soms niet aan ontkomen. Het is niet altijd zo, want de jurisprudentie van de Hoge Raad zegt ook wel: je mag meewegen of het proces as a whole fair is geweest. Het kan dus best zijn dat zo'n verzoek, hoewel het een getuige à charge is, mag worden afgewezen, omdat het in het geheel van de bewijsvoering een ondergeschikte rol speelt. In die zin speelt het dus wel mee.

Een ander punt is dat we in onze eigen procescultuur misschien altijd de bal bij de verdachte leggen wat betreft het horen van getuigen op de zitting, terwijl het een recht van de verdachte is om die getuigen op de zitting te kunnen ondervragen. Vanuit Europeesrechtelijk perspectief ligt er eigenlijk een verplichting bij de justitiële autoriteiten om te zorgen dat die getuige op de zitting aanwezig is. Eigenlijk zou je kunnen zeggen: daar hoeft een verdachte niet om te vragen; die zou daar gewoon moeten zijn, zoals ook in veel buitenlandse rechtsstelsels het geval is.

De vraag is dus de volgende. Als je werkelijk een verschuiving naar voren wilt, ligt daarvoor dan geen rol voor de officier van justitie? Moet die er niet voor zorgen dat een getuige al bij de rc wordt ondervraagd, zodat de verdachte daar zijn ondervragingsrecht kan uitoefenen? Of ligt het op de weg van de officier van justitie zelf om, als hij de procesinleiding uitbrengt, aan te geven dat hij de getuige graag op de zitting wil horen over wie hij zegt dat die een cruciale rol spelen in zijn bewijsvoering, die door de verdachte wordt bestreden? Dat is een wat andere benadering. Het vraagt een andere procescultuur. Maar wat u aangeeft is precies de reden waarom je met het sanctioneren van het niet indienen van verzoeken uiteindelijk niet zo veel verder komt.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Dank, ook aan de regeringscommissaris. Ik snap één argument, namelijk het beperkte risico dat je loopt; dat zou je moeten willen voorkomen als verdediging, dus misschien heeft dat versnelling. Maar ik wil eigenlijk reageren op wat de heer Knigge zegt, namelijk of het niet aan het Openbaar Ministerie is om belangrijke getuigen à charge te horen. De heer Knigge stelt het als een vraag, maar kan de staatssecretaris dat bevestigen? Zijn er dan ook maatregelen genomen om deze wijziging in de cultuur van procederen daadwerkelijk te realiseren, namelijk dat het OM nadrukkelijk motiveert wat zijn sleutelgetuigen zijn en op welke wijze het ervoor zorgt dat die getuigen ook door de verdediging kunnen worden ondervraagd?


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

De heer Recourt raakt aan een punt dat eigenlijk ook een implementatievraagstuk is. Het is niet specifiek vastgelegd in het Wetboek van Strafvordering dat dit moet. Maar een terecht punt is wel dat je zo meteen met die nieuwe spelregels met elkaar een werkwijze moet gaan vinden in de keten om zo doelmatig en zo goed mogelijk te komen tot een werkwijze die klopt, ook in verhouding tot de juiste rechtsbescherming. Dit is daarbij wel een aangelegen punt om aandacht voor te hebben.

De heer Dittrich i (D66):

Een belangrijke doelstelling van de beweging naar voren is het verkorten van de doorlooptijden, zodat het sneller, soepeler maar zorgvuldig gaat. Nu hebben we ook signalen ontvangen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak dat het helemaal niet zeker is dat dit gaat gebeuren. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus eigenlijk de volgende. Als blijkt, bijvoorbeeld bij de invoeringstoets of misschien bij de evaluatie, dat die doelstelling helemaal niet gehaald wordt, wat zijn dan de mogelijkheden van de staatssecretaris om toch die hoofddoelstellig, te weten verkorting en snelheid, te bereiken?

Staatssecretaris Rutte:

Ik kom zo meteen bij het onderdeel implementatie nog op veel van deze punten terug. We brengen veranderingen aan in de flow van het strafproces door wat meer dingen aan de voorkant te doen, opdat later in het proces zaken doelmatiger en beter kunnen gaan, zaken beter worden gepland en er minder vertragingen zijn et cetera. Daar zien we absoluut winst. We hopen dat die twee dingen uiteindelijk met elkaar in balans zullen zijn. Dat is ook wel het uitgangspunt. De extra inspanning die we aan de voorkant doen vraagt er ook wel degelijk om dat bijvoorbeeld de functie van de rechter-commissaris wordt versterkt. Er zal binnen de rechtspraak echt wat voor moeten worden gedaan. Die extra inspanning zal uiteindelijk weer tot doelmatigheidswinst later in de keten leiden. Maar het is absoluut een implementatievraagstuk dat we samen met de rechtspraak zullen moeten oppakken en waarbij we ook de vinger aan de pols moeten houden. De invoeringstoetsen doen we niet voor niks, namelijk om dit soort zaken heel goed te kunnen volgen en monitoren.

Ik ga door. De heer Talsma vroeg: hoe verdraagt de uitvoerbaarheid van de regierol van de rechter-commissaris zich met het moment waarop de voorzitter en zittingsrechters aan een zaak gekoppeld worden? Is het gevaar niet groot dat van regievoering door de rechter-commissaris weinig terechtkomt, naarmate de koppeling van rechters en zaak later plaatsvindt? Zeker naarmate de strafzaak groter is en dus kennis moet worden genomen van een in de tijd uitdijend dossier, zullen onderzoekswensen waar mogelijk door dezelfde rechter-commissaris worden uitgevoerd. "Waar mogelijk" is wel het uitgangspunt. Als een zaak vervolgens ter berechting wordt aangebracht, is het werken met een vaste voorzitter en zittingscombinatie een goede waarborg voor de continuïteit en kennis van het dossier, met name in grotere strafzaken.

In de huidige praktijk gebeurt dit al in veel gevallen. Personele wisselingen in de zittingscombinatie zijn echter in de loop der tijd ook onder het nieuwe wetboek onvermijdelijk, temeer naarmate het onderzoek in een strafzaak langer duurt. Dit hoeft echter niet ten koste te gaan van de regievoering, want de regie ter voorbereiding van het onderzoek op de terechtzitting, inclusief het nemen van voorzittersbeslissingen kan ook door een andere rechter worden gedaan dan de rechter die uiteindelijk voorzitter is van de meervoudige kamer die einduitspraak doet in de strafzaak. Bijvoorbeeld door een ander lid van de meervoudige kamer of door een zogenoemde poortrechter. Ook hiermee is in de huidige praktijk al veel ervaring opgedaan. Dit kan voor bepaalde typen zaken juist efficiënt zijn en hoeft geenszins invloed te hebben op de kwaliteit van de inhoudelijke behandeling. Het doet ook niet af aan de eindverantwoordelijkheid van de zittingscombinatie voor de inhoudelijke beoordeling van de zaak. Het is aan de rechtspraak om te komen tot efficiënte interne werkprocessen rondom te zittingsvoorbereiding. Ook de nodige afstemming tussen de rechter-commissaris en de zittingsvoorbereiding kan op een efficiënte en praktische manier worden georganiseerd. Ook hierbij zie je dus wel het belang van de werkafspraken die moeten worden gemaakt nadat wij dit wetboek hebben aangenomen en voordat het geïmplementeerd kan worden. Allerhande elementen zullen het strafproces raken, dus ook deze vallen daaronder.

Mevrouw Van Bijsterveld zei: het succes van de regierol van de rechter-commissaris hangt niet af van de wet, maar bijvoorbeeld van institutionele discipline en rechterlijke assertiviteit. De rest van de strafrechtketen moet meebewegen en zich schikken naar nieuwe rollen. Hoe maakt men zich nieuwe rollen eigen en worden oude patronen doorbroken? Dat andere actoren binnen het strafproces zich zouden moeten richten naar de regie van de rechter-commissaris: dat is een beetje een onjuiste voorstelling van zaken. De positieve effecten van de beweging naar voren, waar de versterking van de regierol van de rechter-commissaris onder valt, kunnen vooral worden bereikt als alle actoren vanuit hun eigen rol de mogelijkheden die het nieuwe wetboek biedt, gaan benutten. Voorafgaand aan de procesinleiding ligt de verantwoordelijkheid om de zaken met een afgerond onderzoek ter berechting aan te brengen bij de officier van justitie die de regie en de leiding over het opsporingsonderzoek heeft.

De rechter-commissaris kan zijn wettelijke bevoegdheden desgevraagd inzetten en bijdragen aan de volledigheid en evenwichtigheid van het opsporingsonderzoek. Nadat de procesinleiding is ingediend, is de voorzitter verantwoordelijk voor een vlotte planning en voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De verdachte wordt gestimuleerd om actief en tijdig van zijn verdedigingsrechten gebruik te maken. Het is aan de rechtspraak om in samenspraak met het Openbaar Ministerie en de advocatuur te komen tot goede werkprocessen rond de zittingsvoorbereiding. De beweging naar voren vergt dus een goede samenwerking tussen alle actoren en een proactieve attitude van alle procesdeelnemers. Het wetboek faciliteert die nieuwe werkprocessen en het benutten van best practices.

Een vraag van de heer Dittrich. Het nieuwe stelsel vraagt meer initiatief, meer procesinzicht en een snellere besluitvorming. Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot rechtsongelijkheid tussen mondige en minder mondige verdachten? Vooraf: er is altijd een spanning tussen mondige en minder mondige verdachten. Wie gaat kijken in een gevangenis, ziet daar vooral toch veel minder mondige mensen opgesloten zitten, zeg ik in alle eerlijkheid. En er is een kleine toplaag van razend slimme, hele gevaarlijke, hele mondige mensen. Die minder mondige zijn toch vaker het slachtoffer, ook nu al. Het is dus wel terecht dat we daar oog voor hebben. Er is echter geen aanleiding om te veronderstellen dat het nieuwe wetboek leidt tot rechtsongelijkheid tussen mondige en minder mondige verdachten. De veronderstelling dat het nieuwe stelsel eerder of meer actie vereist van de verdachte, is dan ook onjuist. Het wetboek stimuleert met verschillende voorschriften dat de verdachte zich vroegtijdig bewust is van zijn verdedigingsrechten, en dat deze daar dan ook gebruik van kan maken. De verdachte wordt op meerdere momenten geïnformeerd over zijn recht op onderzoek, rechtsbijstand en kennisneming van de processtukken. De verdediging kan vanaf het eerste verhoor van de verdachte tot aan de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting onafgebroken verzoeken tot nader onderzoek indienen bij de rechter-commissaris. Ook na indiening van de procesinleiding kan de verdachte verzoeken richten aan de voorzitter van de rechtbank, bijvoorbeeld om getuigen voor de terechtzitting te doen oproepen. Net als onder het huidige wetboek worden verzoeken die voorafgaand aan de terechtzitting worden gedaan, ruimhartig beoordeeld, en dat wordt wat strenger indien deze pas tijdens het onderzoek op de terechtzitting worden gedaan. Daar had ik net met de heer Recourt een gesprek over.

De keuze om pas in een laat stadium onderzoekwensen te doen terwijl dit ook eerder had kunnen worden gedaan, kan dus wel degelijk consequenties hebben. Dat wordt niet anders door het nieuwe stelsel of door de beweging naar voren. De rechter moet in de gaten houden of er is voldaan aan de vereisten die op basis van artikel 6 EVRM aan een eerlijke berechting worden gesteld. Dit geldt uiteraard temeer bij een verdachte die niet van rechtsbijstand is voorzien en die mogelijk de te maken afwegingen wellicht niet overziet. In zo'n geval zal de rechter er extra alert op zijn dat de verdedigingsrechten kunnen worden uitgeoefend. Ik denk dat eenieder die weleens bij een strafzaak is geweest, ook weet dat het in de praktijk zo gaat: rechters vergewissen zich daarvan. En dat verandert niet.

We komen weer op het rechtenmodel en op het wensdenken. Daar is net al wat over gewisseld. Wellicht dat ik met mijn beantwoording nu nog tot nieuwe inzichten ga komen. Als dat zo is, dan veert de heer Recourt op. Of hij blijft juist zitten. Dan denkt hij: dat is precies wat ik horen wilde. Zoals net gezegd is over de terechte wens: het model is geen wensdenken. Het stimuleert wel degelijk het tijdig indienen van onderzoekwensen die door het getuigenverzoek aanvankelijk ruimhartig worden beoordeeld. Daar hebben we het net over gehad. Die rechter-commissaris kan gedurende het hele opsporingsonderzoek ononderbroken worden benaderd met verzoeken om een getuige te verhoren. Voor de verdachte kan dit ook vroeg in de procedure wenselijk zijn om te bereiken dat zijn verdenking in een ander daglicht komt te staan. Na indiening van de procesinleiding heeft de verdachte de mogelijkheid om te verzoeken tot het oproepen van getuigen op de terechtzitting. Als de verzoeken binnen de wettelijke termijn worden gedaan, worden die nog steeds ruimhartig beoordeeld. Ook dan kan er aanleiding zijn om met instemming van beide procespartijen het verhoor aan de rechter-commissaris op te dragen.

Voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is het ondervragen van een getuige op de terechtzitting weliswaar het uitgangspunt, maar het Hof heeft in zijn jurisprudentie over het ondervragingsrecht ook gewezen op het belang van bescherming van bijvoorbeeld kwetsbare getuigen. Het oproepen van de getuige voor de terechtzitting kan dan ook worden geweigerd met het oog op het welzijn van de getuige. Verzoeken die pas tijdens het onderzoek op de terechtzitting worden ingediend, worden, zoals gezegd, strenger beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium. Dit wordt niet anders door de beweging naar voren. De keuze om pas in het laatste stadium onderzoekswensen te doen, terwijl dit ook eerder had kunnen worden gedaan, kan dus wel degelijk consequenties hebben.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Ik wil de wensdenkdiscussie niet kapen en zeker niet overnemen, maar die gedachte aan dat wensdenken bekruipt me dan toch weer wel. Hoe realistisch is het nou, vraag ik aan de staatssecretaris, dat een verdachte die nog niet voorzien is van rechtsbijstand, bijvoorbeeld omdat zij of hij gewoon niet in voorlopige hechtenis zit, al wel allerlei onderzoekswensen gaat opgeven zonder dat daar een advocaat aan te pas gekomen is? U had het net over iedereen die weleens bij een strafzaak is geweest. Ik zie dat nog niet zo een, twee, drie gebeuren, eerlijk gezegd. Ik heb nog een vervolgvraag. U had het over de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Je zou je kunnen afvragen of iemand die vervolgens alsnog wordt voorzien van rechtsbijstand dan niet eigenlijk een soort herhaalverzoek doet. Die zegt dan: ik heb die getuige al eens eerder gehoord, maar nu heb ik een advocaat en die wil ook nog vragen stellen. Dan kun je eigenlijk, realistisch gezien, in lijn met EHRM-jurisprudentie, dat verzoek niet alsnog weigeren. Daar zit ik een beetje mee te worstelen. Gaat dat niet eigenlijk meer werk opleveren dan in de huidige praktijk of dan nu voorzien of voorgesteld wordt?

Staatssecretaris Rutte:

De heer Knigge gaf net in zijn beantwoording al aan dat een rechter, als er ter terechtzitting wordt gevraagd of een getuige nog een keer gehoord mag worden, dat inderdaad zal toekennen, zeker als er veranderingen zijn geweest bij de verdediging en dat in het belang is van de verdachte. Dat kan wel degelijk. Dat staat los van het feit dat het nieuwe strafprocesrecht de mogelijkheden biedt om veel meer aan de voorkant, ten behoeve van de vervolging, maar ook ten behoeve van de verdachte, mensen te horen, daarin ondersteuning te bieden, mensen erop te attenderen dat dat beter en anders kan. We kunnen het niet afdwingen. Dat heeft de heer Knigge net ook al gezegd. We kunnen niet afdwingen dat alles aan de voorkant gebeurt. We kunnen het wel maximaal faciliteren en de verdachte daar ook zo goed mogelijk in meenemen, opdat die zich ook gefaciliteerd voelt om eerder mensen te horen. Zo moeten we het dus zien. Is het wensdenken? Nee. Ik denk dat de heer Knigge dit nog wil aanvullen. Het gaat niet alleen maar om wensdenken. We faciliteren het maximaal, maar dat is wat anders dan dat je het kunt afdwingen. Zo ver gaat de wet niet.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Ik reageer even op uw uitgangspunt van denken, dat de verdachte in het begin nog niet van rechtsbijstand is voorzien als hij niet in voorlopige hechtenis zit. Dat is nou juist een belangrijk punt dat door de beweging naar voren verandert. Naar geldend recht moet je de dagvaarding uiterlijk tien dagen voor de zitting uitbrengen. Dan kan een verdachte enorm worden overvallen. Dan moet hij over tien dagen terechtstaan. Dan heeft hij nog geen advocaat en moet hij dat allemaal nog organiseren. Zijn onderzoekswensen moet hij uiterlijk drie dagen voor de zitting gedaan hebben, geloof ik. Dan plaats je de verdachte inderdaad in een heel moeilijke rol om zijn onderzoekswensen naar voren te brengen. Maar nu beginnen we met een procesinleiding. Vanaf dat moment worden de processtukken automatisch door de officier aan de verdediging ter beschikking gesteld. Dan heeft de verdachte ruim de tijd om een raadsman te zoeken, want hij hoeft pas na uiterlijk zes weken — dat is de termijn die de wet biedt — zijn onderzoekswensen in te dienen. Op verzoek kan die termijn ook nog worden verlengd door de voorzitter van de rechtbank. De mogelijkheid voor de verdachten om gedegen en onderbouwde onderzoekswensen te doen, is dus enorm vergroot in het huidige wetboek. Daar wil ik dan meteen aan toevoegen dat het dus niet alleen maar een efficiencyoperatie is, die beweging naar voren, maar wel degelijk ook een operatie die de kwaliteit van de besluitvorming ten goede komt, juist omdat de verdediging veel meer mogelijkheden heeft om voorafgaande aan de zitting zijn verdediging voor te bereiden en zijn onderzoekswensen te doen.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

De kans om de heer Knigge te interrumperen laat ik me niet ontnemen. Ik dank hem voor zijn reactie. Ik deel zijn analyse dat de mogelijkheden om onderzoekswensen te doen juist worden vergroot. In die zin is het wat mijn fractie betreft echt een grote stap vooruit. Waar mijn fractie alleen twijfels bij heeft, is of daarnaast ook die efficiencyslag gemaakt gaat worden. Als het aan de voorkant niet gebeurt, dan moet het uiteindelijk, zoals de staatssecretaris net zei, toch op zitting gebeuren. Dan wordt de vraag een beetje of het dan daadwerkelijk op zitting gaat gebeuren. Dat zijn we in de Nederlandse strafvordering natuurlijk niet zo gewend. Of gaat de zaak dan alsnog weer terug naar de rechter-commissaris voor het horen van één, twee, drie of twintig getuigen? Zijn we dan eigenlijk niet gewoon terug bij af? Zo gaat het nu namelijk ook al.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

U heeft groot gelijk. De praktijk zal moeten leren hoe dat uitwerkt en in hoeverre de verdediging gebruikmaakt van de mogelijkheden die haar geboden worden. Ik kan er nog wel aan toevoegen dat er in, als ik het uit mijn hoofd zeg, de tweede aanvullingswet nog een aanvulling in gedachten is, namelijk dat de voorzitter van de rechtbank de verdediging kan vragen of zij onderzoekswensen heeft. Als de verdediging daar geen antwoord op geeft of te kennen geeft dat zij geen onderzoekswensen heeft, kan dat, onder alle mitsen en maren die erbij horen, worden beschouwd als een afstand van recht. Daar gaat dus wellicht iets meer stimulans van uit om tijdig met onderzoekswensen te komen. Maar goed, dat is iets wat nog in de pijplijn zit.

De voorzitter:

De staatssecretaris, wederom.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

Dan ga ik door met een vraag van de heer Dittrich. Hij stelt terecht dat Nederland bekendstaat om een efficiënt strafproces. Hij spreekt de zorg uit of die efficiency op termijn niet de kern van het strafproces, namelijk openbaarheid en maatschappelijke controle, onder druk kan zetten. Hij vraagt in hoeverre we daardoor uit de pas lopen met andere Europese landen, waar openbare getuigenverklaringen gebruikelijker zijn. Bij de meeste strafzaken wordt ook nu al gebruikgemaakt van getuigenverklaringen die zijn afgelegd in het vooronderzoek, zonder dat deze getuigen op de zitting worden gehoord. De inhoud van deze afgelegde verklaringen wordt wel op de openbare terechtzitting besproken. De heer Dittrich heeft gelijk dat deze procescultuur verschilt met veel van de ons omringende landen, die een veel onmiddellijker procesvoering kennen. Vaak gaat dat ook gepaard met bijvoorbeeld juryrechtspraak. Dat hoeft niet, maar vaak is het wel zo. Voor het verhoren buiten de zittingszaal zijn goede redenen, die mede maar niet uitsluitend gelegen zijn in efficiency. Een verhoor buiten de zittingszaal kan ook bijdragen aan de waarheidsvinding en is minder belastend voor met name een kwetsbare getuige. Om die reden bestendigt het nieuwe wetboek deze situatie, die door de rechtspraktijk ook als waardevol wordt beschouwd.

Dan kom ik bij de gebundelde vragen van de heer Recourt, de heer Dittrich en mevrouw Van Bijsterveld over het versterken van het bureau van de rechter-commissaris. Zij vragen of er een realistische inschatting is gemaakt van het beslag dat die beweging naar voren heeft op de capaciteit binnen de rechtspraak. Als ik het mag samenvatten, is de vraag ongeveer: past dat allemaal wel? Het samenstel van regels, dat bekendstaat als "de beweging naar voren", strekt tot een betere voorbereiding van het onderzoek ter terechtzitting. Dat doel wordt onder meer bereikt door het opheffen van de 90 dagenregel en door de rechter-commissaris doorlopend bevoegd te maken tot het verrichten van onderzoek. Dat brengt inderdaad mee dat er werkverschuiving plaatsvindt binnen de rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak verwacht daarom dat de kabinetten van de rechter-commissaris versterkt moeten worden. Daarnaast zijn er ook meer regievoerende voorzitters nodig en komt er meer druk op de logistiek van het plannen en roosteren in de verkeerstorens.

In een implementatieronde wordt verder gewerkt aan nieuwe werkprocessen, waardoor er meer duidelijk zal worden over de exacte werklasteffecten. De daadwerkelijke omvang van werklasteffecten hangt daarnaast sterk af van de mate waarin de praktijk gebruik zal maken van de mogelijkheden die het nieuwe wetboek biedt. Het nieuwe wetboek biedt immers ook kansen om werkprocessen te stroomlijnen en om efficiënter te werken. We verwachten dat de strafrechtketenorganisaties zich maximaal inspannen om die kansen te benutten. Het thema van de beweging naar voren wordt na invoering van het nieuwe wetboek betrokken bij de invoeringstoets. Die aanpak stelt de regering in staat om tijdig bij te sturen indien nodig. Het opleidingstraject voor zowel de nieuwe als de bestaande rechter-commissarissen start in 2028. Zoals ik net al tegen de heer Dittrich zei, moet er zeker aan de voorkant in de keten worden geïnvesteerd. De verwachting is wel dat het daardoor verderop in de keten tot een mindere last zou moeten leiden. De exacte vorm daarvan hangt af van hoe dit wordt geïmplementeerd. Als er nieuwe inzichten zijn vanuit de invoeringstoets, worden die tijdig met de Kamers gedeeld en dan kunnen we daarop anticiperen.

De heer Talsma zegt: te veel nadruk op snelheid kan ten koste gaan van de grondigheid van het onderzoek. Maar ik houd even op, want volgens mij wil de heer Recourt reageren.

De voorzitter:

Er is inderdaad een interruptie van de heer Recourt.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Het blokje was heel snel afgelopen. Ik hoor eigenlijk nergens iets over extra geld. Is dat omdat dan de verwachting is dat de achterkant de voorkant een beetje uitmiddelt? Of zie ik dat verkeerd?

Staatssecretaris Rutte:

Het antwoord daarop is "ja". Het kan anders worden. Het kan meevallen en het zou ook tegen kunnen vallen. Gemiddeld kom je dan uit bij het antwoord "ja".

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

De kans dat het tegenvalt, lijkt me aanwezig, ook na het horen van mensen uit de praktijk door deze Kamer. De kans dat het meevalt, lijkt me aanzienlijk minder aannemelijk. Mijn vraag is dus: waarop baseert de staatssecretaris dat het ook mee zou kunnen vallen?

Staatssecretaris Rutte:

Ik heb geen jarenlange ervaring als staatssecretaris, maar ik neem ongeveer een halfjaar mee. Ik weet wel dat bij iedere verandering, in welke keten dan ook, men op de vraag wat dat betekent, zegt: wij krijgen het er drukker van, we moeten meer geld hebben. Dat gebeurt altijd. Als ik in een van die organisaties zou werken, zou dat ook mijn standaardreactie zijn. Ik zou niet zeggen: nou, het kan wel met wat minder. Bij verandering is de eerste reactie per definitie: het wordt drukker, het wordt ingewikkelder, we moeten veranderen.

De verandering zelf kost inspanning en moeite; daar zijn we ons allemaal van bewust. Er is niet voor niets 450 miljoen euro gereserveerd om die verandering met elkaar door te kunnen maken. Voor het structurele deel moeten we het echt gaan bezien. We weten dat er absoluut, zeker meer aan de voorkant moet gebeuren, maar als die processen goed gaan lopen ... Ik denk dat de heer Recourt dit ook weet; hij is zelf rechter geweest. Als het daadwerkelijk lukt om in de planning van rechtszaken, vooral van de grote rechtszaken, doelmatigheidswinst te boeken door aan de voorkant dingen beter te doen, dan levert dat ook heel veel op. We zullen moeten zien hoe dat uitmiddelt. We moeten wel heel duidelijk de vinger aan de pols houden; we doen die uitvoeringstoetsen niet voor niks. Ik hoop dat ik hem daarmee een beetje gerust kan stellen. Zei ik "uitvoeringstoetsen"? De heer Dittrich corrigeert mij; het zijn invoeringstoetsen. Die zeggen ook iets over hoe we het hebben uitgevoerd daarna, maar dat is weer wat anders.

Ik ga door. De heer Talsma vroeg: "Er ligt te veel nadruk op de snelheid, die kan ten koste gaan van de grondigheid van het onderzoek en leiden tot bewijsproblemen en tot afbakeningskeuzes die gevolgen kunnen hebben voor bepaalde slachtoffers of benadeelde partijen. Hoe gaan we voorkomen dat de beweging naar voren een stap achteruit gaat worden?" Dit wetboek draagt bij aan snelheid, maar ook aan grondig onderzoek. Het doet geen afbreuk aan de positie van het slachtoffer en de benadeelde partij. De beweging naar voren kan bijdragen aan kortere doorlooptijden — dat hopen we ook allemaal; dat is wel de bedoeling — maar dat is in de eerste plaats door opheffing van zogenoemde pro-formazittingen, die onnodige wachttijden veroorzaken, en in de tweede plaats doordat de rechter meer mogelijkheden krijgt om te sturen op het procesverloop. Benodigd onderzoek voor de beoordeling van de strafzaak moet echter inderdaad zorgvuldig gebeuren en blijven gebeuren. In de nieuwe regeling kan de rechter-commissaris door de officier van justitie en de verdediging gedurende langere tijd en ononderbroken worden benaderd met onderzoekswensen. Na indiening van de procesinleiding heeft de verdediging ook nog alle gelegenheid om onderzoekswensen naar voren te brengen. Voordat de zittingsvoorzitter de inhoudelijke behandeling plant, beoordeelt hij of de zaak daarvoor voldoende rijp is.

Deze voorschriften brengen geen verandering in de positie van het slachtoffer en de benadeelde partij. Hun rechten blijven onaangetast. Het nieuwe wetboek draagt er zo aan bij dat het strafproces plaatsvindt op een wijze waarbij het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd. Dit omvat zowel het recht op afdoening van de strafzaak binnen een redelijke termijn als het recht op het kunnen uitoefenen van verdedigingsrechten, waaronder het recht te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten voor de voorbereiding van de verdediging en het recht getuigen te ondervragen.

Daarmee kom ik aan het eind van het eerste blokje, de beweging naar voren. Dan ga ik door naar de rechtsbijstand en de versterking van de rechten van de verdachte.

De voorzitter:

Staatssecretaris, kunt u voor mij nog even herhalen wat uw blokjes zijn? De beweging naar voren was blokje één.

Staatssecretaris Rutte:

Ja. We zijn nu in blokje twee, rechtsbijstand en de versterking van de rechten van de verdachte. Ik zal het hele pakket er even bij pakken. Ik ga daarna door met het onderwerp slachtoffers, beginselen en motivering. Dat blokje zal overigens worden gedaan door de heer Knigge. Er zijn vragen gesteld over het driesporenmodel, over de afdoening van strafzaken. We gaan door naar de rechtsmiddelen, hoger beroep en herziening. Dan hebben we nog de tenuitvoerlegging, dan het digitale strafproces, dan de implementatie en dan nog de datum inwerkingtreding. Het is me wat. Dan gaan we nog evalueren en is er de invoeringstoets, en tot slot concretisering flankerend beleid en cultuuromslag. En dan komt de minister nog met zijn blokjes. Ter geruststelling: het eerste blokje was wel het dikste blokje.

De voorzitter:

Dan hoop ik dat u net zo spoedig uw andere blokjes kunt behandelen.

Staatssecretaris Rutte:

Ik zal het proberen. We gaan door.

De voorzitter:

Ik zie nog een korte interruptie van de heer Nicolaï. Over de blokjes?

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik hoor over de rechten van de verdachte. In mijn bijdrage had ik gevraagd om tien voorbeelden te noemen waarin de rechten van de verdachte versterkt worden. Dat zou eigenlijk bij dit blokje thuishoren, tenzij de minister daarop gaat antwoorden.

Staatssecretaris Rutte:

Nee, dat zit in mijn pakket. Ik weet alleen niet meer precies in welk blokje, maar ik heb die antwoorden gezien. Daar kom ik zeker op terug. Dat antwoord volgt.

De voorzitter:

Blokje twee, als ik het goed heb.

Staatssecretaris Rutte:

Het is wel een beetje de cliffhanger van vandaag, maar dat komt goed.

Goed, rechtsbijstand en versterking van de rechten van de verdachte. Kan de minister klare wijn schenken over het antwoord dat tegen de achtergrond van de doelstelling van de beweging naar voren wordt onderzocht op welke wijze en in welke zaken het mogelijk zal worden gemaakt voor een verdachte voor wie niet in verband met voorlopige hechtenis een raadsman is aangewezen, om op basis van een aanvraag gesubsidieerde rechtsbijstand een raadsman toegevoegd te krijgen? De heer Talsma en ook de heer Dittrich vroegen daarnaar. Momenteel wordt door Significant onderzoek verricht naar de uitvoeringsconsequenties van het nieuwe wetboek voor de gefinancierde rechtsbijstand. Aan de hand van de onderzoeksresultaten zal worden gekeken of het nieuwe wetboek extra tijdsbesteding meebrengt voor de rechtsbijstandsverleners die moet worden meegegeven in de forfaitaire vergoeding. Daarbij wordt ook bekeken in hoeverre de aanvraag gesubsidieerde rechtsbijstand in een vroeg stadium kan worden gedaan met het oog op het indienen van de onderzoekswensen bij de rechter-commissaris, voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing. Het definitieve rapport wordt voor het einde van het eerste kwartaal van 2026 verwacht, dus zeer binnenkort. De resultaten worden toegelicht in de uitvoeringsparagraaf van de memorie van toelichting van de invoeringswet. U komt daar dan nog over te spreken.

Een vraag van de heer Recourt: wat wordt er gedaan om het recht op rechtsbijstand beter te laten functioneren en hoeveel geld is er gereserveerd voor de versterking van de sociale advocatuur? En weet ik ook al getallen te noemen met betrekking tot het voornemen van het aantredend kabinet om de sociale advocatuur te versterken? Met de bepalingen inzake de rechtsbijstand voorziet het nieuwe wetboek in een adequaat stelsel van waarborgen om ervoor te zorgen dat verdachten zo veel mogelijk van rechtsbijstand kunnen zijn voorzien. Bovendien wordt het recht op rechtsbijstand versterkt in het wetsvoorstel Wet versterking rechtsbijstand in het strafproces, dat binnenkort bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Bij de Voorjaarsnota van 2025 is vanaf 2027 30 miljoen euro structureel beschikbaar gemaakt en in 2026 zijn incidentele middelen gevonden om een groot deel van de aanbevelingen van de commissie-Van der Meer II dit jaar al door te voeren. Daarmee worden de vergoedingen van sociaal advocaten en mediators verbeterd. De daarvoor benodigde wetswijziging is per 1 februari 2026 in werking getreden. In het coalitieakkoord van het volgende kabinet wordt een investering van 75 miljoen in de rechtsstaat genoemd, waarvan een deel voor de sociale advocatuur is. Maar ik kan niet helemaal vooruitkijken op wat mijn opvolger precies met die middelen gaat doen.

De heer Nicolaï vraagt wat er speelt in het Marengoproces en de worsteling die daar lijkt te zijn met het vinden van een advocaat voor de verdachten in die zaak. Daarover moet ik eigenlijk een misschien wat onbevredigend antwoord geven, maar het is niet anders: ik kan niet op individuele zaken ingaan. Daar wou ik het voor nu bij laten.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik denk dat de staatssecretaris gelijk heeft dat we hier niet op het Marengoproces moeten ingaan, maar mijn vraag was een algemene. Als er in welk proces dan ook geen raadsman te vinden is, kan dat tot de situatie leiden dat de rechter zal zeggen: ik ga echt het proces niet voeren zonder raadsman. En doordat het proces wordt opgehouden, gaat de redelijke termijn waarbinnen een uitspraak moet komen — artikel 6 — verstrijken. Hoe moeten we daarmee omgaan? Is dat voorzien in dit wetboek? Er werd al even gesproken over andere zaken en over dat je een soort procesbewaker kan aanstellen. Daar is ook niet in voorzien. We hebben dat met Milosević gezien. We hebben bij die schietpartij in Utrecht gezien dat er op een gegeven moment door de rechtbank is gezegd: moeten we niet aan zo'n situatie denken? Het kan gaan spelen, maar er is niet in voorzien. Mijn vraag was: is dat niet een lacune en moeten we op korte termijn niet eens nadenken over hoe daar een regeling voor te verzinnen is?

Staatssecretaris Rutte:

Dat is een iets andere vraag, maar ik snap die wel; ik snap die zeker. Die raakt wel degelijk aan de concrete zaak waarnaar ik net verwees. Daar komt deze vraag heel nadrukkelijk vandaan. Of het direct te maken heeft met het nu voorliggende wetsvoorstel weet ik niet precies, maar de vraag of iemand een advocaat kan vinden en wat dat doet met het proces, is natuurlijk wel gerelateerd aan het strafprocesrecht. In die zin snap ik de vraag. De Raad voor Rechtsbijstand kan een advocaat enkel aanwijzen als deze bereid is zijn diensten te verlenen. Dat betreffende de verdachte. Als de Raad voor Rechtsbijstand er in een concreet geval niet in slaagt om een raadsman aan te wijzen, kan een verdachte die geen rechtsbijstand heeft de deken op grond van artikel 13 van de Advocatenwet verzoeken een advocaat aan te wijzen. De door de deken aangewezen advocaat is dan verplicht zijn diensten te verlenen. De deken kan het verzoek om gegronde redenen ook weer afwijzen. Wanneer de verdachte toch zonder advocaat blijft zitten, zal met de betrokken ketenpartners gezamenlijk naar een oplossing moeten worden gezocht zodat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd. U suggereerde zelf al een paar manieren om tot een oplossing te komen. Partijen zullen dan de hoofden bij elkaar moeten steken om tot een oplossing te komen. Het is wel zo dat de vertraging die optreedt, er niet toe kan leiden dat de verdachte vrijkomt.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen: dan moeten ze gezamenlijk naar een oplossing zoeken. Maar als er binnen de bestaande wetgeving geen oplossing gevonden kan worden — dat was mijn veronderstelling, tenzij de staatssecretaris mij kan vertellen waar die oplossing dan wel te vinden is — hebben we een probleem. Als er dus geen wettelijke bepaling in het Wetboek van Strafvordering is die daarin voorziet, hebben we een probleem. Dat was mijn vraag. Is er niet gewoon een lacune? Ik vind het prachtig als er gezegd wordt dat ze eerst maar eens moeten kijken of er een oplossing te vinden is. Daar zijn ze alsmaar mee bezig en dat gebeurt niet. Moet er niet nagedacht worden over een regeling daarvoor? Het kan best zijn dat we dat misschien in de tweede termijn moeten bespreken. Of misschien kan de rapporteur er iets over zeggen. Misschien moeten we er in de tweede termijn nog eens over nadenken. Ik moet eerlijk zeggen dat het antwoord dat de staatssecretaris mij nu geeft, niet een antwoord op mijn vraag is.

Staatssecretaris Rutte:

In algemene zin ben ik volgens mij het pad afgelopen zoals het kan en moet. Op het moment dat die eerste twee formele stappen niet tot een directe oplossing leiden, komen we inderdaad op het punt dat partijen de hoofden bij elkaar moeten steken om te bekijken hoe ze dat met elkaar oplossen. Daarbij zijn verschillende modaliteiten denkbaar. Maar als ik daarover ga zitten filosoferen, ga ik alweer veel te ver in op de individuele zaak die iedereen hier in z'n gedachten heeft. Daar ben ik nu niet toe bereid.

De voorzitter:

Dank u wel. U vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Rutte:

Dank u wel. We gaan door met het blokje slachtoffers. De heer Recourt vroeg: "Hoe beoordeelt de minister de vrees dat het spreekrecht wordt uitgehold doordat zaken niet meer op zitting komen als procesafspraken worden gemaakt of een OM-strafbeschikking wordt uitgevoerd? Worden de belangen van slachtoffers, zoals een schadevergoeding, maar ook dier perspectief op de ernst van een misdrijf voldoende meegewogen? Zijn er alternatieven om het belang mee te wegen?" In het wetsvoorstel …

De voorzitter:

Staatssecretaris, zou u iets meer in de microfoon kunnen praten?

Staatssecretaris Rutte:

Dat kan, denk ik, wel. Dat zou moeten kunnen. Ik ben ook een beetje verkouden. Misschien speelt dat mee. Eens even kijken of we het zo kunnen doen.

In het wetsvoorstel voor de eerste aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering is een regeling van procesafspraken opgenomen. Daarin wordt ten opzichte van het huidige recht de positie van het slachtoffer bij het maken van procesafspraken versterkt. Dit wetsvoorstel zal op zeer korte termijn bij de Tweede Kamer worden ingediend. Ik wil daarop niet vooruitlopen, maar we komen daar nog wel over te spreken. Nou, niet "we", maar u komt daar met mijn opvolger over te spreken. Bij de afdoening met een strafbeschikking weegt de officier van justitie de belangen van de slachtoffers nadrukkelijk mee. In de strafbeschikking kan de officier van justitie de schadevergoedingsmaatregel opleggen, waarbij ook de voorschotregeling van toepassing is. Verder kan het slachtoffer ook als een zaak met een strafbeschikking wordt afgedaan, een schriftelijke slachtofferverklaring indienen. Tot slot heeft het slachtoffer de mogelijkheid om tegen de afdoening met een stafbeschikking beklag in te dienen bij het gerechtshof. Al met al wordt bij het uitvaardigen van de strafbeschikking op passende wijze recht gedaan aan de rechten van de belangen van slachtoffers. Dat leidt tot een reactie.

De heer Schalk i (SGP):

Nog even naar dat slachtoffer toe: als het een strafbeschikking wordt, terwijl de impact op het slachtoffer bij sommige delicten enorm is, kan dat bij zo'n slachtoffer toch overkomen alsof het een beetje weggemoffeld wordt. Heeft het slachtoffer daar dan nog invloed op? Kan diegene dan zeggen: ik kan eigenlijk gewoon niet akkoord gaan met een strafbeschikking; hier moet gewoon een uitspraak komen die openbaar is?

Staatssecretaris Rutte:

Ja, dat kan inderdaad, maar dan moet het slachtoffer een beklag indienen bij het gerechtshof. Als het echt niet acceptabel wordt gevonden, dan kan dat op die manier. Laten we hopen dat het niet hoeft, dat de belangen zo worden meegewogen dat het niet zover komt, maar dit is wel de procedurele weg die gevolgd kán worden.

De heer Schalk (SGP):

Ik heb dat niet helemaal scherp, maar misschien heeft de staatssecretaris dat wel. Is er in het voortraject daarvan dan overleg met het slachtoffer over de reden waarom het via een strafbeschikking wordt afgedaan, zodat het slachtoffer ook de ruimte krijgt om in een vroeger stadium aan te geven dat dat echt onacceptabel geacht wordt, in plaats van dat je het hele proces hebt gehad en uiteindelijk een beklag moet indienen? Want wat zou dat dan nog voor gevolg hebben? Dat het nog een keer overgedaan wordt of zo?

Staatssecretaris Rutte:

Bij een strafbeschikking is het pad natuurlijk anders dan bij een zaak die ter terechtzitting komt, maar de officier van justitie heeft nadrukkelijk de opdracht om de belangen van een slachtoffer mee te wegen. Die kan ook maatregelen opleggen, bijvoorbeeld een schadevergoedingsmaatregel. Het slachtoffer moet dus wel gezien worden en daarin gekend worden. Die belangen moeten nadrukkelijk worden meegewogen. Dat neemt niet weg dat ik mij kan voorstellen dat het voor een slachtoffer uiteindelijk beter voelt als iets echt ter terechtzitting wordt aangebracht. Anderzijds kan met een strafbeschikking ook een zaak afgedaan zijn waarbij de belangen van de slachtoffers zijn gekend en kan de zaak daarmee ook afgerond worden. Ik kan er dus niet helemaal van tevoren in treden of het altijd beter is, maar ik heb wel begrip voor de gevoelens die dit bij een slachtoffer kan oproepen. De heer Knigge wil daar nog iets aan toevoegen, begrijp ik.

De voorzitter:

De heer Knigge en dan de heer Schalk.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Een kleinigheidje. Een slachtoffer kan ook klagen bij het gerechtshof als er een strafbeschikking is opgelegd. Hij hoeft zich daar dus niet bij neer te leggen; wat nu de art. 12 Strafvordering-procedure is, biedt ook de mogelijkheid om over het opleggen van een strafbeschikking te klagen. Als dat beklag gehonoreerd wordt, zal de officier van justitie de zaak alsnog op de zitting moeten aanbrengen.

De heer Schalk i (SGP):

Dank aan de staatssecretaris, en natuurlijk ook aan de heer Knigge, maar ik stel dan maar meteen de vraag: op welk moment kan je dan klagen? Is dat als de strafbeschikking is opgelegd? Dan is het achteraf. En wat gebeurt er dan? Stel je voor dat die klacht gegrond is; dat is één. Twee: in de fase daarvoor kan het zo zijn dat een slachtoffer bijvoorbeeld publiek enorme schade heeft opgelopen en eigenlijk ook publiek ter rechtszitting genoegdoening wil. Moet daar in het voortraject dan op de juiste manier weging aan gegeven worden?

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Dat heeft de staatssecretaris aangegeven. Dat is in principe het uitgangspunt: dat zeker in gevoelige zaken met het slachtoffer wordt overlegd en dat er rekening wordt gehouden met de belangen van het slachtoffer. Dat is vers één. Vers twee is dat er ook nog een uitlaatklep aan de achterkant zit. Als de officier van justitie ondanks alle overleggen of misschien zonder overleg een strafbeschikking uitvaardigt, dan kan het slachtoffer daarover zijn beklag doen. Zoals ik al zei, zal dat bij gegrondvinding van het beklag ertoe leiden dat de zaak op de zitting wordt behandeld.

De voorzitter:

Tot slot nog, meneer Schalk.

De heer Schalk (SGP):

Tot slot, nog heel kort: dat zou dus kunnen betekenen dat de strafbeschikking is gegeven en dat het proces wordt heropend?

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Dan wordt de strafbeschikking vernietigd.

De heer Janssen i (SP):

Toch nog even iets op dit punt. Ik hoorde de heer Knigge namelijk iets zeggen wat de staatssecretaris volgens mij niet gezegd heeft. De heer Knigge zei dat de staatssecretaris gezegd had dat er met het slachtoffer wordt overlegd, maar volgens mij heb ik de staatssecretaris alleen horen zeggen dat de officier van justitie de wensen van het slachtoffer eigenlijk zelf invult en dat er niet van tevoren wordt overlegd. Wordt er óver het slachtoffer gesproken of wordt er mét het slachtoffer gesproken? Dat is volgens mij de cruciale vraag in het voortraject. Als er wel met het slachtoffer gesproken zou worden en het slachtoffer geeft aan geen strafbeschikking maar toch een rechtszitting te willen, en er desondanks toch een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, dan snap ik het hele traject aan de achterkant. Maar de vraag is even of dat niet voorkomen kan worden door aan de voorkant met het slachtoffer te spreken, in plaats van alleen maar in gedachten te bedenken wat het slachtoffer wellicht zou willen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

Ik snap deze opmerking. Ik denk dat wij allebei een beetje gelijk hebben. De basis is dat het Openbaar Ministerie de belangen van het slachtoffer weegt. Dan is natuurlijk de vraag hoe de officier die belangen kan kennen. U kunt zich voorstellen dat een gesprek met het slachtoffer een hele goede manier is om die belangen te kennen. Maar wellicht zijn er andere manieren om daar kennis van te nemen.

De heer Janssen i (SP):

Het blijft een beetje een open afweging voor de officier van justitie of hij of zij wel of niet aan de voorkant met het slachtoffer bespreekt wat de wensen zouden zijn.

Staatssecretaris Rutte:

Ja. Bij mijn weten staat er niet heel hard gecodificeerd dat er een gesprek móét plaatsvinden. Ik kan mij wel zo voorstellen dat een verstandige officier dat gesprek voert.

De heer Janssen (SP):

Ik ga ervan uit dat we alleen maar verstandige officieren hebben. Echter, er kan van alles meespelen, bijvoorbeeld tijdsdruk, waardoor een officier denkt: ik denk dat ik het wel weet, want in dit soort gevallen is meestal dit en dit het geval. Vandaar dat wij ook misschien voor de wetsgeschiedenis nu deze discussie met elkaar hebben. Wat mijn fractie betreft kan ik zeggen dat het toch wel wenselijk zou zijn dat de officier in ieder geval op de hoogte is van de mogelijke wensen van een slachtoffer, voordat hij besluit tot een strafbeschikking.

Staatssecretaris Rutte:

Dat is volstrekt begrijpelijk. Het punt is dat het kan gaan van ernstige delicten tot iets eenvoudigs als een fietsendiefstal. Bij de fietsendiefstal kunt u zich wellicht voorstellen dat een officier wel ongeveer kan inschatten wat het leed van het slachtoffer is. Bij ernstigere en iets complexere delicten is het heel verstandig om een slachtoffer te spreken. Daarom is het niet 100% hard vastgelegd, maar ik denk wel dat het heel duidelijk is in welke richting wij hier moeten denken, al was het maar omdat het ook weer tot overbelasting van het systeem leidt als de belangen van het slachtoffer niet goed worden meegenomen in zo'n beschikking. Daar hebben we allemaal helemaal niets aan.

Ik ga door. De heer Dittrich geeft aan: het nieuwe wetboek bevat een uitgebreide catalogus van slachtofferrechten, maar deze rechten zijn niet afdwingbaar en dat roept de vraag op wat de praktische waarde ervan is. Wat betekent een recht als het niet kan worden afgedwongen op het moment dat het toch wordt geschonden? Waarom is ervoor gekozen slachtofferrechten niet te voorzien van effectieve rechtsmiddelen? Dit is een bekend punt. Mijn ambtsvoorganger heeft tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer toegezegd te bestuderen hoe de naleving van slachtofferrechten beter kan worden gewaarborgd. Deze toezegging werd gedaan naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Ellian. In deze motie werd de regering verzocht om effectieve remedies of rechtsmiddelen voor slachtoffers te introduceren in de tweede aanvullingswet, en daarbij als uitgangspunt te hanteren dat het toekennen van een remedie, sanctie of rechtsmiddel evenredig moet zijn aan de ernst van de niet-naleving van het betreffende wettelijk voorschrift en toegevoegde waarde moet hebben voor slachtoffers. Inmiddels heb ik een voorstel voorbereid om de naleving van slachtofferrechten te versterken en dit voorstel maakt deel uit van de tweede aanvullingswet. Deze gaat komend voorjaar in consultatie. Dan zult u daar ook in het vervolg over te spreken komen.

De heer Schalk i (SGP):

Ik bedenk me nu dat bij het punt van de tweede aanvullingswet misschien het probleem waar we het net over hadden opgelost kan worden. De staatssecretaris noemde net even het voorbeeld van een fietsendiefstal en dergelijke. Maar in mijn eerste termijn heb ik aangegeven dat sommige schokkende misdrijven afgedaan kunnen worden middels de strafbeschikking, opgelegd door het OM voor overtreding en misdrijven met een maximale gevangenisstraf tot zes jaar. Dat zijn gewelds- en zedendelicten. Dat vind ik toch echt van een hele andere orde. Daar kan ik me het eerlijk gezegd niet bij voorstellen dat we dat niet anders dan op verzoek van het slachtoffer via een strafbeschikking zouden doen en normaal gesproken gewoon een rechtszaak hebben. Zijn er in het traject dat nog voor ons ligt momenten waarop we dit beter kunnen borgen?

Staatssecretaris Rutte:

Ja. Het antwoord is ja. Zoals ik net zei, in de tweede aanvullingswet komen we hier zeker over te spreken. Dat zal eerst in de Tweede Kamer gebeuren.

De heer Schalk (SGP):

Nu begreep ik zojuist …

Staatssecretaris Rutte:

Mag ik even kort overleggen? Anders geef ik de heer Knigge het woord, maar ik wil het niet afschuiven. Oké. Het komt aan de orde, maar dan in de eerste aanvullingswet, hoor ik van de heer Knigge. Het komt wel aan de orde.

De heer Schalk (SGP):

Om het even heel precies te krijgen: de staatssecretaris en de heer Knigge zeggen nu dat het bij de eerste aanvullingswet aan de orde komt. Zojuist zei de staatssecretaris: dat ligt al voor. Dat moet dan in de Tweede Kamer georganiseerd worden. Als dat pas weer hier in de Eerste Kamer aan de orde komt, dan kunnen we niet meer terug. U weet dat we geen recht van amendement hebben. Of dan moet je voor zoiets majeurs … Het gaat om de slachtoffers. De kracht van de herziening van het wetboek vind ik dat het slachtoffer veel beter tot zijn recht kan komen. Dat moeten we denk ik juist bij dit soort schokkende gewelds- en zedendelicten goed georganiseerd hebben. Dus kan dat op dit moment nog ingebracht worden in die eerste aanvullingswet?

Staatssecretaris Rutte:

Daar kom ik in de tweede termijn op terug. Dat weet ik niet precies. Ik wil hier niet gaan speculeren. Behandeling vindt nog wel plaats, maar ik kan me voorstellen dat u zegt: dan moeten we maar hopen op een amendement. Dat is toch anders dan wanneer er wellicht nog een wijziging zou plaatsvinden. Ik weet het niet. Ik ga het voor u uitzoeken.

De voorzitter:

Wilt u wederom wat dichter in de microfoon spreken?

Staatssecretaris Rutte:

Ja, dat kan ik. We gaan door naar het spreekrecht. "In het belang van het slachtoffer" roept vragen op, zo zegt de heer Dittrich. De kern van het spreekrecht is juist dat het slachtoffer zelf bepaalt of en hoe hij of zij spreekt. Waarom wordt die afweging nu bij de voorzitter van de rechtbank of het OM gelegd? Ik kan de heer Dittrich geruststellen. Het uitgangspunt is inderdaad dat het slachtoffer dat zelf bepaalt. Daar doen we ook niks aan af. De voorzitter van de rechtbank kan het spreekrecht ambtshalve of op vordering van de officier van justitie beperken of ontzeggen wegens strijd met het belang van het slachtoffer. Dan moet u denken aan de situatie dat anderen dan het directe slachtoffer die aanspraak kunnen maken op het spreekrecht, het spreekrecht willen uitoefenen. Dat betreft dan bijvoorbeeld pleegouders of stieffamilie van het slachtoffer die een emotionele band hebben met de verdachte. Deze personen zouden het spreekrecht kunnen gebruiken om de verdachte te ondersteunen, bijvoorbeeld in het geval van berechting wegens huiselijk geweld of een seksueel misdrijf. Er zijn dus gevallen denkbaar waarin het uitoefenen van het spreekrecht ingaat tegen het belang van het slachtoffer en kan leiden tot zogenaamde secundaire victimisatie. Die gevallen zijn wel hoogst uitzonderlijk. Daarom, alleen maar daarom, voorziet de wet in de mogelijkheid dat de voorzitter het spreekrecht van de bedoelde persoon kan beperken of ontzeggen. Het belang van het directe slachtoffer staat hierbij centraal.

De heer Dittrich i (D66):

Dan is het daarbij de vraag of het slachtoffer daarin gehoord wordt en of hij of zij het ermee eens is dat de beslissing wordt genomen om het niet te doen.

Staatssecretaris Rutte:

Het is aan de rechter om die inschatting te maken. Dan komen we weer op hetzelfde punt: is er een verplichting van de rechter om het slachtoffer daarover te horen? Het is vooral aan de rechter om zich te vergewissen van de belangen die hier spelen voor het slachtoffer. Het is moeilijk voorstelbaar dat als het directe slachtoffer vraagt om de ander alstublieft ook te laten spreken, de rechter zegt: dat lijkt me geen goed idee.

De heer Dittrich (D66):

Voor de wetsgeschiedenis vind ik het belangrijk dat we dit even wisselen. Het komt natuurlijk niet vaak voor, maar in de rechtszaal zou het voor kunnen komen. Ik ben zelf strafrechter geweest en ik weet hoe gevoelig dit soort zaken kunnen liggen.

Staatssecretaris Rutte:

Zeker. Maar het gaat echt om het beschermen van de belangen van primaire slachtoffers. Er kunnen anderen zijn, maar hen laten spreken terwijl het evident in het nadeel is van het primaire slachtoffer, zou een probleem kunnen zijn. Daar wil de heer Knigge iets aan toevoegen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Misschien mag ik de woorden van de staatssecretaris, waar ik helemaal achter sta, nog iets nuanceren. Het kan ook gaan om minderjarige slachtoffers, met name minderjarige slachtoffers van wie een van de ouders wordt verdacht van een zedenmisdrijf jegens dat slachtoffer. Dan is het de vraag in hoeverre dat slachtoffer vrij is om zijn positie hierin te bepalen. Die zit in een heel moeilijk parket als de verdachte zelf namens hem het spreekrecht uit wil oefenen, of de moeder die solidair is met haar echtgenoot. Dat zijn heel precaire situaties waarvan je niet zonder meer kunt zeggen dat de stem van het slachtoffer, zeker als dat een jeugdig slachtoffer is, doorslaggevend moet zijn. Daar zal de rechter in alle wijsheid toch zijn eigen afweging moeten maken, denk ik.

De heer Dittrich i (D66):

Als het minderjarige slachtoffer ouder is dan 12, dan kan ik me voorstellen dat er misschien toch een zekere hoormogelijkheid is, waarbij de rechter wil weten hoe het minderjarige slachtoffer daarover denkt, zodat het niet over het hoofd van het minderjarige slachtoffer heen wordt besloten.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Dat kan ik mij allemaal voorstellen, maar ik denk dat het moeilijk is om dat helemaal dicht te regelen. We zullen ook iets aan het oordeel van de rechter en zijn beleid moeten overlaten.

De voorzitter:

Dan is de staatssecretaris weer aan de beurt.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

Dat heb je met een bijzonder wetsvoorstel als dit, dat je om de beurt aan het woord komt. Dank dat u dit in goede banen leidt, voorzitter.

De heer Hartog vroeg of het spreekrecht automatisch, dus zonder verdere wetswijziging, wordt uitgebreid als het initiatiefwetsvoorstel over meerouderschap tot wet wordt verheven. Het concept-initiatiefwetsvoorstel waarop wordt gedoeld, was tot 29 januari 2026 in internetconsultatie en is nog niet aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer. Ik kan op dit moment dan ook nog geen definitieve uitspraak doen over de precieze implicaties van dat wetsvoorstel. De concepttekst ten aanzien van meerouderschap die in consultatie is gegeven, lijkt tot doel te hebben dat meer dan twee personen de volledige juridische status van ouder kunnen hebben. Alle personen die de juridische status van ouder hebben, kunnen het spreekrecht uitoefenen voor zover dit recht volgens artikel 1.5.8 aan ouders toekomt. Als er een wet tot stand komt die meer dan twee personen als ouder aanmerkt, dan is daarnaast geen afzonderlijke aanpassing van artikel 1.5.8 nodig met het oog op uitbreiding van het spreekrecht. Ik geloof dat de heer Hartog daarop doelde.

Dan gaan we door naar de mediation. De heer Van Rooijen stelde een vraag over het amendement op stuk nr. 51: "De verwachting is dat geslaagde mediation de doorlooptijd kan verkorten, maar als de mediation pas in de fase van de terechtzitting aan de orde komt, lijkt die weinig van invloed te zijn. Kan de minister uitleggen hoe mediation ook in dat geval tot een kortere doorlooptijd kan leiden?" De Innovatiewet Strafvordering voorziet in een regeling waarin is opgenomen dat de rechter de zaak naar mediation kan verwijzen nadat het onderzoek op de terechtzitting is begonnen. Deze regeling zal in het nieuwe Wetboek van Strafvordering worden opgenomen. Als de rechter de zaak naar mediation heeft verwezen, kunnen de verdachte en het slachtoffer onder begeleiding van een mediator een overeenkomst sluiten. In die overeenkomst worden afspraken voor herstel vastgelegd.

Als de mediation is geslaagd, dan kan de rechter uitspreken dat de zaak is geëindigd. Dat heeft tot gevolg dat de rechter de zaak verder niet inhoudelijk hoeft te beoordelen. Het onderzoek op de terechtzitting hoeft dan dus niet te worden voortgezet. Hiermee wordt de doorlooptijd korter. Aangezien er in die situatie geen inhoudelijke uitspraak volgt, zullen de verdachte of de officier van justitie geen hoger beroep instellen. Ook dit draagt bij aan een kortere doorlooptijd. Kortom, de regeling betekent dat de doorlooptijd van het strafproces kan worden verkort ten opzichte van een proces waarin de zaak volledig wordt beoordeeld.

Volgens mij heb ik daarmee alle vragen van dit blokje gehad. Ik geef het woord aan de heer Knigge voor het onderwerp beginselen en motivering.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

De eerste vraag die in dat blokje zit, is van de heer Schalk van de SGP: "Draagt de verscheidenheid van procedures bij aan de efficiency en transparantie van de strafrechtspleging? Zo ja, wat doet dit dan met het vertrouwen van de samenleving in de strafrechtspleging?" Het klopt dat er in dit wetboek bewust gekozen is voor een zogenaamd driesporenmodel. We zijn dus bewust afgestapt van het idee dat alle strafbare feiten op precies dezelfde wijze behandeld moeten worden. Dat hebben we eigenlijk gedaan vanuit het uitgangspunt, vanuit het besef dat zo langzamerhand is doorgedrongen, dat de strafrechtspleging geen openeindfinanciering kent, maar een beperkte capaciteit en een beperkte hoeveelheid middelen ter beschikking heeft. Je moet dus goed afwegen hoe je die capaciteit en die middelen inzet. Daarom is dus het idee ontwikkeld dat je rechtsbescherming op maat moet hebben. Naarmate de straffen zwaarder en de sancties ingrijpender zijn, heb je dus meer rechtsbescherming en zorgvuldigere procedures nodig dan wanneer straffen juist lichter zijn. Dat is de gedachte daarachter. Dat is geen hele nieuwe gedachte, maar wel een gedachte die nu heel bewust aan dit wetboek ten grondslag is gelegd.

Daarom hebben we een driesporenmodel. Zware zaken worden afgehandeld door een meervoudige kamer, lichtere misdrijven worden door de politierechter of de kantonrechter afgehandeld en nog lichtere feiten kunnen per strafbeschikking worden afgedaan. Dat is ook noodzakelijk. Daar zijn vragen over gesteld, bijvoorbeeld: is zo'n strafbeschikking nou altijd in het belang van het slachtoffer? Als we die mogelijkheid niet zouden hebben, dan zou het hele strafproces vastlopen. Dan zouden er uiteindelijk veel minder strafzaken worden afgedaan dan nu het geval is. Je zou dus ook kunnen zeggen: juist om slachtoffers optimaal recht te doen, moet je zorgen dat er volop ruimte is om de ernstige zaken te behandelen, waarbij natuurlijk ook voor slachtoffers de grootste belangen op het spel staan. Dan moet je inderdaad voor lief nemen dat minder ernstige zaken, waarbij misschien ook wel slachtoffers zijn, op een wat andere wijze worden afgedaan. Dat is een afweging van belangen die berust op een bewust gekozen uitgangspunt.

De heer Janssen i (SP):

Dat geeft toch, met alle respect, een beetje een risico op een glijdende schaal? Zie bijvoorbeeld hoe dat gaat met toezicht en handhaving. We hebben risicogericht toezicht. Naarmate het aantal mensen dat voor toezicht en handhaving beschikbaar is, afneemt, worden de risico's waar nog iets mee gedaan wordt automatisch hoger. Ik hoor hierin toch een beetje hetzelfde systeem. De zaken die nu nog voor de enkelvoudige kamer zijn, dus voor de politierechter of de kantonrechter, worden er nu ook al zo veel dat die ook maar naar de strafbeschikking moeten. Hoe voorkomen we dat? Dit heeft toch het risico op een glijdende schaal in zich als we daar niet voldoende alert op zijn?

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Dat ben ik helemaal met u eens. Als er onvoldoende middelen ter beschikking worden gesteld, dan dreigen al dit soort gevaren, maar u moet niet denken dat er maar onbeperkt middelen naar de strafrechtspleging moeten gaan. Dat is een onrealistisch uitgangspunt. Er moeten dus hoe dan ook keuzes worden gemaakt. Dat is overigens niet alleen maar een Nederlandse uitvinding; dat zegt ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dat keurt dit soort buitengerechtelijke afdoeningspraktijken goed, juist om te voorkomen dat het strafrechtssysteem vastloopt. Het wordt dus ook in Straatsburg als legitiem doel gezien. Maar ik ben het helemaal met u eens: er is natuurlijk een ondergrens en er zullen hoe dan ook voldoende financiële middelen moeten zijn. Maar dat is niet mijn pakkie-an; dat is het pakkie-an van de staatssecretaris en de minister. Daar ga ik verder dus niet over. Ik zeg alleen maar: dit is wel een gedachte die erachter zit.

De heer Janssen (SP):

Die zullen er over twee weken ook niet meer van wakker liggen. Het is natuurlijk wel het verdelen van schaarste. Dat ligt er wel aan ten grondslag. Ik wil dus nogmaals nadrukkelijk opmerken — ik zal er straks nog op ingaan in mijn eigen tweede termijn — dat dit wel het risico in zich bergt dat het idee ontstaat: nou, met wat minder geld kunnen ze ook wel toe, want dan leggen we gewoon die grens nog iets hoger voor wat met een strafbeschikking afgedaan kan worden. Ik vind dat wel een reëel risico. Ik zal er in mijn tweede termijn dus iets uitgebreider op ingaan.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Het uitgangspunt is dat er bepaalde feiten zijn waarbij een afdoening per strafbeschikking met voldoende rechtswaarborgen is omkleed; dat is het uitgangspunt. Dat zijn lichte feiten en feiten die qua bewijsvoering eenvoudig liggen; dat zijn de uitgangspunten. Daarvan is gedacht: die kunnen we per strafbeschikking afdoen, met de mogelijkheid die een verdachte altijd heeft om daartegen in verzet te gaan. Als hij het aan de rechter wil voorleggen, kan dat. Van dat totale pakket aan rechtswaarborgen is de gedachte dat dat rechtsbescherming op maat oplevert.

De voorzitter:

In de tweede termijn komt u erop terug.

De heer Schalk i (SGP):

Ik ga echt niet door op die slachtoffers — dat komt in de tweede termijn — maar wel nog even op die strafbeschikking. Toen we het er zojuist al even over hadden, las ik voor wat ik ook in mijn eerste termijn had genoemd: "Schokkende misdrijven kunnen worden afgedaan middels de strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie, voor overtredingen en misdrijven met een maximale gevangenisstraf van zes jaar, de zogenaamde wanbedrijven. Hieronder vallen echter ook gewelds- en zedendelicten, zoals mishandeling of verkrachting." Dat kan ik niet rijmen met die drie sporen waarbij u zegt: nou, je hebt hele zware delicten, dan iets mindere en dan de lichtere; dat zijn dan de strafbeschikkingen. Verkrachting en mishandeling kunnen toch niet onder dat gedeelte vallen, zou ik bijna zeggen.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

U noemt verkrachting. Eigenlijk heeft u het dan over schuldverkrachting. Dat is een nieuw misdrijf, dat recentelijk bij de herziening van de zedelijkheidswetgeving is ingevoerd. Dat is niet de opzetverkrachting, de verkrachting die we tot nu toe alleen kenden. Dat dus even ter nuancering. Op schuldverkrachting, waarbij de dader niet wist dat het tegen de wil van de vrouw was, maar het wel had moeten weten, staat een maximale gevangenisstraf van vier jaar. Ik zeg niet dat dat geschikte delicten zijn om bij strafbeschikking af te doen — dat hoorde u mij niet zeggen — maar dat zeg ik wel even ter nuancering van het idee dat een ernstig delict als opzetverkrachting met een strafbeschikking zou kunnen worden afgedaan. Eenvoudige mishandeling kan volgens artikel 300 — dat kan ook een enkele droge klap zijn — onder omstandigheden wel met een strafbeschikking worden afgedaan.

Uiteindelijk gaat het om het volgende. Niet alle delicten waar zes jaar gevangenisstraf op staat, zijn geschikt om bij strafbeschikking af te doen. Die abstracte bovengrens is onder andere gekozen om ook een inbraak te kunnen afdoen. Daar staat zes jaar gevangenisstraf op. Ook inbraken kunnen toch in concreto betrekkelijk lichte misdrijven zijn. Daar is aan gedacht; daarom is die grens bij zes jaar getrokken. Dat was voorheen ook de grens voor transactiemisdrijven. Er is dus geen nieuwe grens bedacht. Je moet natuurlijk in concreto bekijken of het delict zich daarvoor leent. Het kan dus heel best zijn dat een delict waar maar een jaar gevangenisstraf op staat, in concreto zo ernstig is dat je zegt: die moeten we niet bij strafbeschikking afdoen. Ik denk dat de abstracte bovengrens en de beoordeling in concreto wel duidelijk uit elkaar moeten worden gehouden.

De heer Schalk (SGP):

Dit antwoord geeft mij in ieder geval enig vertrouwen dat er bij elk misdrijf dus echt wordt gewogen of er wel of niet een strafbeschikking bij past. We komen hierover te spreken in de tweede termijn, want dan komt de staatssecretaris er ook nog even op terug met betrekking tot slachtoffers. Ik zie uit naar het vervolg van dit debat.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een vraag over dit debat zelf. Ik nam dingen impliciet aan, maar ik wil ze toch expliciteren. Hoe langer de heer Knigge aan het woord is, hoe meer bij mij de vraag opkomt wat de formele status is van de antwoorden van de heer Knigge. Begrijp ik het goed dat alles wat de heer Knigge zegt eigenlijk door de minister of de staatssecretaris is gezegd, dus dat al zijn woorden direct vallen onder de verantwoordelijkheid van de minister of de staatssecretaris?

De voorzitter:

Daartoe geef ik toch de staatssecretaris het woord.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

Het eenvoudige antwoord is ja. Als ik ergens ernstige twijfels over heb, zal ik het ter plekke herstellen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Dank u wel voor dit antwoord.

De voorzitter:

We zijn nog steeds bij het blokje motivering.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

De vraag van de heer Schalk heb ik hiermee beantwoord, denk ik.

Er zijn diverse vragen gesteld, ook door de heer Schalk, over de eis zoals die in het Wetboek van Strafvordering staat vermeld: wat betekent het dat beslissingen gemotiveerd moeten zijn voor zover dat noodzakelijk is voor de begrijpelijkheid ervan? De heer Schalk legt daarbij een verband met het tegensprekelijke karakter van het strafproces. Laat ik vooropstellen dat het voorschrift dat beslissingen moeten worden gemotiveerd voor zover het voor de begrijpelijkheid noodzakelijk is, in de eerste plaats is opgenomen ten aanzien van beslissingen over formele vragen. Dat zijn vragen als: "Is de tenlastelegging gelding? Is de rechter bevoegd? Is het OM niet-ontvankelijk?" Als de rechter vindt dat de tenlastelegging geldig is, hoeft die beslissing volgens het huidige wetboek niet in het vonnis te worden opgenomen.

Het nieuwe wetboek zegt: al die beslissingen moeten in het vonnis staan. Maar wat valt er te motiveren aan het oordeel van de rechter dat de tenlastelegging geldig is, als er in de verste verte niks mis is met die tenlastelegging? Of wat valt er te motiveren aan de beslissing dat de rechter bevoegd is als het evident is dat de rechter bevoegd is omdat het feit bijvoorbeeld in zijn arrondissement is gepleegd? Dan zegt het wetboek: je moet de beslissing wel opnemen, maar je hoeft deze niet te motiveren als dat voor de begrijpelijkheid niet nodig is; iedereen snapt dat die tenlastelegging geldig is.

Dat wordt natuurlijk anders — dan komen we meteen bij het tegensprekelijke karakter — als de verdachte heeft aangevoerd dat de tenlastelegging níet deugt. Dan zal de rechter dat moeten motiveren. Dan kan hij niet zeggen: voor de begrijpelijkheid is het niet nodig. In die zin is er inderdaad een verband tussen de begrijpelijkheid en het tegensprekelijke karakter. Daarnaast is de begrijpelijkheid van de beslissing een algemeen richtsnoer dat voor alle motiveringen geldt, dus ook in de gevallen waarbij de wet uitdrukkelijk voorschrijft dat je moet ingaan op een voorgedragen standpunt van de verdachte of van het Openbaar Ministerie. Ook voor die motivering is de begrijpelijkheid natuurlijk een richtsnoer.

Ik zeg er wel bij dat we geen overdreven verwachtingen moeten hebben bij de begrijpelijkheid voor de verdachte. Het streven is natuurlijk wel om de vonnissen, de oordelen van de rechter, in zo begrijpelijk mogelijke taal te verwoorden, maar het idee dat je een vonnis in jip-en-janneketaal zou kunnen schrijven, klopt niet. Daarvoor zijn de beslissingen soms te gecompliceerd en de redeneringen te moeilijk. Dat kan al helemaal niet als de verdachte de Nederlandse taal niet spreekt. Dan kun je niet zeggen: deze motivering moet voor deze concrete verdachte duidelijk zijn. Uiteindelijk moet de motivering voor de verdachte begrijpelijk worden gemaakt, bijvoorbeeld met behulp van zijn raadsman. Die moet aan de hand van de motivering kunnen uitleggen waarom de rechter beslist heeft zoals die beslist heeft. Begrijpelijkheid is ook vereist voor het oordeel dat de rechter in hoger beroep kan geven over het vonnis in eerste aanleg. Ook dan moet de beslissing van de rechter zo begrijpelijk zijn dat de hogerberoepsrechter een beeld heeft van waarom de beslissing zo is uitgevallen als die is uitgevallen en dat die kan beoordelen of hij zich daarin kan vinden.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik denk dat de vraag van de heer Schalk heel terecht was. Ik ben maar bestuursrechtjurist, maar dan gaat het ook over het motiveringsbeginsel. Als het bestuur zegt "ik heb een dwangsom opgelegd, maar ik heb het verder niet gemotiveerd, want iedereen begrijpt wel waarom ik dat gedaan heb", kan ik mij toch niet voorstellen dat de rapporteur zal zeggen: nou ja ... Dus wat wordt er bedoeld met die begrijpelijkheid? Wie bepaalt wat begrijpelijk is? Ik denk dat je moet zeggen dat een overheidsorgaan altijd zijn beslissingen moet motiveren.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

De beslissing die de rechtbank neemt in zijn eindvonnis, is niet alleen maar de eindbeslissing zelf. Het spreekt vanzelf dat de strafoplegging gemotiveerd moet worden. Dit is niet de enige bepaling die het Wetboek van Strafvordering wijdt aan de motivering van het vonnis. Het betreft een hele reeks voorschriften, zelfs per beslissing. Rond de bewijsbeslissingen zijn uitvoerige specifieke motiveringsplichten opgenomen. Rond de strafoplegging zijn specifieke motiveringsplichten opgenomen. Natuurlijk staat voorop dat die sowieso gemotiveerd moeten worden. Maar van de beslissingen over de voorvragen heeft de wetgever gezegd: die hoef je onder omstandigheden niet te motiveren.

De heer Nicolaï (PvdD):

Dan blijft toch de vraag: wat wordt er dan bedoeld met die bepaling als er "begrijpelijk" staat?

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Dat heb ik geprobeerd aan de Kamer uit te leggen. In de eerste plaats zijn beslissingen soms zo vanzelfsprekend dat ze niet gemotiveerd hoeven te worden. In de tweede plaats is het een algemeen richtsnoer dat specifieke beslissingen die aan de straf worden gewijd, zo begrijpelijk mogelijk moeten zijn als denkbaar is.

De heer Schalk i (SGP):

Laten we eens een poging doen om dit begrijpelijk te maken. Ik begrijp dat het geen begrijpelijke taal hoeft te zijn, maar dat de logica zo moet zijn dat iedereen snapt dat deze beslissing wordt uitgevaardigd. Is het een logicaprobleem? Is het logisch, is het begrijpelijk dat deze beslissing wordt genomen, of mag het toch nog wat dieper?

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Als het gaat om die formele vragen, zijn sommige beslissingen zo voor de hand liggend dat er eigenlijk geen andere beslissing kan volgen, zeker niet als daar geen verweer op is gevoerd. Zo gauw de rechter er zelf twijfels over zou hebben, in de trant van "is deze tenlastelegging wel geldig of ben ik wel bevoegd?", dan kan het wel op de weg van de rechter liggen om te zeggen: ambtshalve ga ik toch de beslissing motiveren. Neem bijvoorbeeld de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. Het is zo evident in sommige zaken dat deze bevoegd is, dat je er helemaal niks over kunt zeggen. Daar heeft ook niemand een probleem van gemaakt. Met motiveren is ook verder niemand geholpen. Bij andere beslissingen die wel gemotiveerd moeten worden, is het streven natuurlijk om dat zo begrijpelijk mogelijk te doen, ook zo begrijpelijk mogelijk voor de verdachte en de samenleving. Ik zeg alleen: er zit wel een grens aan wat te realiseren valt.

Er was ook nog de vraag of het tegensprekelijke karakter van de procesvoering niet extra lastig is nu de rechten van het slachtoffer zijn verruimd. Begrijp ik goed dat met de vraag wordt bedoeld dat het tegensprekelijke karakter tegen het belang van het slachtoffer zou kunnen ingaan?

De voorzitter:

De heer Schalk voor een verduidelijking.

De heer Schalk (SGP):

Dit is uitlokking, geloof ik. Ik heb eigenlijk een tweeledige vraag gesteld. Door de mogelijkheid van het tegenspreken zou het zomaar een langduriger proces kunnen worden. Dat heeft consequenties voor de positie van de dader, of van de verdachte; laat ik het zo zeggen. Maar het heeft wellicht ook nadelige gevolgen voor de positie van het slachtoffer, die het gevoel kan hebben: die dader kan maar doorgaan met procederen, nieuwe vragen oproepen, met bewijzen komen enzovoort. Dat is dus ook lastig.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Nu begrijp ik uw vraag heel goed. U heeft natuurlijk gelijk dat er een zekere spanning zit tussen de belangen van het slachtoffer en de belangen van de verdachte. Het uitgangspunt is altijd geweest dat de rechten van het slachtoffer niet ten koste mogen gaan van het recht van de verdachte op een eerlijk proces. De verdachte moet dus volop de gelegenheid hebben om zijn verdediging te voeren. Dat is nou eenmaal een gegeven en dat is ook wat uit artikel 6 EVRM voortvloeit: er moet view to adversarial argument zijn. Dat heeft het Europees Hof telkens weer benadrukt. Met dat tegensprekelijke karakter zal het slachtoffer dus ook moeten leren leven. Dat is niet anders.

Ik weet niet of ik er helemaal ben. Ik dacht het wel.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

Voorzitter, dan ga ik door met het onderdeel rechtsmiddelen, hoger beroep en herziening. O, sorry. Ik ga nu niet door. Er is nog één vraag blijven liggen, die de heer Knigge doet.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Dat is een vraag van de heer Van Rooijen. Hij vraagt hoe het nu zit met het nieuwe bewijscriterium dat in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen, namelijk dat er geen redelijke twijfel mag zijn aan de juistheid van de beslissing. Daarnaast zegt het wetboek dat geen rechter tegen zijn overtuiging mag veroordelen. Die vrijheid om vrij te spreken als hij niet overtuigd is, houdt de rechter dus ook in dit nieuwe wetboek. Waarom dan toch een nieuw bewijscriterium? Laat ik dit zeggen, want ik weet niet of ik het helemaal goed zei: het is niet de vraag of er wettig overtuigend en wettig en overtuigend bewijs is. Die tegenstelling kennen we ook. Maar als er wettig bewijs op tafel ligt, is er nog niet gezegd dat er in redelijkheid niet aan de juistheid van de beslissing getwijfeld kan worden; dat kan nog altijd. Neem gewoon de getuigenverklaring die de rechter voor zijn bewijs gebruikt; dat is een wettig bewijsmiddel. Als je dus drie getuigenverklaringen hebt, dan is er voldoende wettig bewijs. Maar als die getuigenverklaringen niet betrouwbaar worden geoordeeld door de rechter, dan kan je in redelijkheid aan de juistheid van de bewezenverklaring twijfelen. Dat is dus naar geldend recht zo en dat blijft ook zo. Het gaat om die gevallen waarin de betrouwbaarheid van het bewijs in het geding is, maar waarvan je als rechter zegt "in redelijkheid kun je niet aan de betrouwbaarheid van die verklaringen twijfelen". Dan zou je kunnen zeggen: als je in redelijkheid niet kan twijfelen, hoe kan een rechter dan nog in gemoede niet overtuigd zijn van de schuld? Ja, dat is een beetje een raar punt. De rechter zou dan zeggen: ik vind dat je in redelijkheid niet aan deze beslissing kan twijfelen, maar ik twijfel toch en ik spreek vrij. Of het dus heel vaak zo gebeurt, waag ik te betwijfelen. Het zit hem namelijk helemaal in die objectivering van de bewijsbeslissing.

Dit biedt bijvoorbeeld ook mogelijkheden om de betrouwbaarheid van het bewijs in cassatie aan te vechten. Het geeft het slachtoffer iets meer waarborgen dat het niet "dat is nou eenmaal mijn overtuiging" is, dus subjectief, al rammelt het bewijs aan alle kanten. "Ik ben er subjectief van overtuigd dat de verdachte het gedaan heeft, en dus verklaar ik het maar bewezen." Nee, je zou zelfs eventueel — het is een beetje toekomstmuziek, maar die mogelijkheid is wel geopend — in cassatie kunnen aanvechten dat je op basis van deze bewijsmiddelen, gelet op wat er door de verdachte tegen het bewijsmateriaal is aangevoerd, er in redelijkheid van overtuigd kunt zijn dat de verdachte het feit heeft begaan. Dat is dus de stap vooruit: het wordt uit sfeer van louter de subjectiviteit van de rechter getrokken en er wordt een soort objectiveerbare toets geïntroduceerd aan de hand waarvan je de bewijsbeslissing kunt kritiseren.

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Dank, meneer Knigge, voor dit uitvoerige antwoord. Om mijn vraag nog even precies te formuleren: "Echter, juist de uitspraken die afwijken van die waarbij je met toetsing aan objectieve bewijsmaatstaven wel tot een bewezenverklaring komt, leiden vaak tot onbegrip en verwarring in de samenleving." Ik ben het helemaal met hem eens dat het weinig zal voorkomen. Ik weet niet wanneer en in hoeveel gevallen het voorgekomen is. Maar als het voorkomt, kan dat tot onbegrip in de samenleving leiden. We kennen grote zaken waarin het zou kunnen gaan gebeuren. Er kan wrijving ontstaan tussen wat wettelijk bewezen is volgens de bewijsmiddelen en de overtuiging van de rechter die zegt: en toch kom ik tot een ander oordeel.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Ik probeerde dus duidelijk te maken dat het niet zo bedoeld is dat er, als er wettig bewijs is, veroordeeld moet worden. Dat is naar geldend recht ook niet zo. Het gaat steeds om de vraag of er wettig en overtuigend bewijs is. In het overtuigend bewijs wordt dan de waardering van de bewijsmiddelen gegoten. Dat blijft zo, maar daarnaast wordt de eis gesteld dat die bewijsbeslissing min of meer objectiveerbaar moet zijn. De vraag is niet of deze rechter overtuigd was of niet, maar of een redelijk mens daar anders over kan oordelen. Dat is de kritische maatstaf die je aan het rechterlijk oordeel kunt stellen. Het kan zijn dat dat tot onbegrip in de samenleving leidt. Ik zou zeggen dat we toch juist daarom een onafhankelijke rechter hebben, die los van die druk van de samenleving een oordeel over de zaak vormt.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de staatssecretaris voor blokje vijf.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

Het blokje over rechtsmiddelen, hoger beroep en herziening. De heer Recourt wilde dat ik bevestig dat de appelrechter een actieve rol heeft in het strafproces en dat niet efficiency de boventoon gaat voeren in hoger beroep. Hij vroeg daarnaast of integrale heroverweging door de appelrechter mogelijk blijft. Ik wil deze vragen zo veel mogelijk gecombineerd beantwoorden. Het kortste antwoord is: ja, de rechter in hoger beroep heeft een actieve rol. Maar ik zal het er niet bij laten. De appelrechter heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de zorgvuldigheid en volledigheid van het onderzoek op de terechtzitting. En ja, integrale heroverweging blijft mogelijk voor de appelrechter. Voorop blijft staan dat het hoger beroep een tweede feitelijke behandeling van de zaak is. Het karakter van het debat op de terechtzitting in hoger beroep is daarom open en er is ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten. Ook na indiening van bezwaren kan de verdachte of de advocaat-generaal reden hebben bij nader inzien andere zaken aan de orde te stellen dan in de schriftuur is vermeld. De rechter behoudt de mogelijkheid onderzoek te verrichten naar kwesties die hij nodig acht om de vraag van de artikelen 4.3.1 en 4.3.3 — dat zijn de huidige artikel 348 en 350 — te beantwoorden.

De verdachte mag bezwaren tegen het vonnis schriftelijk opgeven, maar dat hoeft dus niet. De verdachte mag die bezwaren ook pas mondeling op de terechtzitting naar voren brengen. In hoger beroep richt de rechter zich zowel tijdens het onderzoek op de terechtzitting als bij de beslissingen die hij na afloop van dat onderzoek neemt vooral op de bezwaren tegen het eindvonnis. Dat is niet nieuw. Dat is nu ook al zo. Het wetsvoorstel bouwt dus voort op het bestaande voortbouwend appel, waarmee de gerechtshoven al ervaring hebben. Een voordeel is dat de rechter geen tijd hoeft te steken in het overdoen van beslissingen waar het Openbaar Ministerie en de verdachten geen bezwaar tegen hebben. Het biedt de mogelijkheid om de aandacht te concentreren op die beslispunten die er echt toe doen. Dit maakt het hoger beroep slagvaardiger, zonder afbreuk te doen aan de rechtsbeschermende taak van de hoven. Het is vooral goed om te zien dat dat een praktijk is die ook nu al bestaat.

De heer Dittrich vraagt: wat betekent het voor de rechtsbescherming van de verdachte als de actieve rol die wordt verwacht niet kan worden waargemaakt in de praktijk? Zowel de heer Recourt als de heer Dittrich vroeg naar de rechtsbescherming in hoger beroep als de actieve rol van de verdachte niet wordt vervuld. De rechter heeft een eigen verantwoordelijkheid voor een rechtvaardige uitkomst van het strafproces en daarom ook een actieve rol. Ook bij het ontbreken van een actieve proceshouding van de verdachte zal de rechter het eerlijke proces bewaken. Indien de verdachte niet van rechtsbijstand is voorzien, moet de appelrechter extra voorzichtig en oplettend zijn. De rechter bewaakt daarbij de verdedigingsrechten. De rechter zal tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht schenken aan het gesprek met de verdachte. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat het gerechtshof op de terechtzitting doorvraagt als de verdachte geen bezwaren opgeeft of deze niet duidelijk toelicht en dat hij informatie verstrekt die de verdachte voor zijn verdediging behoeft.

De heer Van Rooijen geeft aan dat de verdachte het recht heeft om mondelinge bezwaren te uiten op de terechtzitting en ook om onderzoekswensen kenbaar te maken. Hij vroeg of dit geen gevolgen heeft voor de doorlooptijden voor het proces als geheel en of dit niet tot vertraging en extra overbelasting voor de zittende magistratuur leidt. Het klopt dat een verdachte bezwaren tegen het vonnis kan opgeven in een appelschriftuur, maar ook pas mondeling op de terechtzitting. Maar onderzoekswensen moeten juist voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep worden opgegeven in een schriftuur bij de voorzitter. Ook in hoger beroep wordt bevorderd dat benodigd nader onderzoek vóór de aanvang van de inhoudelijke behandeling wordt verricht. De onderzoekswensen worden, net als in de eerste aanleg, beoordeeld via het trechtermodel. Dus bij tijdige indiening voorafgaand aan de terechtzitting ruimhartig aan de hand van het verdedigingsbelang, en daarna strenger aan de hand van het noodzaakcriterium. Deze regeling leidt ertoe dat ook in hoger beroep onnodige aanhouding van de terechtzitting wordt voorkomen.

De heer Van Rooijen vraagt waarom er überhaupt nog een schriftuurverplichting is, nu er toch weer van kan worden afgeweken. Waar zit de meerwaarde dan in? De schriftuurverplichting vergemakkelijkt de voorbereiding van de zitting, zodat de voorzitter weet wat de bezwaren zijn tegen het vonnis in eerste aanleg. Het geding in hoger beroep wordt als uitgangspunt geconcentreerd rond de vraagpunten die aan de orde zijn naar aanleiding van de tegen het vonnis ingebrachte bezwaren vanuit de verdachte en het Openbaar Ministerie. Dit past in het contradictoire karakter van de procedure en bevordert de kwaliteit van de behandeling. De behandeling in hoger beroep is nog steeds een tweede feitelijke behandeling van de zaak. Het karakter van het debat op de terechtzitting in hoger beroep moet daarom niet zo gesloten zijn dat er helemaal geen ruimte meer is voor ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten. Ook na indiening van bezwaren kan de verdachte of de advocaat-generaal reden hebben om bij nader inzien andere zaken aan de orde te stellen dan in de aanvullende schriftuur is vermeld. De schriftuur is wel degelijk de leidraad voor het hoger beroep, maar er kan, als daar reden voor is, van worden afgeweken.

De heer Van Rooijen vraagt hoe vaak een verdachte in hoger beroep niet is voorzien van rechtsbijstand. Hij hoort graag een getal of een percentage. Ik ga hem teleurstellen, want precieze cijfers kan ik niet geven. Het is niet anders. De regelingen in de Wet op de strafvordering en de Wet op de rechtsbijstand waarborgen dat verdachten ook in hoger beroep in zo veel mogelijk gevallen van rechtsbijstand kunnen worden voorzien. Het merendeel van de verdachten wordt in hoger beroep dan ook bijgestaan door een raadsman. In het onderzoek van Significant, verricht naar de uitvoeringsconsequenties van het nieuwe wetboek voor de gefinancierde rechtsbijstand, zal ook worden gekeken naar de gevolgen van het nieuwe wetboek voor rechtsbijstand in hoger beroep. Naar aanleiding daarvan zal worden bekeken of en op welke wijze het nodig is rechtsbijstand in hoger beroep te versterken.

Ik dacht dat ik rond was, maar dat is niet zo. Een vraag van de heer Dittrich: is de minister bereid in een brief te reageren op het preadvies van professor Geert-Jan Knoops en te laten weten of herziening bij ernstige twijfel een begaanbare weg zou kunnen zijn? De vraag van de heer Dittrich gaat over herziening van een onherroepelijke veroordeling op grond van een novum. Op grond van de in 2012 volledig gemoderniseerde herzieningsregeling is een novum een nieuw gegeven dat een ander licht op de zaak werpt. De heer Dittrich refereerde aan het preadvies van professor en advocaat Geert-Jan Knoops voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, ook bekend als "De vereniging met de lange naam". Dat lijkt mij een juiste naam. Die pleit voor de mogelijkheid van herziening ten voordele bij een ernstige twijfel over de juistheid van een veroordeling, dus ook als er strikt genomen geen nieuw gegeven in de zin van de wet aanwezig is. Het voorstel van professor Knoops is ontleend aan de regeling in het Verenigd Koninkrijk. In het Verenigd Koninkrijk is de drempel tot herziening dan ook lager dan in Nederland.

In het WODC-onderzoek Wet hervorming herziening ten voordele uit 2018 is uitdrukkelijk aandacht besteed aan de vraag of een dergelijke verruiming ten opzichte van het Nederlands novumcriterium wenselijk is. Dit onderzoek en deze vraag zijn vervolgens ook uitvoerig aan de orde gekomen in een debat met de Tweede Kamer. Uit het onderzoek en het debat kwam naar voren dat er voor dit idee vrijwel geen steun is en wel om de volgende reden. Het buitengewone rechtsmiddel herziening zal bij verruiming van het novumcriterium in de praktijk als vierde rechterlijke instantie gaan functioneren. De herzieningsprocedure verliest dan haar uitzonderlijke karakter. Een ruimer criterium zou zeer waarschijnlijk leiden tot een forse toename van herzieningsaanvragen, ook in zaken waarin de veroordeling terecht is. Dit zou een onwenselijk beslag kunnen leggen op de capaciteit van de rechtspraak en van de opsporing. Daar zou ik het voor nu bij willen laten. Daarmee sluit ik dit blokje af.

Dan ga ik door naar een heel dun blokje: tenuitvoerlegging. Niet omdat het onbelangrijk is, maar omdat het blokje vandaag toevallig dun is. Een vraag van de heer Talsma: worden de nieuwe mogelijkheden om de tenuitvoerlegging van de geldboetes te beëindigen meegenomen in de evaluatie? Het bondige antwoord is "ja". Bij de evaluatie zal ook worden gekeken naar de wijze waarop in de praktijk wordt omgegaan met de mogelijkheid om de tenuitvoerlegging van lage geldboetes in uitzonderlijke gevallen te beëindigen.

De heer Marquart Scholtz en mevrouw Vogels komen met een gevoelig punt, waarop ik als staatssecretaris al vaker ben bevraagd, namelijk: kunnen we opgelegde straffen wel onverkort uitvoeren? Hoe voorkomen we nieuwe knelpunten in de uitvoering? Ik ben het met mevrouw Vogels eens dat door de rechter opgelegde straffen onverkort moeten worden uitgevoerd. Dat ben ik overigens ook met de heer Marquart Scholtz eens, want die zei dat ook. DJI spant zich dan ook maximaal in om het capaciteitstekort terug te dringen. Er zijn de komende jaren extra structurele middelen nodig voor noodzakelijke renovaties en capaciteitsuitbreiding. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien hoe de beschikbare middelen worden ingezet. Ik zag dat er zo'n 100 miljoen euro beschikbaar komt; dat is in ieder geval meer dan niets. DJI werkt daarnaast hard aan het terugdringen van het personeelstekort. Zo zet DJI erop in om een aantrekkelijke werkgever te zijn voor nieuw personeel en het huidige personeel.

Wellicht ter informatie: ik heb de Kamer vlak voor het reces de zogeheten menukaart doen toekomen. Dat is een ambtelijke verkenning van alle opties die er zijn om te zorgen dat we straffen wel ten uitvoer kunnen brengen en van de modaliteiten waaraan gedraaid kan worden, juist om ervoor te zorgen dat ook mijn opvolger straks weet aan welke knoppen gedraaid kan worden. Dit punt is evident enorm belangrijk. Er is heel veel te doen om te zorgen dat wij die straffen ook daadwerkelijk ten uitvoer kunnen leggen. Dat gaat deels om geld en deels ook om andere keuzes, en we gaan zien hoe dat de komende tijd wordt opgepakt. U zult dat ongetwijfeld blijven volgen en heel belangrijk blijven vinden.

De heer Marquart Scholtz i (BBB):

Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat DJI er hard aan werkt en dat wil ik graag geloven, maar om even te illustreren wat ik heb gezegd: de Raad van State stelt in zijn advies van 29 oktober vorig jaar inzake het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 dat de uitvoeringstoets van het ministerie van Asiel en Migratie voor de tenuitvoerlegging aanzienlijke uitvoeringsproblemen signaleert, want DJI heeft tot 2030 geen extra detentiecapaciteit beschikbaar. Tot 2030 is iedere wetswijziging die tot extra strafoplegging leidt, zo ook deze, niet uitvoerbaar, zo zegt DJI. Is dat inderdaad een feit, of kunnen wij voor 2030 toch nog een verbetering verwachten?

Staatssecretaris Rutte:

DJI staat voor een grote uitdaging om de detentiecapaciteit op orde te houden, en om uit te breiden is de uitdaging nog groter. De heer Marquart Scholtz sprak daar zijn zorgen over uit en daar heeft hij volstrekt gelijk in. Er zijn dan meerdere knoppen waar je aan kunt draaien en meerdere keuzes die je kunt maken om ervoor te zorgen dat je wel aan die capaciteit voldoet. Dat heeft deels te maken met goed aan de slag gaan met de renovatie van gevangenissen. Dat moet. Dat kost capaciteit, maar leidt op termijn ook tot verminderde uitval van capaciteit. Er is budget om her en der wel degelijk uit te breiden. Je kunt ook capaciteit winnen door verschillende fases in het regime van het gevangeniswezen in te voeren. Dat is nu wat minder het geval dan eerst. Daar kunnen wel degelijk keuzes in gemaakt worden, dus ik ben niet zo negatief als hier wordt gezegd, namelijk dat er tot 2030 niks kan. Maar als er geen keuzes worden gemaakt, dan klopt dit scenario. Er is dus wel wat te doen.

De heer Marquart Scholtz (BBB):

Een vervolgvraag. Ik weet dat in Almere een inrichting weer klaar wordt gemaakt voor gebruik. Nu zijn er geluiden in de pers verschenen dat het zeven jaar gaat duren. Als dat zo is, is dat in mijn visie ietwat ridicuul. Waarom kan er niet met stoom en kokend water in twee jaar even een nieuw verfje enzovoort overheen? Zeven jaar is toch geen reële termijn?

Staatssecretaris Rutte:

Zonder hier een gevangenisdebat met de heer Marquart Scholtz te voeren, wat ik op zich leuk vind om te doen, want ik heb het vaker gedaan, ook in de Tweede Kamer: ik ben in Almere geweest om er zelf ook een blik op te werpen. Dat deed ik met dezelfde verwondering als de heer Marquart Scholtz: hoe kan het nou zo lang duren? Zeven jaar lijkt mij ook heel veel. Maar de gevangenis die er staat, is uiteindelijk nog maar een schil van de gevangenis die er was. Alle apparatuur is eruit gehaald, de gevangenis voldoet niet meer aan de juiste duurzaamheidseisen, er moet een nieuw beveiligingssysteem in worden gezet, et cetera, et cetera, et cetera. Om dat te kunnen doen moeten er ook allerhande vergunningen worden aangevraagd. Dat gaat stap voor stap. Daar moeten we dan weer naar kijken. Ik vind zeven jaar ook veel te lang, maar als ze heel erg hun best doen, duurt het nog steeds zomaar vier jaar voordat het allemaal klaar is. Dat is dus lastig zat. We beginnen met het beschikbaar krijgen van de financiële middelen. Ik heb er wel voor gezorgd dat alle vooronderzoeken worden gedaan om te kijken of we dingen kunnen versnellen en of we 'm kunnen openen zodra er ook maar een kans is. Die stappen zijn dus gezet, maar het blijft een ingewikkelde puzzel, helaas.

Van de harde stenen van de gevangenis en detentie door naar het digitale strafproces. Dat is mijn volgende blokje. De heer Recourt vroeg: op welke wijze zullen geautomatiseerde vertalingen van spraak- of beeldmateriaal worden toegelaten in het strafproces? Onder meer speech-to-textsoftware en kunstmatige intelligentie kunnen volop kansen bieden om verslaglegging in strafzaken minder tijdrovend en kwalitatief beter te maken. Op dit moment is echter nog niet voorzienbaar op welke wijze dat in de toekomst het geval zal zijn. Processen-verbaal die zijn opgesteld met behulp van AI blijven waarschijnlijk nog steeds een menselijke controle op de juistheid daarvan vereisen. In het kader van audiovisuele registraties is de politie in de zomer van 2025 gestart met een test waarbij met behulp van speech-to-textsoftware en AI een samenvatting wordt gemaakt van een opgenomen politieverhoor. Bij die test worden naast technische haalbaarheid, bruikbaarheid en kwaliteit van deze toepassing ook gekeken naar juridisch-ethische aspecten hiervan. Medio dit jaar zullen de opbrengsten van deze test met het Openbaar Ministerie en de rechtspraak worden gedeeld. Met de ketenorganisaties is afgesproken dat zodra technische ontwikkelingen hiervoor aanleiding geven, een eventuele vervolgpilot op dit gebied wordt gestart waarin die technische ontwikkelingen kunnen worden beproefd op een manier die de wet mogelijk maakt. Het is wel stap voor stap, steeds een pilot doen, kijken of het kan, of het rechtsstatelijk kan, of het veilig kan. Als het echt kan, zetten we die stap en proberen we op een doelmatige manier hiermee om te gaan, maar niet anders dan op die zorgvuldige manier.

De heer Dittrich vroeg hoe wordt geborgd dat de verdediging daadwerkelijk toegang houdt tot alle relevante informatie en dat selectie van stukken niet ten koste gaat van transparantie of de mogelijkheid om bewijs effectief te betwisten. Het nieuwe wetboek schrijft voor dat alle stuken die voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, in het procesdossier moeten worden opgenomen: artikel 1.8.1. De officier van justitie is verantwoordelijk voor de samenstelling en de daadwerkelijke toegankelijkheid van die processtukken: artikel 1.8.2. Een digitaal strafdossier is van groot belang voor een doelmatig en transparant strafproces, het bevorderen van spoedige verstrekking van processtukken in strafzaken en de inzichtelijkheid en volledigheid van het strafdossier. In het kader van het nieuwe wetboek wordt daarom zo veel mogelijk gestreefd naar verstrekking van processtukken via de elektronische weg. Indien een burger door een advocaat wordt bijgestaan, is digitale communicatie inderdaad het uitgangspunt. Maar voor burgers zonder computer met internetaansluiting blijft het mogelijk om afschriften van de stukken in papieren vorm te krijgen. Daarbij geldt dat verdachte recht heeft op kennisneming van de processtukken vanaf het eerste verhoor. Het nieuwe wetboek bevat daarnaast enkele verbeteringen, gericht op spoedige actieve verstrekking van de processtukken, dus zonder dat de verdachte erom hoeft te verzoeken. Bij de indiening van de procesinleiding stelt de officier van justitie alle processtukken ter beschikking aan de verdachte en zijn raadsman. Op deze wijze is gewaarborgd dat de verdediging daadwerkelijk toegang heeft tot alle relevante informatie en de mogelijkheid heeft om het bewijs effectief te betwisten.

De heer Dittrich i (D66):

Betekent dit dat als die procesinleiding de deur uitgaat, de officier van justitie geen afwegingsbevoegdheid meer heeft om te denken: nou, dit stuk wil ik niet aan de verdediging geven, want dat is niet in het belang van de opsporing bijvoorbeeld?

Staatssecretaris Rutte:

Daar stelt u mij een complexe vraag. Hij moet in ieder geval alle relevante stukken ter beschikking stellen. Dus alles wat relevant is voor het proces dat de officier wil voeren, moet ter beschikking komen van de verdediging.

De heer Dittrich (D66):

Ja, maar in het woord "relevant" zit toch een zekere afweging. Ik wil voor de wetsgeschiedenis graag dat er een antwoord komt, als ik het zo mag formuleren, dat de officier die vrijheid niet heeft. Ik bedoel dat alle stukken die van belang zijn voor de strafzaak, ter beschikking worden gesteld en dat er niet een afweging plaats kan vinden in de trant van: voor de behandeling van die zaak van de officier is het misschien goed dat de verdediging nog even iets niet weet of wat dan ook. Dat mag niet het geval zijn.

Staatssecretaris Rutte:

Ik interpreteer "van belang voor de strafzaak" hetzelfde als "relevant". Ik doe daar graag voor de tweede termijn nog een check op voor de heer Dittrich. Dan kom ik daarop terug. Dan kunnen we dat veiligstellen. En daarmee rond ik dit blokje af.

Dan ga ik door naar een blok waar veel mensen wat over hebben gevraagd, namelijk het onderdeel implementatie. Ik probeer daar wat efficiënter doorheen te gaan. Ik hoop dat ik in mijn wat bredere tekst de vragen die zijn gesteld door de heer Dittrich, mevrouw Van Bijsterveld, de heer Walenkamp, de heer Marquart Scholtz en mevrouw Vogels allemaal kan meenemen. Als dat niet zo is, dan staan ze ongetwijfeld bij de interruptiemicrofoon. Maar laten we hopen dat dat niet zo is.

Implementatie. Laat duidelijk zijn dat we daar ook nog over komen te spreken. Er komen invoeringswetten, dus het is heel goed om dat te beseffen. We hebben de tekst van dit wetboek nodig om überhaupt tot implementatie te kunnen komen. Er wordt al over nagedacht, maar als deze wet niet wordt aangenomen, stokt ook de implementatie. Het is een beetje een kip-en-eiverhaal. Dit ei moet worden gelegd om bijvoorbeeld … Nee. Het maakt niet uit. In ieder geval moet deze stap worden gezet. Ik kom hier dus niet uit, want het is een kip-en-eiverhaal. Goed.

Naast steun voor de invoering van het nieuwe wetboek hoorde ik van de fracties van D66, JA21 en CDA en van de Fractie-Walenkamp ook zorgen over de omvang van de implementatieopgave. Dat lijkt me terecht. Sprekers uit uw Kamer betrokken daarbij de huidige ICT-problemen bij met name het OM, de personele krapte en de wens om naast het nieuwe wetboek terughoudend te zijn met andere, gelijktijdige veranderingen. Daar ga ik graag op in. Laten we eerst kijken naar budget en planning. Allereerst is voor de implementatie van het nieuwe wetboek in 2022 450 miljoen euro beschikbaar gesteld. Daarmee hebben de organisaties hun implementatieteams kunnen inrichten en de effecten van dat nieuwe wetboek kunnen analyseren. Ook is dat budget de komende jaren bedoeld voor het uitvoeren van de implementatiewerkzaamheden. Jaarlijks actualiseren de organisaties hun implementatieplannen. Op dit moment zijn alle planningen gericht op de inwerkingtreding op 1 april 2029. Dat heeft u ook allemaal aangehaald. In samenwerking met de organisaties in de strafrechtketen wordt doorlopend de vinger aan de pols gehouden of de benodigde werkzaamheden volgens plan verlopen.

Dan kijken we naar de haalbaarheid. Het OM inventariseert momenteel de effecten van de recente ICT-problemen. Ook bestaat er een afhankelijkheid tussen de invoering van het nieuwe wetboek en de bredere informatievoorzieningsopgave van een aantal organisaties in de strafrechtketen om volledig nieuwe zaaksystemen in te voeren. Een aantal van u wees daar al op. Dat loopt echt samen op dit moment. Het OM is aan het vernieuwen en dit komt er ook aan. Om deze redenen vindt herbeoordeling plaats van de geplande inwerkingtredingsdatum na het verschijnen van de rapportage van het Adviescollege ICT-toetsing. Velen refereerden daar al aan. Zoals u weet, wordt deze rapportage voorzien voor het voorjaar van 2026. Die komt dus op korte termijn. We beschreven dit in de elfde voortgangsrapportage, die wij afgelopen vrijdag aan uw Kamer zonden. Daarin is ook aangekondigd dat de eerste aanvullingswet spoedig bij de Tweede Kamer wordt ingediend. Dit is inderdaad van belang voor de implementatieperiode, waar mevrouw Van Bijsterveld al naar vroeg. Een jaar voorafgaand aan de beoogde inwerkingtreding wordt ook beoordeeld of de implementatie nog altijd op schema ligt. Dat is van belang om ICT te testen en bijscholingsopleidingen te kunnen laten starten. U ziet al: er is wat ruimte. Dus als het een langzamer gaat dan het ander, schuiven zaken. We willen wel dat jaar om te kunnen testen, gebruiken. Daarover gaan we ook bij vervolgwetgeving nog nader met u in gesprek. U blijft dus wel aan de knoppen zitten. Dat geldt zowel voor de Tweede als de Eerste Kamer.

Dan de beleidsluwte. Met u vind ik dat we de strafrechtketen de komende jaren zo veel mogelijk ruimte moeten geven om zich goed op de implementatie voor te kunnen bereiden. Dat vergt een kritische houding ten opzichte van nieuwe ambities van zowel kabinet en parlement als de organisaties zelf. Echter, in de komende jaren zullen ook andere wetswijzigingen en beleidsvoorstellen voorbijkomen die het werk van de organisaties kunnen verbeteren. Deze veranderingen kunnen niet altijd wachten op de implementatie van het nieuwe wetboek, bijvoorbeeld als de wijziging het gevolg is van een Europese richtlijn. Om toch rekening te kunnen houden met het absorptievermogen van de keten, is het ministerie vergevorderd met het opzetten van een methodiek om een overzicht te krijgen en prioritering te kunnen aanbrengen in het grote aantal initiatieven dat jaarlijks door de keten moet worden geïmplementeerd. Daarbij zal in samenspraak met de ketenorganisaties telkens worden gekeken welke impact het beoogde wets- of beleidstraject voor de keten heeft. Dat kan betekenen dat we prioriteiten moeten stellen, goed moeten plannen en zo nodig keuzes moeten maken. Niet alles kan immers tegelijk. In de richting van de heer Marquart Scholtz merk ik daarbij op dat we die keuzes uiteraard beleidsluw zullen maken. Dat was eigenlijk mijn brede implementatieblokje.

Ik kom nog bij de vraag van de heer Walenkamp: wil de minister erkennen dat gebrekkige uitvoering van deze wet direct leidt tot schending van de redelijke termijn en daarom leidt tot meer niet-ontvankelijkheidsverklaringen? Daar zit wel een beetje een misverstand achter en dat zou ik graag uit de wereld willen helpen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een schending van de redelijke termijn op zichzelf nooit leiden tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie. Dat neemt natuurlijk niet weg, en dat ben ik met de heer Walenkamp eens, dat het voor alle betrokkenen onwenselijk is dat zaken zo lang duren dat de redelijke termijn wordt overschreden. Het nieuwe wetboek biedt verschillende kansen om de doorlooptijd te verkorten. De beweging naar voren vormt daarvan een belangrijk onderdeel. Ik ga ervan uit dat de strafrechtketenorganisaties zich maximaal inspannen om die kansen te benutten.

De heer Walenkamp gaf ook de volgende punten mee: "Graag een reflectie op de wrakke gesteldheid van de strafrechtketen. Het piept en het kraakt. Past ons nou geen terughoudendheid?" Er werd gerefereerd aan werkdruk, een digitale sliblaag, seponeren door tijdsverloop en gebrek aan zittingscapaciteit, en een logistiek infarct. Hij had graag ook reflecties op en garanties over hoe het vastlopen wordt voorkomen. Eerdere kabinetten hebben geïnvesteerd in de organisaties in de strafrechtketen, waaronder het Openbaar Ministerie, om hun de gelegenheid te geven om de capaciteit op orde te brengen. Recent heeft het Openbaar Ministerie aangegeven extra middelen nodig te hebben om de problemen met de ICT op te lossen. Ik begrijp dat in het coalitieakkoord middelen zijn gereserveerd om deze problemen op te lossen. Het is wel aan mijn opvolger om hier gevolg aan te geven, of anders aan de opvolger van de minister. Ook een actueel, goed geordend en overzichtelijk Wetboek van Strafvordering, waarvan de noodzaak door alle partijen in de strafrechtketen wordt onderschreven, zal een voortvarende en effectieve procesgang juist bevorderen.

De heer Schalk had het over het verbeterplan van de Algemene Rekenkamer. Hij vroeg: kan de minister toezeggen dat ook de Eerste Kamer wordt geïnformeerd over de opvolging van het rapport van de Algemene Rekenkamer, net zoals al aan de Tweede Kamer is toegezegd? Ik kijk de heer Schalk aan. Het antwoord laat zich raden. Dat is uiteraard: ja, ik zal ook de Eerste Kamer informeren over de opvolging van het rapport van de Algemene Rekenkamer.

De heer Janssen vroeg: veranderen we alleen wat echt veranderd moet worden? De zorg zit voor hem in de vraag of we de goede dingen op de goede manier doen. U omschreef dat op een mooie manier. U vroeg: zijn we daar wel toe in staat en zijn al die ketenpartners ook wel in staat om te doen wat ze moeten doen? Dat is een typische implementatievraag: we kunnen wel mooie wetten aannemen, maar als we dat niet goed geborgd krijgen en mensen er niet mee uit de voeten kunnen, dan organiseren we onze eigen teleurstelling. En dan zeg ik het nog op een vriendelijke manier. De veranderingen in het nieuwe wetboek ten opzichte van de huidige praktijk behelzen onder andere de mogelijkheden om de opsporing te verbeteren, het strafproces te stroomlijnen en de rechten van burgers in het strafproces verder te versterken. Bij sommige onderdelen gaat het om codificatie van wat al in de praktijk wordt toegepast; soms gaat het om nieuwe regels om een verbeterde praktijk mogelijk te maken. Maar het allerbelangrijkste is wel dat de organisaties in de strafrechtketen zelf hebben aangegeven dat ze content zijn met dit nieuwe wetboek. Ze zien het zitten.

Op de vraag of de organisaties in staat zijn om deze veranderingen door te voeren ging ik eerder al in. Voor de implementatie is in 2022 450 miljoen beschikbaar gesteld. Daarmee hebben organisaties in de strafrechtketen hun implementatieteams kunnen inrichten en de effecten van het nieuwe wetboek op hun organisatie kunnen analyseren. Daarmee wil ik niet zeggen dat daarmee alles opgelost is. Ik zeg niet: we hebben ze geld gegeven; zoek het maar op. Dit was voor ons iets waarbij continu de vinger aan de pols moet worden gehouden, en dat zal het zeker ook zijn voor het nieuwe kabinet. Hoe gaat de implementatie? Loopt het goed? Moeten we bijsturen? Ook tussen die organisaties zelf zullen daar continu keuzes in gemaakt moeten worden en zal er continu bijgestuurd moeten worden. Maar het is wel duidelijk dat dit een wetswijziging is waar de organisaties zelf achter staan.

De heer Marquart Scholtz (BBB):

Ik heb even gewacht tot het eind van het blokje, omdat ik de staatssecretaris uiteraard wilde laten uitpraten. Hij is even ingegaan op het structurele geld voor het OM, maar ik refereer nog een keer aan de oproep van de heer Otte; ik maak mezelf maar tot zijn woordvoerder. Hij zei namelijk: ik doe een oproep aan de politiek om extra financiële middelen beschikbaar te stellen voor ICT; anders kan het OM de komende vier jaar fors minder verdachten vervolgen en laten berechten, om zo geld vrij te spelen voor de modernisering van ICT. Er is structureel 80 miljoen op jaarbasis nodig. Wat zegt de staatssecretaris daarop? De vrees die de heer Otte uitspreekt, is dat er minder vervolgd zal kunnen worden om geld over te houden voor modernisering van de ICT. Ik vind dat zeer ernstig. Die kant moeten we niet op. Wat kan de regering op dit punt toezeggen?

Staatssecretaris Rutte:

De zorgen van de heer Otte staan los van het vraagstuk dat hier voorligt. We hebben straks gewoon een nieuw wetboek. Los daarvan heeft het OM zijn ICT-uitdaging. Maar voor vragen over het OM wil ik graag even verwijzen naar de minister. Hij zal daar straks op terugkomen. Anders lopen we het risico dat ik onder zijn duiven schiet qua competenties. Dat moeten we niet willen.

Dit is wel een mooi opmaatje naar ICT en het advies van het adviescollege over ICT-toepassingen. De heer Recourt vraagt: "Op welke momenten informeert de minister deze Kamer over de voortgang van de digitale systemen, en op welk moment en op basis van welke criteria neemt de minister het besluit dat de wet per het voorjaar van 2029 kan worden ingevoerd? Zijn er dan voldoende toetsen met het nieuwe systeem over alle ketenpartners en derden uitgevoerd? Op welke wijze is dan getoetst dat stokoude systemen zoals COMPAS meekunnen tot het einde van het overgangsrecht? Kan de minister toezeggen dat niet tot invoering wordt overgegaan voordat de invoeringswet door het parlement is aangenomen?" Dat zijn een heleboel vragen bij elkaar, maar ik denk dat ik ze wel in één keer kan beantwoorden. Ik gaf al aan dat er een afhankelijkheid bestaat tussen de invoering van het nieuwe wetboek en de bredere informatievoorzieningsopgave van een aantal organisaties in de strafrechtketen om volledig nieuwe zaaksystemen in te voeren, met name het Openbaar Ministerie. Ik gaf ook aan dat de herbeoordeling van de geplande inwerkingtredingsdatum plaatsvindt na het verschijnen van de rapportage van het Adviescollege ICT-toetsing, die we binnenkort verwachten. Ik verwacht dat het adviescollege adviseert over de slaagkans, eventuele kwetsbaarheden en risico's van de aanpak van de ketenorganisaties. Deze criteria geven een goede basis om dit voorjaar een reële inschatting te kunnen maken van de tijd die nodig is om de noodzakelijke ICT-aanpassingen uit te voeren. Wat ik al eerder zei: dan wordt uiteindelijk een jaar voorafgaand aan de beoogde inwerkingtreding — dat kan dus nog een andere datum worden — ook beoordeeld of de implementatie nog altijd op schema ligt. Dat is dan ook van belang om nieuwe ICT te kunnen testen. Over de voortgang van de ICT-aanpassingen voor het nieuwe wetboek wordt aan u gerapporteerd in de reguliere voortgangsrapportage. U kunt dus uw vinger aan de pols blijven houden.

Het wetsvoorstel voor de invoeringswet is onlosmakelijk onderdeel van het wetgevingsprogramma voor het nieuwe wetboek. Het wetsvoorstel bevat het overgangsrecht en aanpassingen van andere wetten aan het nieuwe wetboek. Het aannemen van de invoeringswet door beide Kamers is randvoorwaardelijk voor de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek. Dus nee, het kan niet in werking treden zonder de invoeringswet. Voor de liefhebbers: in 2025 is COMPAS, waar ik overigens vroeger zelf nog mee gewerkt heb, volledig buiten gebruik gesteld.

De heer Janssen i (SP):

Ik heb een vraag mede naar aanleiding van wat de staatssecretaris in een eerder blokje zei over dat jaar. Blijft het nu hoe dan ook een jaar voor inwerkingtreding? Of zegt de staatssecretaris: nou, het kan ook nog zo zijn dat we denken er met een halfjaar uit te komen? Dat is even mijn vraag. In een vorig blokje zei de staatssecretaris namelijk: het is een jaar en dan schuift de invoeringsdatum mee. Is een jaar een jaar of kan dat jaar ook een halfjaar worden?

Staatssecretaris Rutte:

De organisaties die moeten gaan werken met dat nieuwe wetboek geven zelf aan dat jaar nodig te hebben. Als zij tot briljante nieuwe inzichten komen en alles zo meevalt dat zij zeggen dat het in een halfjaar kan, dan hebben we een ander gesprek in dit huis. Mijn ervaring leert dat dat waarschijnlijk niet gebeurt.

De heer Janssen (SP):

Ik kom nog maar even terug op de Omgevingswet en het hele traject daarbij. Daarin wordt gezegd: "Het is nu zo ver. Laten we toch maar beginnen, want anders wordt het allemaal veel te laat. Dat jaar moet dan maar even niet, want dat kunnen we ons niet veroorloven." Er moet een redelijke termijn zijn — u gaat nog steeds uit van een jaar — die nodig is om te zorgen dat het op een goede manier van start kan.

Staatssecretaris Rutte:

Ik denk dat u dat op deze manier goed verwoordt.

De heer Recourt stelde een vraag over digitale autonomie: "Is onze rechtsspraak een deel van de kritieke infrastructuur? Op welke wijze wordt ervoor gezorgd dat deze structuur onafhankelijk van big tech in het verlengde van de Verenigde Staten of China opereert?" Waar je al niet over te spreken komt bij het Wetboek van Strafvordering! Het is wel een aangelegen punt, uiteraard. De rechtsspraak zelf is niet aangewezen als kritieke infrastructuur. Dat neemt niet weg dat het belang van strategische autonomie in de rechtsspraak wordt onderkend. Toch kunnen externe afhankelijkheden met externe IT-partijen, of dit Nederlandse, Europese of Amerikaanse bedrijven zijn, niet altijd worden vermeden, mede gelet op de specifieke kennis en producten die techbedrijven te bieden hebben. Het beleid is dat bij de aanschaf van IT-systemen afhankelijkheid van derde landen zo veel mogelijk wordt voorkomen. Hierbij speelt de datasoevereiniteit van Nederland een cruciale rol. Het is dus niet een keihard antwoord, maar het is wel "zo veel mogelijk". Je ziet eigenlijk wel in de hele discussie, ook binnen het kabinet en in het parlement, dat we daar steeds kritischer over worden, dat wel.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Gelukkig. Dat laatste is al bijna een antwoord op mijn vraag. Ik zou namelijk zeggen: moet er dan geen strategie ontwikkeld worden om ervoor te zorgen dat we op een bepaalde termijn inderdaad strategisch autonoom zijn?

Staatssecretaris Rutte:

Dat is een hele interessante vraag. Ik kan daarover heel lang van gedachten wisselen. Ik heb daar ook allerhande ideeën bij, maar het gaat me net iets te ver om dat hier in dit debat helemaal op te pakken. Ik weet wel dat daar in het nieuwe kabinet niet voor niets een aparte staatssecretaris voor komt. Die gaat over dit soort thema's beleid uitzetten. De denkrichting van de heer Recourt herken ik wel.

Dat was de kritieke infrastructuur. Ik blader door. Mevrouw Van Bijsterveld had het over maatregelen die worden getroffen om de veiligheid en vertrouwelijkheid van verplichte elektronische indiening van stukken te waarborgen, mede gelet op het risico van cyberaanvallen. Alle ketenpartners hebben zich verbonden aan dezelfde ontwerprichtlijnen en architectuur, ook ten aanzien van informatiebeveiliging. Nu moet ik even gaan opletten, want het regent afkortingen. Dit betreft vanuit de Europese Unie het European Interoperability Framework, het EIF. Vanuit de Rijksoverheid is het de Nederlandse Overheid Referentie Architectuur, de NORA, en de RijksOverheid Referentie Architectuur, de RORA. Vanuit de strafrechtketen gaat het om de Ketendoelarchitectuur. Daar is geen afkorting voor. Ik kan het afkorten tot KDA, maar het staat hier niet op mijn papier, dus dat durf ik u niet toe te zeggen. Maar het zijn heel wat standaarden dus. De ketenpartners moeten bij de verplichte elektronische indiening van stukken voldoen aan de maatregelen van de Baseline Informatiebeveiliging Overheid, BIO, nummer twee, of daaraan gelijkwaardige maatregelen. Een van de maatregelen is security by design. Dit krijgt onder meer gestalte doordat securityteams van het begin tot het eind bij ICT-ontwikkelingen worden betrokken. Op de vraag of we erop letten, had ik ook kunnen zeggen: ja, op allerhande manieren.

Dan ga ik door. De heer Doornhof vroeg: kunnen de bewindslieden concreter aangeven hoe zij de gedachtewisseling over de advisering door het Adviescollege ICT-toetsing met de senaat voor zich zien? De heer Doornhof had in onze elfde voortgangsrapportage al gelezen dat de datum van de geplande inwerkingtreding op 1 april 2029 wordt heroverwogen als de rapportage van het Adviescollege ICT-toetsing daartoe aanleiding geeft. Daar heb ik het net ook al over gehad. Onze opvolgers zullen de rapportage van het college met belangstelling bestuderen en in nauwe samenwerking met de ketenpartners een beleidsreactie op de rapportage aan uw Kamer sturen. Naar aanleiding van die beleidsreactie kan uw Kamer het debat met de bewindspersonen voeren over de bevindingen en de maatregelen die het ministerie en de strafrechtketen zo nodig naar aanleiding van het rapport nemen. Dus het wordt actief met u gedeeld, geduid en wel.

De heer Talsma vraagt nog: welke scenario's heeft de minister voor ogen om een voortvarende en uitvoerbare inwerkingtreding te realiseren, vooral in het licht van de ICT-opgave en nu het advies van het ICT-adviescollege nog ontbreekt? Dan val ik een beetje in herhaling. Dat advies komt er binnenkort aan. We gaan dat delen met uw Kamer. Op basis daarvan zult u ook zien hoe het kabinet dat beoordeelt en hoe het op basis daarvan keuzes maakt. U kunt daarover in gesprek gaan, mocht die wens er zijn. Daarmee sluit ik dit blokje af.

Het volgende punt gaat over — ik voorzie een doublure, maar het is maar één blaadje — de datum van inwerkingtreding. Daarover waren vragen gesteld door de heer Recourt, de heer Walenkamp en de heer Janssen. Als ik het samenvat, is de vraag: is er eigenlijk een plan B als het allemaal niet lukt? Dan sla ik het helemaal plat. Het implementatiebudget van 450 miljoen euro is mede bestemd voor de ontwikkeling van elektronische systemen. De toekenning van deze middelen wordt aan de hand van door de organisatie ingediende implementatieplannen per jaar vastgesteld door het ministerie van Justitie en Veiligheid. Alle planningen zijn nog steeds gericht op invoering per 1 april 2029. Dat betekent dat het gehele wetboek in één keer in werking treedt. Dat is plan A. Dat zal u niet verbazen. Met uw Kamer zie ik uit naar de resultaten van het onderzoek van het Adviescollege ICT-toetsing. Aan de hand van die rapportage wordt de haalbaarheid van 1 april 2029 dit voorjaar opnieuw beoordeeld. Een jaar voorafgaand aan die datum wordt daarnaast in overleg met de strafrechtketenorganisatie bekeken of die streefdatum nog steeds haalbaar is. Dat geeft voldoende ruimte om zo nodig andere afspraken te maken. Dat zou op dat moment alsnog tot een plan B kunnen leiden. Op de status van de implementatieopgave bij het Openbaar Ministerie zal de minister straks nader ingaan. Dus kort gezegd, als we goed nieuws krijgen, mikken we met elkaar gewoon op 1 april 2029. Zit het tegen, dan zullen we samen met de ketenpartners bezien wat dan een reële andere planning is en wat daarvoor nodig is. Ik zie beweging in mijn rechterooghoek, maar toch ook weer niet.

Dan ga ik gewoon door naar de evaluatie en de invoeringstoets. Het is niet de uitvoeringstoets. Ik leer gedurende het debat. Ik heb vragen van de heer Recourt, de heer Dittrich en mevrouw Van Bijsterveld. Waarom is er op dit moment nog geen toetsingskader voor de door het WODC uit te voeren invoeringstoetsen? Ik kreeg onder meer ook de volgende vragen. Wil de minister toezeggen dat de verhouding tussen de rechter-commissaris en de voorzitter van de strafkamer wordt meegenomen in de wetsevaluatie? Is de minister bereid toe te zeggen dat bij de invoeringstoets expliciet wordt beoordeeld in hoeverre de regierol van de rechter-commissaris, die niet is voorzien van eigen sanctiemiddelen, in de praktijk daadwerkelijk bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van de beweging naar voren? Dat zijn eigenlijk allemaal vragen over de wetsevaluatie, vijf jaar na inwerkingtreding van de wet. Die gaat plaatsvinden door het WODC. In deze evaluatie zal centraal staan of de doelstellingen van het nieuwe wetboek zijn gerealiseerd. Vooruitlopend op deze formele evaluatie wordt er één jaar en drie jaar na inwerkingtreding een invoeringstoets uitgevoerd. Momenteel wordt er vanuit het departement gewerkt aan de vormgeving en voorbereiding van die invoeringstoetsen. De regierol van de rechter-commissaris zal hierbij worden meegenomen, zoals gevraagd door mevrouw Van Bijsterveld. Ten aanzien van de opzet en wijze van uitvoering van de evaluatie is het departement verantwoordelijk voor de keuze op welke beleidsvraag antwoord moet worden gezocht en is het WODC verantwoordelijk voor de wijze waarop dit onderzocht wordt en welke onderzoeksmethodieken daarvoor geschikt zijn. Daarbij kan aan onderzoekers worden verzocht om te onderzoeken of het nieuwe wetboek effect heeft op het doenvermogen van kwetsbare verdachten — daar werd aan gerefereerd — de toegang tot het recht als gevolg van de digitalisering en de rechtsbescherming in hoger beroep, zoals gevraagd door Kamerlid Recourt. Het ligt in de rede dat in de evaluatie wordt onderzocht of het nieuwe wetboek effect heeft op de verhouding tussen de rechter-commissaris en de voorzitter van de strafkamer, zoals gevraagd door de heer Dittrich.

Dan kom ik bij een andere vraag van de heer Dittrich. Wat zijn de mogelijkheden van de minister om additionele maatregelen te nemen om de hoofddoelstellingen van het nieuwe wetboek om doorlooptijden te verkorten te bereiken? Gaat hier specifiek op gelet worden bij de invoeringstoetsen één en drie jaar na inwerkingtreding? Het nieuwe wetboek biedt kansen om werkprocessen te stroomlijnen en efficiënter te werken, waardoor doorlooptijden kunnen worden ingekort; we hadden het daar al over. We verwachten dat de strafrechtketenorganisaties zich maximaal inspannen om deze kans ook daadwerkelijk te benutten. Met de invoeringstoetsen worden de ervaringen die met het wetboek worden opgedaan, in kaart gebracht en hierdoor kan er snel worden bijgestuurd bij mogelijke ongewenste en onvoorziene effecten. Mochten er uit die invoeringstoetsen knelpunten naar voren komen, dan kan er vanuit het departement worden bekeken welke mogelijkheden er zijn om bij te sturen. We houden gewoon echt actief vinger aan de pols in de praktijk en sturen bij waar dat kan en nodig is.

De heer Dittrich vroeg ook: wie is er uiteindelijk verantwoordelijk voor het bewaken van de voortgang en het ingrijpen bij problemen? In eerste instantie zorgen de organisaties in de strafrechtketen zelf voor monitoring van de voortgang. Indien nodig wordt de aanpak bijgestuurd door het bestuurlijk ketenberaad van de strafrechtketen. De politieke verantwoordelijkheid voor het bewaken van de voortgang en het ingrijpen bij problemen rust bij mij en binnenkort bij mijn opvolger als staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Op ambtelijk niveau nemen ambtenaren van de departementen deel aan de ketenoverleggen in de implementatiestructuur voor het nieuwe wetboek. Ook wordt er gestuurd op de aanpak van de implementatie bij alle ketenpartners via de bestaande planning- en controlecyclus. Dat betekent onder andere dat de implementatie van het wetboek onderdeel is van de jaarplanaanschrijvingen en dat de ketenorganisaties de departementen over de voortgang informeren via zogenaamde totaalrapportages. Dit zal de komende jaren geen bijzaak zijn; daar kunt u op rekenen.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Ik heb een semantische vraag. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat het in de rede ligt dat bij de evaluatie de drie punten van mij en de twee punten van de heer Dittrich zullen worden meegenomen. Is "in de rede liggen" dat het gebeurt hetzelfde als een toezegging dat het gebeurt?

Staatssecretaris Rutte:

Wat mij betreft wel.

De voorzitter:

Semantische discussie beslecht.

Staatssecretaris Rutte:

Anders had ik het net zo goed niet kunnen zeggen.

Dan kom ik bij mijn laatste blokje. Dat is toch mooi. Het is ook niet zo dik. Het is het blokje flankerend beleid en cultuuromslag. Dat klinkt wollig, maar wie weet; misschien kan ik het concreet maken. Er zijn in ieder geval heel concrete vragen gesteld, onder andere door de heer Doornhof. "Kunnen de bewindslieden, in het licht van de ervaringen met de Omgevingswet, met betrekking tot het nieuwe Wetboek van Strafvordering concreter maken hoe de cultuuromslag binnen de strafrechtketen waar wordt gemaakt?" Meer mensen hebben gerefereerd aan de Omgevingswet en de oude, verkokerde wanpraktijken die maar de kop op blijven steken. Hij zei ook: "De echte maatregelen om die cultuuromslag waar te maken, ontbreken nog een beetje. Waaraan mag u het vertrouwen ontlenen dat dit gaat lukken?" Zo vat ik het maar een beetje samen.

De voorbereiding van de implementatie is in volle gang. Dat proces vergt ook nu al intensieve samenwerking van alle betrokken ketenpartners, omdat veel aanpassingen in gezamenlijkheid vorm moeten krijgen. Ik ben dan ook verheugd dat de ADR bij een recente beoordeling van alle bestedingsplannen van de ketenpartners voor de invoering van het nieuwe wetboek heeft geconstateerd dat de onderlinge samenwerking om de ketenopgaven te realiseren, constructief verloopt. Vanzelfsprekend is het ministerie van JenV ook intensief betrokken bij deze samenwerking. Het ministerie biedt de partijen ook ondersteuning in het vormgeven van de ketensamenwerking. Het nieuwe wetboek biedt kansen om werkprocessen te stroomlijnen en efficiënter te werken, waardoor doorlooptijden kunnen worden ingekort. We verwachten dat de strafrechtketenorganisaties zich maximaal inspannen om deze kansen te benutten, mede gelet op de intensieve samenwerking met de ketenpartners waarmee de regelingen tot stand zijn gekomen. Dat betekent gewoon dat we met elkaar heel intensief bezig zijn. Tot nu toe verloopt dat ronduit goed. Als deze wet is aangenomen, gaan we de volgende fase in. We zullen met elkaar moeten blijven evalueren of het goed blijft lopen. De eerste signalen zijn in ieder geval goed.

De heer Talsma vroeg: kan de minister concretiseren welke aanvullende maatregelen, flankerend beleid en bij de implementatie te maken keuzes er nodig zijn om sommige van de genoemde doelstellingen daadwerkelijk te kunnen behalen, zoals de verkorting van de doorlooptijden en de reductie van de administratieve lasten? Het ministerie maakt samen met de ketenpartners gezamenlijke afspraken, bijvoorbeeld over professionele standaarden zoals termijnen en uniforme documenten. Ook hebben de ketenpartners ervoor gekozen hun werkprocessen stap voor stap aan te passen en op elkaar af te stemmen, zodat knelpunten snel kunnen worden gesignaleerd. Voor de reductie van administratieve lasten bevat het wetboek diverse maatregelen, zoals een langere termijn voor de uitoefening van enkele bevoegdheden of het feit dat bevelen, vorderingen en machtigingen mondeling kunnen worden afgegeven. In het eerste en het derde jaar volgen invoeringstoetsen — daar hadden we het al over — waarmee het nieuwe wetboek en de praktijk kunnen worden gemonitord.

Dan kom ik bij de allerlaatste vraag. Mijn allerlaatste antwoord is voor de heer Schalk. Ik zie dat hij opveert. Zijn vraag ging over het digitale strafproces. Hij vroeg heel terecht: "Hoeveel aandacht is er nou besteed aan digibeten en laaggeletterden? Hoe kunnen zij voldoende meekomen?" Burgers zonder advocaat zijn niet verplicht om digitaal te communiceren. Zoals ik eerder al aangaf: dat kan ook nog steeds ouderwets per post. Ze kunnen dus gewoon een brief sturen. Bij de ontwikkeling van nieuwe digitale infrastructuur door de overheid gelden voor onderdelen waarmee de burger in aanraking komt de standaarden voor toegankelijkheid die zijn neergelegd in het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid. Op die manier wordt gebruiksvriendelijkheid geborgd voor alle burgers, maar de burger hoeft daar dus geen gebruik van te maken: op papier kan ook. Zo wordt er een evenwicht bereikt tussen enerzijds het bevorderen van het digitale strafproces en anderzijds de realiteit waarin niet elke burger die met strafrecht te maken krijgt, even goed in staat is tot elektronisch communiceren en procederen.

Daarmee rond ik voor nu mijn beantwoording af.

De voorzitter:

U heeft nog één interruptie, van de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik heb even alle blokjes afgewacht. Ik had de staatssecretaris helemaal aan het begin voorgehouden dat ik een vraag had gesteld waar geen antwoord op gegeven was in het betreffende blokje. De staatssecretaris meende dat dat misschien in een ander blokje nog tevoorschijn zou komen. De vraag ging over de versterking van de rechten van de verdachte. Die had ik niet voor niks gesteld, want in de positionpaper van de Nederlandse orde van advocaten waar wij over beschikken, wordt toch redelijk kritisch geoordeeld dat "deze wijzigingen moeten resulteren in een systeem waarin efficiency de boventoon voert en op sommige punten belangrijker wordt geacht dan een rechtsstatelijke bescherming tegen overheidsoptreden of een effectieve uitvoering van verdedigingsrechten". Ik hoorde de staatssecretaris in antwoord op de vraag van collega Janssen al zeggen: het gaat ook over de rechten van de verdediging. Mevrouw Vogels heeft daarop gewezen. Ik heb gezegd: als we nou honderden nieuwe artikelen lezen, zal het toch niet moeilijk zijn om hier tien voorbeelden te noemen waarmee de rechten van de verdachte worden versterkt. Die voorbeelden zijn niet gegeven. Dat geeft mij het idee dat de Nederlandse orde van advocaten gelijk heeft. Misschien kan de staatssecretaris alsnog met die tien voorbeelden komen, of misschien met één. Dan hebben we er één; dat is al een behoorlijke versterking. Ik hecht er toch aan om te horen waar dat dan allemaal staat.

Staatssecretaris Rutte:

Dat is een terecht punt. Ik heb het ook toegezegd. Ik heb het antwoord ook gezien, maar niet gevonden in mijn beantwoording van net. Er is dus even iets misgegaan. Ik ga even spitten in mijn documenten en geef het woord aan de minister. Ik kom daar zo meteen op terug bij de heer Nicolaï.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid. Maar er is ook nog een interruptie van de heer Hartog. Die is voor de staatssecretaris, toch?

De heer Hartog i (Volt):

Klopt, voorzitter. Excuses, maar ik kwam van de zijkant. Ik had een vraag gesteld over elektronische voorziening. Er staat iets over indienen, overdracht en dat soort dingen. Dat geeft de indruk dat het wat ouderwets is; laat ik het zo zeggen. Ik wil dus eigenlijk vragen hoe toekomstbestendig dat is. Het geeft een beetje de indruk dat het een brief is die van de ene kant naar de andere kant gaat. Maar wat als er iets is dat niet wordt overgedragen en niet wordt ingediend? Kan dat ook onder een "elektronische voorziening" vallen? Hetzelfde geldt voor de elektronische handtekening. Fijn dat die erin staat, maar over drie jaar, als de wet wordt ingevoerd, gebruiken we die niet meer en gaan we andere authenticatie gebruiken. Hoe wordt dat meegenomen? Hoe digitaal toekomstbestendig is dit Wetboek van Strafvordering? Dat was eigenlijk mijn vraag, via het voorbeeld dat ik had gegeven.

Staatssecretaris Rutte:

Ook daar had ik antwoorden voor klaar liggen. Ergens is er een mapje verloren gegaan. Dit antwoord weet ik ook gewoon. Als er gegevens via een platform worden uitgewisseld, dan valt dat gewoon onder de dekking van deze wet. Daarmee is dat dus wel afgehecht. De digitaliseringsslagen die gemaakt kunnen worden, zijn wel degelijk toekomstbestendig: als er nieuwe ontwikkelingen zijn, kunnen die zo worden geïnterpreteerd dat die onder de dekking van deze wet vallen.

Ik ga even op zoek naar het antwoord op de vraag van de heer Nicolaï, want dat is er. Daar heeft hij ook recht op. Daar kom ik zo op terug.

De voorzitter:

Het mapje wordt gezocht. Dan geef ik nu het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Van Oosten i:

Voorzitter, dank. Ik moet u zeggen dat het toch wel heel speciaal is om vanavond met u en alle andere aanwezigen te spreken over de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Het is op de kop af 100 jaar geleden — velen van u hebben het al aangehaald — dat de vorige versie in werking trad. Velen van u hebben geciteerd uit de Handelingen en gememoreerd aan mijn voorganger, minister Heemskerk. Inmiddels is dat voor mij een illustere voorganger geworden. Aan de hand daarvan ik heb een beeld gekregen van hoe de actualiteit toen bekeken werd en hoe er toen gediscussieerd en beraadslaagd werd. Nu ik al uw bijdragen heb beluisterd, mijn eigen beantwoording nog eens goed heb doorgenomen en naar de staatssecretaris en professor Knigge heb geluisterd, ben ik wel heel nieuwsgierig geworden hoe men over 100 jaar naar de beraadslaging van vandaag kijkt.

Mijn voorspelling is dat het woord "ICT" dan helemaal niet meer bekend is — dan verwijs ik toch even naar de heer Recourt — temeer omdat de contourennota voor de modernisering van het Wetboek van Strafvordering tien jaar geleden naar de Tweede Kamer, toen nog op het Binnenhof, kwam. Ik weet niet of de heer Recourt het zich anders herinnert, maar het woord "AI" heb ik daar niet in teruggevonden. Inmiddels stelt u daar terecht vragen over. Gelijktijdig — dan rond ik mijn inleiding af, want we zitten ook een beetje aan de tijd — heb ik twee woorden van mevrouw Vogels die ik even goed wil noteren: een eerlijk en rechtvaardig proces. Ik heb de overtuiging dat ook over 100 jaar al onze opvolgers in dit huis nog steeds met elkaar praten om dat vorm te geven. Dat siert ons allemaal vanavond, denk ik. Het is heel bijzonder om dit zo te mogen meemaken.

Voorzitter. Ik heb een paar blokjes voor u. Die noem ik op omdat ik heb begrepen dat u daar prijs op stelt. Ik begin met het blokje opsporing en dan heb ik de blokjes voorlopige hechtenis, artificiële intelligentie, OM en ICT, en het blokje — ik zou bijna zeggen "het blokje meneer Dittrich" — internationale strafrechtelijke samenwerking. Dat bevat diverse vragen die allemaal van de zijde van de heer Dittrich zijn gekomen.

Opsporing. Om te beginnen stelde de heer Recourt een vraag waar ik een heel antwoord op heb, maar die ik heel kort ga beantwoorden, want dat is ook mogelijk. Hij vroeg of ik wil bevestigen dat er later nog twee elementen worden hersteld, te weten privacybescherming bij digitale gegevensdragers en de notificatieplicht bij niet-verdachten. Het antwoord daarop is ja. Dat gaan we meemaken in de tweede aanvullingswet, die zojuist al werd gememoreerd. Die komt dus ook naar uw Kamer.

De heer Dittrich stelde voor om een externe onderzoekscommissie in te stellen voor beslissingen van het OM in zaken van levensbelang. Ik ben er maar duidelijk over: ik zie daar geen aanleiding voor. Ik geef u wel redenen waarom ik daar geen aanleiding voor zie. Ik heb er zeven. We hebben een interne kwaliteitsborging. Die zorgt ervoor dat het Openbaar Ministerie heel terdege moet nagaan hoe er wordt omgegaan met situaties die van levensbelang zijn. Daarnaast hebben we natuurlijk ook de beklagprocedure, die slachtoffers de mogelijkheid geeft om bij het gerechtshof in beroep te gaan tegen een beslissing van de officier van justitie. De opsporing is nu nieuw in de wet geëxpliciteerd, dus er bestaat ook een mogelijkheid om beklag te doen over het niet verder opsporen. Dan is er de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Die heeft de wettelijke taak om toezicht te houden op het Openbaar Ministerie. Ik verwijs ook naar de Nationale ombudsman en organisaties zoals de Autoriteit Persoonsgegevens. Ten slotte wil ik toch ook memoreren aan de verantwoordelijke minister — ik zou zijn of haar positie namelijk niet willen uitvlakken — die er natuurlijk ook de verantwoordelijkheid voor voelt dat het Openbaar Ministerie goed draait en die daar desgewenst ook verantwoording over heeft af te leggen aan de Tweede en Eerste Kamer. Dat zijn mijn redenen om het voorstel van de heer Dittrich niet toe te kennen.

De heer Walenkamp komt een paar keer voorbij in mijn beantwoording. Hij stelde onder meer een vraag over de verdedigingsrechten. Ik kreeg de indruk uit zijn bijdrage dat hij vreest dat daar het een en ander in wijzigt. Ik hoop hem gerust te stellen, want dat doet zich niet voor. Het nieuwe wetboek brengt daar geen verandering in. Het is natuurlijk wel zo dat de verdediging ook onderzoekswensen kan indienen bij de rechter-commissaris en, als de procesinleiding is ingediend, bij de zittingsrechter. Dat is, denk ik, een goede zaak.

De heer Walenkamp stelde ook een vraag over het preventieve toezicht door de rechter-commissaris en uitte de vrees dat dit zou worden uitgehold. Sowieso geldt natuurlijk dat voor de uitvoering van ingrijpende bevoegdheden de officier van justitie nu al de machtiging van de rechter-commissaris nodig heeft. Ik wijs ook op het feit dat er nu in het nieuwe wetboek diverse bevoegdheden bij komen die juist expliciteren dat de officier van justitie een machtiging nodig heeft. Dat versterkt juist de positie van de rechter-commissaris. Daarnaast merk ik toch het volgende even op. Het is niet de vraag van de heer Walenkamp, maar ik hecht er toch aan om daar ook even iets over te zeggen. Ook een officier van justitie is een magistraat en heeft altijd de afweging te maken hoe een en ander zich tot de rechtsstaat verhoudt. Ik heb daar ook alle vertrouwen in.

Dan kom ik bij de heer Talsma, die verwijst naar het amendement op stuk nr. 35. Dat klonk mij wat cryptisch in de oren, maar ik heb het uitgezocht. Dat amendement is door het toenmalige lid Helder ingediend. Als ik goed geïnformeerd ben, ging uw vraag eigenlijk over de verhouding tussen enerzijds de bevoegdheid van het College van procureurs-generaal en anderzijds de inzet en de inspanning van de individuele officier van justitie in een specifieke zaak. Het college waakt over de behoorlijke vervolging en opsporing en kan in dat kader algemene aanwijzingen geven. De officier van justitie heeft vanzelfsprekend het gezag. Een aantal van u heeft ook ervaring met de specifieke opsporing zelf. Die systematiek geldt onverkort. Dit leidt ertoe dat de opsporingsambtenaar in overeenstemming met de algemene aanwijzingen van het college kan afzien van verdere uitoefening van zijn bevoegdheid tot opsporing. Maar — en ik zeg het even heel precies ook voor de Handelingen — de verantwoordelijkheid van de officier van justitie brengt mee dat hij bevelen kan geven aan de opsporingsambtenaar en dat de ambtenaar zijn beslissing afstemt met de officier van justitie als een concreet geval daartoe noopt.

De heer Hartog stelde een vraag over de administratieve verlichtingsmogelijkheden van de zijde van de politie. Ik hoop hem ermee gerust te kunnen stellen dat het nieuwe wetboek verschillende maatregelen bevat om administratieve lasten te doen verminderen. Praktisch werkt dat bijvoorbeeld uit met telefonische aangiften et cetera, die door medewerkers intake en service kunnen worden behandeld. Later kan dat ook door medewerkers die van buitenaf rechtstreeks instromen en die daarvoor een korte opleiding gaan genieten. Daarnaast beschikken politieambtenaren natuurlijk steeds meer over digitale middelen om hun werk en alle registraties et cetera ook ter plekke te kunnen doen. Denk bijvoorbeeld aan aangiften via de telefoon bij slachtoffers thuis. Ten slotte zetten we stevig in op het steeds meer en volledig online aangifte kunnen doen. Die aangiften zouden dan ook tamelijk eenvoudig verwerkt moeten kunnen worden met een korte administratieve opleiding.

De heer Doornhof komt twee keer achter elkaar voorbij. Hij vraagt naar de extra innovaties die plaatsvinden, al dan niet bij de politie. De politie werkt doorlopend aan innovatie in de opsporing. Dat kan ik beamen, zoals ik de afgelopen periode als minister van heel nabij heb gezien. Denk ook aan hoe je AI daarbij kunt benutten. Ik kom dadelijk op dat onderwerp nog specifiek terug. Het is zeker zo dat in de toekomst extra innovaties op het gebied van opsporing te verwachten zijn. Het nieuwe Wetboek van Strafvordering biedt ook de ruimte om technologische innovaties te kunnen toepassen. Ik wijs wel even specifiek op de commissie-Koops II. Die ziet, zoals u ook weet, weliswaar op de bulkdata, de informatievergaring daaromheen en de vraag hoe je die op een fatsoenlijke manier kunt verwerken. Daarover komt een advies naar u toe: eerst naar de Tweede Kamer en later ook naar de Eerste Kamer. Dat kan theoretisch leiden tot een wetsaanpassing. Dat is dan weer zo'n voorbeeld, zeg ik tegen de heer Doornhof, waaruit blijkt dat dit onderwerp voortdurend in beweging zal blijven.

Daarmee heb ik het blokje opsporing afgerond, voorzitter.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Ik kom even terug op de beantwoording door de minister over het amendement-Helder, het amendement op stuk nr. 35. Ik heb de tekst er maar even bij gezocht, want ik dacht: zegt de minister hier nu iets anders dan er op papier staat? Ik heb toch vrij stellig die indruk. Ik hoor de minister hier zojuist zeggen, als ik hem goed heb beluisterd, dat de opsporingsambtenaar die overweegt of voornemens is om van verdere vervolging of verdere opsporing af te zien en de verdachte in vrijheid wil stellen, in voorkomend geval contact opneemt met de officier van justitie. Toen dacht ik: hé, dat klinkt mij bekend in de oren. Dat was namelijk exact de formulering van mijn vraag in de schriftelijke ronde. Toen was het antwoord nog dat dat niet de bedoeling was. Nu hoor ik de minister zeggen van wel. Ik ben dus even nieuwsgierig: wat wordt het nu? Is er inderdaad een kwestie van contact tussen de opsporingsambtenaar en de officier van justitie, waarbij die dus ook de verantwoordelijkheid kan dragen? Of is dat niet zo? Dan blijft mijn vraag staan: hoe krijgt die verantwoordelijkheid, die wel in de wettekst staat, dan in concreto vorm?

Minister Van Oosten:

Ik heb heel precies gepoogd te formuleren hoe een en ander zich tot elkaar verhoudt. Als we daar nog discussie over hebben, als er nog een verschil is, dan hoor ik dat graag, maar dan moet ik dat in de tweede termijn expliciteren. Maar laat ik het nog een keer zeggen voor zover ik het misschien niet helemaal goed heb teruggegeven: de opsporingsambtenaar kan in overeenstemming met de algemene aanwijzingen van het college afzien van verdere uitoefening van de bevoegdheid tot opsporing. Dat ziet dus op die algemene aanwijzingen. De verantwoordelijkheid van de officier van justitie brengt mee dat hij bevelen kan geven aan de opsporingsambtenaar en dat de opsporingsambtenaar zijn beslissing afstemt met de officier van justitie als een concreet geval daartoe noopt. Ik zie dat meneer Knigge de behoefte voelt om wat te zeggen.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Het komt vaker voor. Opsporingsambtenaren hebben een zekere beoordelingsvrijheid, ook los van dit hele concrete geval waarin het erom gaat dat een verdachte door een derde … Vaak is dat een winkelier die een winkeldief aanhoudt. Opsporingsambtenaren hebben de bevoegdheid om van sommige zaken geen werk te maken. We noemen dat het politiesepot. Dat is al jarenlang de praktijk. Daarvoor geldt precies hetzelfde, namelijk dat de politieambtenaar dat in overeenstemming met de algemene richtlijnen van het College van procureurs-generaal moet doen. Hij hoeft niet voor iedere beslissing de officier van justitie te raadplegen; hij heeft daarin een zekere eigen beoordelingsvrijheid. Natuurlijk brengt de verantwoordelijkheid van de officier van justitie mee dat, als hij het idee heeft dat de opsporingsambtenaar zijn boekje te buiten is gegaan, hij de opsporingsambtenaar ter verantwoording kan roepen. Het is dus niet zo dat de officier van justitie gekend hoeft te worden in iedere individuele beslissing, maar het moet wel in overeenstemming met het beleid van het Openbaar Ministerie zijn en de officier van justitie kan de opsporingsambtenaar daar in voorkomende gevallen ook op aanspreken.Het komt vaker voor. Opsporingsambtenaren hebben een zekere beoordelingsvrijheid, ook los van dit hele concrete geval waarin het erom gaat dat een verdachte door een derde … Vaak is dat een winkelier die een winkeldief aanhoudt. Opsporingsambtenaren hebben de bevoegdheid om van sommige zaken geen werk te maken. We noemen dat het politiesepot. Dat is al jarenlang de praktijk. Daarvoor geldt precies hetzelfde, namelijk dat de politieambtenaar dat in overeenstemming met de algemene richtlijnen van het College van procureurs-generaal moet doen. Hij hoeft niet voor iedere beslissing de officier van justitie te raadplegen; hij heeft daarin een zekere eigen beoordelingsvrijheid. Natuurlijk brengt de verantwoordelijkheid van de officier van justitie mee dat, als hij het idee heeft dat de opsporingsambtenaar zijn boekje te buiten is gegaan, hij de opsporingsambtenaar ter verantwoording kan roepen. Het is dus niet zo dat de officier van justitie gekend hoeft te worden in iedere individuele beslissing, maar het moet wel in overeenstemming met het beleid van het Openbaar Ministerie zijn en de officier van justitie kan de opsporingsambtenaar daar in voorkomende gevallen ook op aanspreken.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Er is geen woord van de heer Knigge waar ik het niet mee eens ben in dit geval. Er zit dus geen licht en lucht tussen onze standpunten. Het punt is alleen dat het wetsvoorstel zegt, artikel 1.3.15, dat er een cumulatief is. Het moet dus én onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie én met inachtneming van de algemene aanwijzing van het College van pg's. Het is dus niet een kwestie van "er zijn algemene aanwijzingen" — ja, natuurlijk, die zijn er — en "er is een verantwoordelijkheid voor de officier". Ja, die is er ook. Maar voor het afzien van verdere opsporing heeft die opsporingsambtenaar de verantwoordelijkheid van de officier nodig én de algemene aanwijzingen. Dan is dus de vraag aan de minister — ik begrijp echter inmiddels dat de regeringscommissaris ook namens de regering spreekt — hoe het dan zit met die verantwoordelijkheid. Hoe kan de officier van justitie zijn of haar verantwoordelijkheid waarmaken als hij of zij niet geconsulteerd wordt of niet betrokken wordt bij die verplichting, terwijl dat wel een wettelijke eis is?

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Ik probeer het juist te verduidelijken aan de hand van het voorbeeld van een politiesepot. Daarbij geldt precies hetzelfde. Daarvoor moet de opsporingsambtenaar handelen in overeenstemming met het algemene beleid van het Openbaar Ministerie zoals dat vormgegeven is in de aanwijzingen van het College van procureurs-generaal, en ook in overeenstemming met aanwijzingen die de officier van justitie misschien in een bepaald arrondissement in het algemeen geeft. Daarnaast staat de verantwoordelijkheid van de officier van justitie om er ook voor te zorgen dat die opsporingsambtenaar zich aan die algemene aanwijzingen houdt en om die opsporingsambtenaar misschien op bepaalde punten te corrigeren.Ik probeer het juist te verduidelijken aan de hand van het voorbeeld van een politiesepot. Daarbij geldt precies hetzelfde. Daarvoor moet de opsporingsambtenaar handelen in overeenstemming met het algemene beleid van het Openbaar Ministerie zoals dat vormgegeven is in de aanwijzingen van het College van procureurs-generaal, en ook in overeenstemming met aanwijzingen die de officier van justitie misschien in een bepaald arrondissement in het algemeen geeft. Daarnaast staat de verantwoordelijkheid van de officier van justitie om er ook voor te zorgen dat die opsporingsambtenaar zich aan die algemene aanwijzingen houdt en om die opsporingsambtenaar misschien op bepaalde punten te corrigeren. Dat zijn twee dingen die heel goed naast elkaar kunnen staan.

De voorzitter:

Dan is het woord weer aan de minister.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Van Oosten i:

Dank, voorzitter. Ik ga naar een volgend blokje toe: voorlopige hechtenis. De vraag van de heer Recourt en van de heer Talsma, die beiden net al aangehaald werden, is in hoeverre de regering tot doel heeft om het gebruik van voorlopige hechtenis terug te draaien. De vraag had ook betrekking op de kritiek die er überhaupt in allerlei gremia is ten aanzien van de omgang met voorlopige hechtenis. Ja, het is waar, er bestaat kritiek op de toepassing van voorlopige hechtenis in de praktijk. Voorlopige hechtenis zou te veel en te makkelijk worden toegepast en niet altijd voldoende concreet worden gemotiveerd. Ik deel — laat dat ook voor de Handelingen maar duidelijk zijn — als minister van Justitie en Veiligheid dat voorlopige hechtenis zo terughoudend mogelijk toegepast moet worden, maar ik onderschrijf niet de stelling dat Nederland koploper zou zijn in Europa wat betreft de toepassing van voorlopige hechtenis. Ik mag dan ook verwijzen naar een onderzoek van de Rekenkamer uit 2017. Ik kom dan ook niet met specifiek beleid om het aantal gevallen terug te dringen. Wel merk ik nog op dat, hoewel de kritiek niet ziet op de wettelijke regeling zelf, maar op de toepassing, er in het nieuwe wetboek voor is gekozen voor te schrijven dat de rechter — ik hoop dat dat ook wat tegemoetkomt aan de opmerkingen van de beide vragenstellers — bij iedere beslissing over de voorlopige hechtenis moet overwegen of voorlopige hechtenis onder voorwaarden kan worden geschorst. Daarmee wordt ook gestimuleerd dat vaker alternatieven voor voorlopige hechtenis worden toegepast. Ik mag ook verwijzen naar de verschillende amendementen van het Kamerlid Sneller om de motiveringsverplichtingen voor voorlopige hechtenis aan te scherpen. Het al dan niet bevelen van een voorlopige hechtenis blijft een rechterlijk oordeel op basis van feiten en omstandigheden in een individuele zaak.

Mevrouw Van Bijsterveld stelt eigenlijk, zou ik willen zeggen, voor een deel dezelfde vraag. Althans, zij stelt de vraag iets anders, maar het antwoord geldt onverkort natuurlijk ook voor haar. De toepassing van de voorlopige hechtenis is wettelijk met wezenlijke waarborgen omkleed. De rechter heeft dat periodiek te toetsen. Ik vind het op dit punt nog belangrijk om te benadrukken dat voorlopige hechtenis een ultimum remedium is, waar je alleen gebruik van moet maken als dat noodzakelijk is.

Voorzitter. Dan ga ik naar de artificiële intelligentie, het thema waarvan ik dacht dat het echt nieuw was. Meneer Recourt begint op dit punt met drie vragen. In de eerste plaats vraagt hij of het wetboek dat we nu bespreken op dit punt niet al achterhaald is voor het gestart is. Nee, zou mijn antwoord zijn. Het wetboek is niet achterhaald omdat het niet voorziet in een specifieke regeling. Voor de toepassing van de AI heeft de Europese Unie namelijk een verordening vastgesteld. Die verordening geldt ook voor de strafrechtstoepassing. We hebben dus een wettelijk kader, dat ook bescherming biedt. Maar dan is de vraag, als ik het zo algemeen mag opmerken, of er dan ook voldoende bescherming is. Die haal ik dan ook uit die verordening. Dan zeg ik dat de verdediging en de rechter kunnen controleren of er gebruik is gemaakt van algoritmes doordat er in processen verbaal verslag wordt gedaan van de verrichte opsporingshandelingen. Ik denk daarnaast dat het menselijk toezicht een heel belangrijk element in de vraag van de heer Recourt is. Het menselijk toezicht moet er altijd zijn. Laat ik het even goed formuleren: de menselijke beoordeling moet er zijn. Op grond van het geldende recht zijn op geautomatiseerde verwerking gebaseerde besluiten die voor de betrokkene nadelige rechtsgevolgen hebben of hem in aanmerkelijke mate treffen, verboden, tenzij het Unierecht of het recht van de EU-lidstaat een dergelijk besluit toestaat en is voorzien op passende maatregelen. Er is dus sprake van een menselijke beoordeling. Ik mag als voorbeeld geven — misschien is het goed om dat maar gewoon vast te leggen — dat een hit in het vingerafdruksysteem HAVANK door een expert wordt onderzocht. Is er dan een match, dan gaan twee andere experts die match vergelijken. Dat doen ze onafhankelijk van elkaar. Pas als drie experts tot dezelfde conclusie komen, is er sprake van een formele individualisatie en wordt dat vastgelegd in een rapport.

De heer Walenkamp heeft een vraag op het punt van AI, algoritmes et cetera. Hij refereert ook aan analysetools. Hij vraagt bijvoorbeeld hoe dat allemaal bijgehouden wordt. Dan verwijs ik naar het algoritmeregister en naar de verplichting uit de AI-verordening om transparant te zijn over de werking van AI. Ik gaf net al aan in de beantwoording aan de heer Recourt dat er verslag over dient te worden gedaan in de processen-verbaal. En een heel belangrijk element vind ik persoonlijk dat de verdediging daarnaast de officier van justitie of de rechter kan verzoeken om een deskundige te benoemen met de opdracht de waarde en integriteit van bewijs dat met behulp van analysetools is verkregen, te onderzoeken.

Dat kan ik ook in de richting van de heer Recourt zeggen, die op dit punt een vervolgvraag heeft. Hij stelt de vraag in hoeverre de gegevens in het strafproces die tot bewijs kunnen dienen, integer zijn. Daar gelden dezelfde reflecties voor die ik in de richting van de heer Walenkamp heb gegeven.

Dan eindig ik op dit punt bij de heer Walenkamp, die mij nog vraagt hoe het staat met de IT-infrastructuur van de politie, die naar zijn stelling regelmatig tekort zou schieten. Dat herken ik overigens niet. Er zijn mij geen aanwijzingen bekend dat het tekortschieten van IT-infrastructuur van de politie leidt tot vragen over de integriteit van digitaal bewijs. Digitale opsporing is een expertise die bij de politie is belegd bij digitaal rechercheurs. Ik verwijs naar de opmerkingen die ik zojuist maakte.

Ten slotte vraagt de heer Walenkamp mij naar de fundamental right impact assessments. Bij de totstandkoming van het wetboek heeft een uitgebreide beoordeling plaatsgevonden van de gevolgen van grondrechten waaronder privacy. De overheid moet op grond van de AI-verordening voor het in gebruik nemen van AI-systemen altijd een — ik zeg het nog één keer in het Engels — een fundamental right assessment uitvoeren.

Dan ga ik naar het blokje OM en ICT. De heer Marquart Scholtz vraagt naar de adviescommissie-ICT en verwijst naar — ik zeg het toch want ik moet hem even citeren — de bezuiniging op het Openbaar Ministerie. Ik wil benadrukken dat daar geen sprake van is. Daarmee zeg ik niet dat er geen financieel vraagstuk is, maar er is geen sprake van. Soms loopt dat weleens wat door elkaar heen. Het is wel waar dat het Openbaar Ministerie heeft aangegeven extra middelen nodig te hebben om de problemen ten aanzien van ICT op te lossen. We hebben allemaal gezien dat er in het nieuwe coalitieakkoord van de regering die gaat aantreden, middelen zijn vrijgemaakt. Ik laat het aan het nieuwe kabinet om daar invulling aan te geven. Nu, onder mijn verantwoordelijkheid, voert mijn ministerie gesprekken met het Openbaar Ministerie over wat er aan de hand is, wat het nodig heeft et cetera. Daar heb ik twee weken geleden in het begrotingsdebat met de Tweede Kamer over gesproken. Het is dus zeker zo dat daaraan gewerkt wordt.

Op dat punt stelt mevrouw Vogels de nodige vragen. De staatssecretaris refereerde al aan het totale implementatiebudget van 450 miljoen. Ik denk dat het, als het gaat om ICT, heel belangrijk is om met uw Kamer uit te zien naar de resultaten die het onderzoek van de adviescommissie ICT-toetsing zal hebben. We hebben het allemaal over de deadline van 1 april 2029. Daar zouden we wat mij betreft aan moeten vasthouden, maar het is ook van belang om zorgvuldig af te wachten wat er precies in het advies staat wat we hebben gevraagd. Ook moeten we bezien hoe het aanstaande kabinet met het OM omgaat met de middelen rondom ICT.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Over die financiën, zowel bij het OM als bij de overige ketenpartners: ik snap dat er op dit moment niet zoveel miljoen kan worden toegezegd. Kan de minister wel toezeggen dat er afdoende financiering komt en dat die financiering meegenomen wordt in de verschillende begrotingen van die ketenpartners, dan wel van het ministerie zelf, zodat deze Kamer en ook de Tweede Kamer dat tijdig kunnen controleren en er dan mogelijk een debat over kunnen voeren?

Minister Van Oosten:

Ik voel mij beperkt om toezeggingen te doen die voorbijgaan aan mijn eigen bevoegdheid, als ik dat zo mag benoemen. Ik moet niet bepalen hoe mijn opvolger begrotingen aan u presenteert. Ik gaf net wat meer context rondom het ICT-vraagstuk, want dat is specifiek in deze Kamer benoemd. Daar heeft een aantal van u vragen over gesteld: "Herkent de minister dat vraagstuk? Ziet de minister dat daar financiële problemen zijn?" Die erken ik ook. Daarom vind ik het een goede zaak dat daar in het coalitieakkoord middelen voor zijn vrijgemaakt. Ik ga er dus van uit dat ook de nieuwe minister van Justitie en Veiligheid dat op een of andere manier een plek gaat geven. Dat ziet dan specifiek op het Openbaar Ministerie.

Daarnaast, maar dat hoef ik de heer Recourt niet uit te leggen, gaat er natuurlijk ontzettend veel geld naar alle verschillende ketenpartners, dus ik denk niet dat we de indruk moeten wekken dat dat niet aan de orde zou zijn. Je zult wel met elkaar moeten nadenken over hoe je dat financieel zo gaat vormgeven dat je uitkomt, ook met de extra investeringen die op onderdelen gaan komen.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Zoals ik al zei, kunnen we de hoogte nu niet vaststellen. We kunnen alleen vaststellen dat af en toe wordt gezegd dat het uit eigen middelen of uit een lopende begroting moet komen. Dan begin ik me al zorgen te maken, dus daarom vraag ik om het inzichtelijk te maken. De minister zei: ik kan mijn opvolger niet vastleggen. Aan alles wat de minister op dit moment toezegt, is zijn opvolger gehouden, want hij zegt dat uit hoofde van zijn functie als minister. Die functie blijft gewoon doorlopen, dus ik snap niet waarom de minister dat niet kan toezeggen.

Minister Van Oosten:

Ik probeerde dat richting de heer Recourt toch duidelijk aan te geven. We hebben allemaal het coalitieakkoord kunnen zien, met de financiële plaat die daaraan gekoppeld is. Dat zijn de financiële middelen die extra worden geïnvesteerd in de diverse ketenpartners, waaronder het Openbaar Ministerie. Het is niet mijn plek en ook niet mijn taak om invulling te geven aan hoe dat precies gaat gebeuren. Het is echt aan mijn opvolger om dat te doen. Ik neem wel kennis van het feit dat dat zo is. Dat vind ik een goede zaak. Ik geef u ook mee dat mijn ministerie nu bezig is om met het Openbaar Ministerie precies over de ICT-problematiek en de financiering te praten.

Dan ga ik naar het blokje meneer Dittrich. Nee, hoor; dit is het blokje internationale strafrechtelijke samenwerking. Daar waren diverse vragen over en daarom heeft men daar een apart mapje omheen gedaan. Hoe zorgen we voor effectieve samenwerking met landen waar ambassadeurs mede voor geaccrediteerd zijn maar waar ze niet de hele tijd zijn? Om te beginnen ben ik het met het lid eens dat contacten met buitenlandse autoriteiten essentieel zijn voor effectieve samenwerking. Ambassades en ambassadeurs spelen daar dus een heel belangrijke rol in, net zo goed als de directe contacten tussen de Nederlandse centrale autoriteit voor rechtshulp en uitlevering en de buitenlandse autoriteiten. Er wordt ook veel geïnvesteerd in onderling vertrouwen. Ik heb zelf de afgelopen periode een aantal bezoeken aan het buitenland mogen afleggen in heel verschillende omgevingen, waarbij ik bijvoorbeeld ook politieliaisons en liaisons van het Openbaar Ministerie mocht ontmoeten. Ik heb daar twee weken terug in de Tweede Kamer ook wat over verteld. Ik ben ontzettend onder de indruk van het werk dat zij doen en hun investeringen in de contacten, juist om te komen tot de punten waar de heer Dittrich ook op wijst, of het nou gaat om verdachten van zware criminele acties of om witwassen; het kan van alles en nog wat zijn. Men investeert daar enorm in. Dat is dus een manier om daarmee bezig zijn.

Er is ook gevraagd wat de samenwerking met andere landen betekent wanneer het specifiek gaat om synthetische drugs. Het is goed om voor ogen te houden dat Nederland veel doet om uitvoer en doorvoer van synthetische harddrugs vanuit Nederland naar andere landen te stoppen. In 2022 — dat is al een paar jaar terug, maar toch; het is onverkort aan de orde — was het ook een van de vier doelstellingen in de Toekomstagenda internationaal offensief tegen georganiseerde criminaliteit. De aanpak en de verstoring ervan in Nederland valt natuurlijk onder de algemene ondermijningsaanpak, die vaak lokaal georganiseerd wordt, maar waarbij het ministerie ook een systeemverantwoordelijkheid heeft — zo beschouw ik dat althans — omdat aan de Tweede Kamer en de Eerste Kamer verantwoording afgelegd moet worden over hoe de besteding van de middelen heeft plaatsgevonden. Ook hierbij is het ontzettend belangrijk om in nauw contact te staan met diverse landen. Ook dan mag ik putten uit ervaringen tijdens een reis die ik naar de West-Afrikaanse regio heb gemaakt. Ik heb daar zelf gezien hoe ongelofelijk verstorend het is voor samenlevingen, als synthetische drugs of onderdelen van synthetische drugs vanuit Nederland daarnaartoe worden gebracht en overigens ook vice versa. Dat maakt samenlevingen kapot. Het ergste is nog wel dat het jonge mensen kapotmaakt en hun hele toekomst daardoor wordt vergald. De heer Dittrich vraagt daar terecht aandacht voor.

Dat geldt ook voor de aandacht die hij vraagt voor de doorlooptijden bij rechtshulpverzoeken. Daarbij verwijst de heer Dittrich heel specifiek naar Boek 8 van het voorliggende wetsvoorstel. Als u heel specifiek de diepte in wil gaan, dan wil ik even naar meneer Knigge verwijzen. Boek 8 is in feite een technische omzetting, want de regeling is gemoderniseerd in 2018. Dat is in dit kader dus wat het is. Maar over de bilaterale verdragen, specifiek met Afrikaanse landen, kan ik het volgende zeggen. Nederland is partij bij verschillende internationale, wereldwijde verdragen die een basis kunnen bieden voor rechtshulp en uitlevering. Daar had de heer Dittrich het zelf ook al over. Maar we hebben ook bilaterale uitleveringsverdragen, ook met Afrikaanse landen. Bij bezoeken proberen we enorm in te zetten op de bilaterale relatie, want ook dat kan al een ongelofelijke toegevoegde waarde hebben, naast het al dan niet hebben van een bilateraal verdrag. Ik probeerde net al de context te schetsen; dat is ook de rol van bijvoorbeeld de minister van Justitie en Veiligheid bij het bezoeken van zo'n land. De afweging hoe je daarmee om moet gaan, maken we stap voor stap, ook met het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Dan kom ik ten slotte bij de laatste vraag en daarmee ook bij het eind van mijn behandeling van de vragen van de heer Dittrich. Hij vroeg of we ook informatie hebben van autoriteiten over veroordelingen buiten de Europese Unie en of wij de wet kunnen aanpassen — dat is eigenlijk de vraag — zodat Nederlandse autoriteiten ook informatie hebben over veroordelingen buiten de Europese Unie. De Nederlandse wet die hier voorligt kun je alleen maar effectief en in die zin veranderen, als je ook internationale verdragsafspraken met andere landen op dit punt hebt gemaakt binnen de EU. Het is niet de vraag, maar ik zeg het dan toch even. Binnen de EU hebben we die afspraken. We wisselen die informatie uit via het ECRIS. Met landen buiten de Europese Unie moeten we op zoek gaan naar andere oplossingen. Daarvoor is in 2023 een stap gezet door de toenmalige minister voor Rechtsbescherming. We pogen dan in EU-kader — dan ben je toch vaak net even het krachtigst — brede afspraken met derde landen te maken over gegevensuitwisselingen. Ik rond af met het volgende voorbeeld. Het is misschien niet het meest in het oog springend land op dat vlak, maar inmiddels is het ook een land gelegen buiten de Europese unie. Het gaat namelijk om een handels- en samenwerkingsverband tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk over de doorgifte van informatie over veroordelingen.

Ik dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik kijk of er nog vragen waren voor de heer Knigge. Die zijn zo'n beetje synchroon beantwoord, heb ik de indruk. Dan zie ik nog een interruptie van de heer Nicolaï.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik weet niet of het aan mij ligt, maar ik had drie vragen gesteld. Ik heb begrepen dat de eerste vraag inmiddels uit de blokjes tevoorschijn is gekomen. Maar ik had aan de minister ook de volgende vraag gesteld. Ik neem tenminste aan dat de minister het tot zijn pakket rekent. Het ging over de bevoegdheden van het OM en de bevoegdheden in de opsporing. Ik had drie vragen gesteld. We vinden dat de beginselen van behoorlijke procesorde in het huidige ontwerp gelden voor de vervolgingsbeslissing. Ik heb gevraagd: gelden die dan niet ook voor de andere beslissingen van het OM buiten vervolging en gelden ze niet überhaupt gewoon in alle zaken die betrekking hebben op bevoegdheden waarop artikel 1.1.2 en 1.1.3 betrekking hebben? Ik zie dat er gebladerd wordt, dus wellicht …

Minister Van Oosten:

Ik wil even verifiëren of meneer Knigge dat kan beantwoorden. Anders moet het naar de tweede termijn. Meneer Knigge zegt dat hij het wel uit het hoofd kan beantwoorden. Dus als het goed is …

De voorzitter:

De heer Knigge, uit het hoofd.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Het ligt inderdaad aan mij. Er was even wat verwarring over of ik al met mijn blokje klaar was. Later ontdekte ik dat er toch ook nog een papiertje was over uw vraag en ik dacht: u komt er vanzelf wel mee, dus dat wacht ik rustig af. Daar had ik dus toch wel gelijk in. Ik kan een kort antwoord geven en ik kan een heel lang antwoord geven. Kort?

De voorzitter:

Doe maar het korte antwoord.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Het korte antwoord is dat al die beginselen op de een of andere manier in het Wetboek van Strafvordering een rol spelen en verdisconteerd zijn. Ik zeg "op een of andere manier", omdat ik erken dat niet alle beginselen in extenso zijn uitgeschreven, zijn geëxpliceerd in het Wetboek van Strafvordering. Overigens heb ik de indruk dat dit in de Algemene wet bestuursrecht ook niet het geval is. Het fairplaybeginsel en het gelijkheidsbeginsel heb ik in de Algemene wet bestuursrecht ook niet kunnen vinden. Ik neem aan dat dit jurisprudentierecht is.

In de tweede plaats denk ik dat het niet helemaal een zuivere vergelijking is, omdat de beginselen die u noemt een rol spelen bij besluiten van bestuursorganen. Het besluitbegrip is inderdaad in de Algemene wet bestuursrecht een centraal begrip, maar de vraag is als volgt. De beginselen spelen een hele specifieke rol. Ze leveren namelijk een stok op waarmee de bestuursrechter de hond kan slaan. Ze vormen een grond voor vernietiging van een bestuursbesluit. Om dat te vernietigen en om de beslissing dus opnieuw te laten nemen door het bestuursorgaan, heb je in veel gevallen nodig dat je kunt vaststellen dat zo'n beginsel van een behoorlijke procesorde is geschonden. Zo werkt het in strafprocesrecht niet. De strafrechter zal nooit de zaak terugsturen naar het OM om de beslissing opnieuw te nemen. De strafrechter neemt zelf de beslissing en heeft dus niet de beginselen van de procesorde nodig om dat te bewerkstelligen. De vraag is ook of je de beslissingen die de strafrechter neemt en die tot "drie achter de komma" zijn genormeerd — zo zou ik het zeggen — kunt vergelijken met besluiten van bestuursorganen waar het in de Algemene wet bestuursrecht om gaat. De vraag is ook of de beslissing van de officier van justitie om te vervolgen helemaal vergelijkbaar is met het besluit van een bestuursorgaan.

Het is in ieder geval niet zo dat die beginselen van behoorlijk bestuur die u opsomt van toepassing zijn op toezichtsbeslissingen die in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht zijn gegeven. Dat zijn geen besluiten, maar feitelijke handelingen waarvoor die beginselen niet gelden. Er staat wel één beginsel in, namelijk het evenredigheidsbeginsel, maar dat betreft zo ongeveer beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zoals die in ons Wetboek van Strafvordering staan als gaat het om opsporingsbevoegdheden.

Mijn laatste opmerking is dat bijvoorbeeld het motiveringsbeginsel of het beginsel dat er behoorlijk onderzoek moet zijn verricht voordat je een bestuursbesluit neemt … Als de officier van justitie besluit om te vervolgen, dan moet dat gebeuren op basis van een opsporingsonderzoek. Het opsporingsonderzoek is enorm gereglementeerd. Dus in de hele regeling van het Wetboek van Strafvordering ligt besloten dat besluiten niet worden genomen zonder dat daar een behoorlijk onderzoek aan vooraf is gegaan.

De voorzitter:

Meneer Nicolaï tot slot.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ja, dat was een kort antwoord.

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Ik heb toch voor het lange gekozen.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik ben het eens met de rapporteur. Ik denk dat het enigszins verwarrend is. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn aan de ene kant vernietigingsgronden. Daar heeft de rapporteur het over gehad. Maar aan de andere kant wordt altijd gezegd: het zijn beginselen die voor bevoegde organen gelden als die hun bevoegdheden gaan uitoefenen. Mijn vraag is alleen het volgende en ik dacht eigenlijk aan het begin van het verhaal van de rapporteur te horen dat hij dat bevestigde. Als je die bevoegdheid gaat uitoefenen als OM of ander bevoegd orgaan — bij "bevoegdheid" praten we over rechtsbeslissingen en niet over feitelijke handelingen — gelden daarbij dan altijd de beginselen van behoorlijke procesorde, ook als ze niet in de wet staan? Het tweede is dat de rechter de ruimte heeft om binnen de beginselen van behoorlijke procesorde ook eisen van behoorlijk bestuur die in het algemeen gelden voor bestuursorganen, mee te nemen. Dat was mijn vraag. Daar is half op geantwoord, maar ik wilde het nog even verifiëren. Is de rapporteur het met mij eens dat je er zo tegen aan kunt kijken?

De voorzitter:

Kunt u daar kort op antwoorden, bijvoorbeeld met een ja of een nee?

De heer Knigge (regeringscommissaris):

Ja, maar ze functioneren wat anders. Dat is de kern van mijn verhaal. Die beginselen functioneren in het strafprocesrecht op een andere manier dan in het bestuursrecht.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de kant van de regering en de regeringscommissaris. Ik schors voor vijf minuten voor een korte biobreak en dan gaan we door met de tweede termijn van de kant van de Kamer. U heeft zich voor 41 minuten ingeschreven.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik geef graag het woord aan de heer Recourt van GroenLinks-PvdA, die mede spreekt namens de Fractie-Visseren-Hamakers.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Dank, voorzitter. We hebben lang gediscussieerd, maar mijn tweede termijn zal kort zijn. Ik heb een paar punten zuur en het meeste is zoet. Maar ook daar zal ik kort over zijn.

Eerst een beetje het zuur — "wat teleurstellend" heb ik hier op mijn blaadje geschreven. Het eerste is het terugdringen van voorlopige hechtenis in de vorm van actief beleid van de zijde van de regering. Ik vond het antwoord daarover van de minister heel zuinig. Dat wordt echt wel heel breed gedeeld. Het is ook gewoon staande jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de voorlopige hechtenis tot een minimum moet worden beperkt en dat Nederland daar niet aan voldoet. Nou ja, ik kan niet zeggen dat er een veroordelend vonnis van het Europees Hof is geweest, maar er zijn ook vanuit de Raad van Europa wel signalen geweest dat Nederland daar wat aan moet doen. Het is niet in lijn met de strekking en de gedachte van het Europees recht. Ik had het dus fijn gevonden als de minister had gezegd "we zijn echt die cultuurverandering aan het inzetten, al helemaal bij minderjarigen", maar dat deed hij niet. Het is wat het is.

Het tweede punt waar ik minder tevreden over was, is het ontbreken van een wettelijk kader binnen strafvordering. Dat wordt niet in een van de aanvullingswetten meegenomen. Nu is het wettelijk kader de AI-verordening, die natuurlijk rechtstreeks werkend is. Dat snap ik allemaal wel. Daar zitten dat assessment en dergelijke in. Ik had graag de normatieve kaders in de wet gehad over zoiets fundamenteels als AI, wat echt een enorme impact gaat hebben en nu al heeft op ons strafprocesrecht, zodat inderdaad, gelukkig, de menselijke controle ook aangehaakt is aan normen, aan een kader. Dat ontbreekt.

Ik mis nog een antwoord op een praktische vraag, namelijk: op welke wijze is justitie toegerust om deepfakes te herkennen? Het is geen civiel proces waarbij je kunt zeggen: als het Openbaar Ministerie het niet ziet, dan zal het wel goed zijn. Is er ergens een toets op authenticiteit van data?

Misschien heb ik nog een halfzuur puntje over de beweging naar voren. Ik heb een paar kleine elementen gehoord waarvan ik denk dat ze misschien effect gaan hebben. Je neemt toch een heel klein risico als je niet meteen getuigen hoort. De rc kan op eigen beweging wat onderzoekshandelingen doen. Dat zijn positieve onderdelen. Maar in zijn geheel zie ik eigenlijk ook wel weer verschuivingen tussen verschillende functionarissen binnen dat vooronderzoek. De kans dat het om een schijnbeweging naar voren gaat, is toch nog steeds wel aanwezig. Maar goed, dat gaan we zien. Dat gaan we deze debatronde niet veranderen. Dat zal de praktijk moeten uitwijzen.

Tot slot. Ik ben eigenlijk heel blij met deze behandeling. Zoals het hele proces, is dit een degelijke behandeling geweest. We zijn goed geïnformeerd door alle drie de personen van de regering. Ik heb er alle vertrouwen in dat het nieuwe Wetboek van Strafvordering gaat vliegen op de inhoudelijke kant. Als dat niet zo is, dan zijn er voldoende evaluatiemomenten en invoeringstoetsen en wat dan ook, waarop dan gecorrigeerd kan worden.

Als laatste heb ik nog wel een motie, omdat ik ontevreden ben over de toezegging. Die ga ik heel snel lezen, want ik heb natuurlijk weer te weinig tijd aangegeven. De motie betreft ook de financiële kaders; die moeten wat mij betreft echt wat strakker.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het succes van de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering mede afhangt van de kwaliteit van het functioneren van de nieuwe en bestaande digitale systemen;

overwegende dat om het succes voor de invoering van nieuwe digitale systemen en de continuïteit van de bestaande systemen te borgen, afdoende en in een begroting opgenomen en daarmee controleerbare financiële middelen noodzakelijk zijn;

verzoekt de regering de digitalisering van het herziene Wetboek van Strafvordering over de gehele keten tijdig en afdoende te financieren en dit als geoormerkt geld aan de ketenpartners te doen toekomen, en deze Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Recourt en Veldhoen.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter K (36327, 36636).

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Daarmee ben ik aan het eind gekomen van mijn tweede termijn. Hartelijk dank aan u en aan iedereen die achter u heeft meegewerkt.

De voorzitter:

Dan geef ik graag het woord aan de heer Dittrich van de fractie van D66.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de beide bewindslieden en de regeringscommissaris. In de schriftelijke voorbereiding hadden we al heel veel vragen gesteld, en nu ook weer. Daar zijn heel veel antwoorden op gekomen, vaak ook goede antwoorden. Ik heb onder andere genoteerd dat Significant onderzoek doet naar de financiële rechtsbijstand. Dat komt, dacht ik, het tweede kwartaal van 2026. Dat komt dan bij het komende wetsvoorstel weer ter sprake. Dat is mooi.

Er is een studie gedaan naar de afdwingbaarheid van slachtofferrechten. Die is in consultatie, dus dat wachten we dan even af.

Ik had een vraag over het spreekrecht. Het antwoord ging met name over minderjarigen. Ik snap het antwoord, dus dat punt internaliseer ik. Ik laat het hierbij en dien geen motie in op dat punt.

Met betrekking tot het appelrecht heb ik begrepen dat de rechter goed gaat kijken of een verdachte snapt wat er allemaal aan de hand is en of een rechter ook actie kan ondernemen. Dat is ook heel goed.

Het antwoord dat gaat over de herziening op basis van ernstige vermoedens dat iets niet klopt zonder dat er een nieuw gegeven is, laat ik nog verder op me inwerken. Dat zal ik misschien ook met professor Knoops nog eens bespreken.

We hebben het gehad over de relevante stukken die na de procesinleiding ter beschikking moeten worden gesteld. Ook daar heb ik genoteerd dat de staatssecretaris in zijn tweede termijn daarop terugkomt. Dat antwoord wacht ik nog even af.

Dan was er het punt van de rechter-commissaris en de rechter en of het in de rede ligt om dat bij de evaluatie na vijf jaar mee te nemen. De heer Recourt heeft daar nog op geïnterrumpeerd. Ik heb uiteindelijk opgeschreven: ja, het wordt meegenomen. Ook dat is een mooi punt.

Dan is er één echt punt dat ik nog wil noemen. Dat gaat over de externe toetsingscommissie bij sommige beslissingen van het Openbaar Ministerie. De minister gaf bij de beantwoording allerlei redenen op waarom hij niet voelt voor zo'n onafhankelijke externe toetsingscommissie. De redenen die de minister gaf, gaan allemaal over zaken als "klachtgericht" en "intern". Mij gaat het juist over een frisse blik van buiten op misschien een paar beslissingen per jaar. Daarom heb ik een motie, die ik graag in wil dienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Openbaar Ministerie onafhankelijk is in de besluitvorming welk onderzoek te verrichten in een concrete (straf)zaak;

overwegende dat er situaties zijn waarin het niet duidelijk is of een ongeval, zelfdoding of misdrijf heeft plaatsgevonden en dat het Openbaar Ministerie soms geen (technisch) onderzoek wil laten verrichten;

overwegende dat het WODC in 2018 in het rapport Toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden heeft vastgesteld dat in dit soort situaties onafhankelijk extern toezicht op de beslissingen van het Openbaar Ministerie ontbreekt, waardoor de belangen van slachtoffers en nabestaanden niet gewaarborgd kunnen worden;

spreekt als haar mening uit dat het wenselijk is dat in het geval van situaties waarbij iemand is overleden of ernstig gewond is geraakt, een onafhankelijke externe landelijke commissie onderzoeksbeslissingen van het Openbaar Ministerie kan toetsen wanneer die beslissingen van het Openbaar Ministerie door belanghebbenden op redelijke gronden worden betwist;

verzoekt de regering een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van zo'n onafhankelijke externe toetsingscommissie, en de Eerste Kamer daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dittrich en Nicolaï.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund. Daarmee maakt zij deel uit van de beraadslaging.

Zij krijgt letter L (36327, 36636).

De heer Dittrich (D66):

De motie is behalve door mij ondertekend door Van Meenen, Moonen, Kanis, Griffioen en Nicolaï.

Voorzitter. Als laatste wil ik het nog hebben over het buitenlandblokje. Daarover kan ik ook kort zijn. De minister heeft aangegeven dat men daar aandacht voor heeft. Wij horen juist van de ambassadeurs dat er toch wel wat tekortkomingen zijn. De minister gaf over de bilaterale relatie met landen in Afrika aan dat men dan inzet op relatievorming omdat dat zo belangrijk is. Dat is natuurlijk goed, maar het gaat erom dat men zegt dat de ministeries van Justitie en Veiligheid en Buitenlandse Zaken bilaterale verdragen eigenlijk helemaal niet zien zitten. Relationele dingen zijn natuurlijk goed, maar het gaat om de verdragen omdat dat is wat die landen graag willen. Dus daar wil ik in tweede termijn toch nog een antwoord van de minister op.

Daarmee besluit ik mijn tweede termijn. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van JA21.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Ook namens mijn fractie dank aan de minister, de staatssecretaris en de regeringscommissaris. Dank voor de uitgebreide beantwoording. Zoals u uit de eerste termijn van mijn fractie heeft kunnen vernemen, is er uiteraard draagvlak voor de modernisering van deze twee vaststellingswetten. Het is ontzettend veel werk geweest. Er is ruim tien jaar aan gewerkt door heel veel mensen. Ik denk dat het een mooie eerste stap is naar modernisering, maar dat er nog heel veel werk aan de winkel is; dat is ook duidelijk. Er zijn best nog wel wat zorgen, bijvoorbeeld over de voortvarendheid van de aanvullingswet die er nog aan komt. Hetzelfde geldt voor wat er nog voortkomt uit het Adviescollege ICT-toetsing. Ik ben wel blij met de toezegging van de staatssecretaris die aangeeft dat zodra het Adviescollege ICT-toetsing de rapportage heeft afgegeven, dat ook weer een ijkpunt is om met de ketenpartners in gesprek te gaan over de vraag of de gestelde doelen realistisch en haalbaar zijn en wat er verder voor nodig is. Ik ben ook blij met de toezegging over het in de invoeringstoets meenemen van de regierol van de rechter-commissaris ten aanzien van het niet hebben van sanctiemiddelen en de vraag of dat voldoende bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling van de beweging naar voren. Ik had ook de vraag of het tot vertraging van de implementatie zou kunnen leiden als de eerste aanvullingswet niet voor 1 april 2026 is aangenomen. Volgens mij was dat niet zo, maar ik heb het antwoord eigenlijk niet helemaal helder, dus als de minister of de staatssecretaris dat nog even expliciet zou kunnen maken, zou dat fijn zijn.

Verder nogmaals heel veel dank voor al het werk. Mijn fractie zal deze wetten steunen. We kunnen dit wel beschouwen als een mooi historisch moment in dit huis. Dank daarvoor.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik heb nog een correctie over de lettering van de moties. De motie-Recourt, die ik letter I gaf, moet letter K krijgen en de motie-Dittrich, die ik letter J gaf, moet letter L krijgen.

Dan geef ik graag het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Walenkamp i (Fractie-Walenkamp):

Dank u wel, voorzitter. Dank aan de staatssecretaris, de minister en de regeringscommissaris voor de gedegen reactie. Heel wat vragen zijn dusdanig beantwoord dat mijn fractie redelijk gerustgesteld is, al is de rechtszekerheid van verdachten wat ons betreft nog niet ideaal geregeld.

Ik wil met name even focussen op de voorlopige hechtenis. Ik denk dat de heer Recourt daar zeer terecht op wees. Het College voor de Rechten van de Mens, de Nationale ombudsman, de Raad van Europa en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hebben de Nederlandse Staat daar in de afgelopen jaren regelmatig op gewezen. Bij dezen zou ik u als kabinetsvertegenwoordigers dus serieus willen vragen om de toezegging dat u ten uitvoer legt wat ons door in ieder geval deze vier deskundige organisaties wordt voorgeschreven en opgelegd. Er zijn verschillende bronnen voor de aantallen mensen die in voorlopige hechtenis zitten, maar het zijn er in ieder geval beduidend meer dan in andere landen. U noemt ons daarin geen koploper, maar ik waag te betwijfelen of dat waar is. U zegt dat het een ultimum remedium is. Ik zal hopen dat dat zo is. Mag ik u dan verzoeken toe te zeggen dat het in de uitvoering zo min mogelijk wordt toegepast? Het houdt natuurlijk ook de gevangenissen vol. Dat zijn allemaal locaties waar wij andere mensen dus niet gevangen kunnen zetten. Voorlopige hechtenis is echt het ultimum remedium, dus ik verwacht echt een serieuze toezegging van u als kabinet.

Daarnaast gaf u aan dat het volgens u meeviel met de ICT bij de politie, maar het Adviescollege ICT-toetsing heeft onder andere FMS+ uitzonderlijk negatief beoordeeld. Tenminste, dat kom ik regelmatig in bronnen tegen: op 13 en 14 januari is het meerdere malen op de radio en op tv geweest en het bleek ook uit berichtgeving elders. Dan vraag ik me af: ben ik nou verkeerd geïnformeerd of weet u meer dan ik weet? Het zou zomaar kunnen. Wij maken ons toch wel grote zorgen over de ICT-organisatie bij de politie. Ik hoor dus echt heel graag of die berichtgeving allemaal onjuist was. Dat zou kunnen. Als het niet onjuist is, hoor ik graag wat u daar dan aan gaat doen. Ik vraag u dus om een paar serieuze toezeggingen. Ik hoop dat het gaat lukken.

Dank voor uw toezeggingen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Doornhof van het CDA.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof i (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Dit is een van de meest omvangrijke wetswijzigingen. Laten we goed vooropstellen: daar hebben de bewindspersonen hier, maar ook hun voorgangers, de regeringscommissaris, de ketenpartners en de adviescommissies heel hard aan gewerkt. Ons is toch wel een wat bescheiden rol toegedicht, zo aan het einde van het hele proces. Dat neemt niet weg dat we kunnen terugkijken op een goede voorbereiding van de behandeling vandaag. Ik denk dat we, doordat we zelf bijeenkomsten hebben georganiseerd en doordat we advies hebben gevraagd aan het Adviescollege ICT-toetsing, voor onszelf flinke stappen hebben gezet om te kunnen doen wat we wilden doen, namelijk focussen op én de digitale inbedding én de samenwerking tussen de ketenpartners.

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden, zeker wat betreft de voorbereiding van de ICT-inbedding en de rapportages. In het bijzonder ben ik blij met wat de staatssecretaris zei over het min of meer meenemen van onze Kamer, die nu juist zo heeft gefocust op die ICT-inbedding en dat eigen verzoek aan het adviescollege om te zeggen: wij gaan ook naar het advies kijken en wij gaan de discussie aan. Ik was de heer Talsma erg erkentelijk voor het feit dat hij nog bij interruptie vroeg: wat bedoel je er nou precies mee dat je het enerzijds hebt over de urgentie van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, maar er ook op hamert dat het om een constitutief vereiste gaat voor het slagen van het wetboek? Het antwoord was en is dat daar een balans in moet worden gevonden. Die balans zou ik graag samen met de Kamer en de regering vinden.

Ten slotte, mevrouw de voorzitter. De cultuuromslag is hier benoemd. Parallellen zijn getrokken met de Omgevingswet. In aanvulling op datgene wat schriftelijk onder onze aandacht is gebracht, heeft de staatssecretaris vrij veel vertrouwen gewekt in de voortgang van de implementatie. Hij heeft gewezen op de intensieve voorbereiding van die implementatie en hij zei — ik quoot hem — "de eerste signalen zijn goed".

Voorzitter. Uiteindelijk raken we na dit debat niet uitgesproken over deze wet. Voor dit moment is er voldoende vertrouwen bij de CDA-fractie om voor te gaan stemmen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Talsma van de ChristenUnie.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Hartelijk dank, mevrouw de voorzitter. Dank ook aan de minister en de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Het was voor mij de eerste keer dat ik een plenair debat voerde in aanwezigheid van een regeringscommissaris. Ik moet zeggen: dat begon mij steeds beter te bevallen, temeer toen ik zag hoe de regeringscommissaris met een heel subtiel gebaar de staatssecretaris het woord ontnam en rustig de beantwoording overnam. Toen dacht ik: die man moeten we elke week uitnodigen. Ik schrok een beetje toen hij op een gegeven moment een kort antwoord ging geven en daar toch een klein halfuur voor nodig had, maar onder de streep ben ik professor Knigge zeer dankbaar dat hij hier wilde zijn. Ik zeg met grote waardering: dank ook voor de beantwoording van de vragen. Ik heb dat zeer op prijs gesteld.

De minister gaf een aardige twist aan het begin van zijn termijn door zich af te vragen: hoe kijken we hier nou over 100 jaar op terug? Dat weet ik natuurlijk ook niet. Ik denk wel dat onze opvolgers te zijner tijd ook nog weleens zullen verzuchten: ach, ach, ach, 100 jaar geleden dachten ze nog aan die weg vooruit of, hoe heette dat ding ook alweer, de beweging naar voren, terwijl ze dat eigenlijk in 1921 ook al dachten en daar ook niet zo succesvol mee waren. Misschien is er dan nog iemand die nog één keer de oude Heemskerk van stal haalt en zegt: "Die zei in 1921 al dat het inderdaad van gewicht is dat vanaf het begin af aan de verdediger de gelegenheid krijgt die feiten te verzamelen, die strekken om licht in de zaak te verspreiden. 100 jaar daarna waren ze toe aan de beweging vooruit, en wie weet." Ik stelde op prijs dat professor Knigge zei: de praktijk zal moeten uitwijzen of het daadwerkelijk efficiënter wordt. Ik denk dat dat een realistisch punt is. Ik wil de wensdenkdiscussie niet nog een keer aan; we gaan het wel zien. Ik bedoel dat positief, maar ik vind het ook wel realistisch. De praktijk zal het maar moeten uitwijzen. Mijn fractie zal dat volgen.

Ik heb de toezegging genoteerd dat de werking van de gecreëerde mogelijkheden om geheel of gedeeltelijk af te zien van tenuitvoerlegging wordt meegenomen in de voorziene wetsevaluatie. Dank daarvoor. Ik kijk wat dat betreft nu al uit naar die wetsevaluatie, want dat wordt een interessant document.

Dan over het voorgestelde artikel 1.3.15 in het amendement-Helder op stuk nr. 35. Daar komen we nu niet helemaal uit. Ik laat dat maar even voor wat het is. We kunnen daarover nog twintig keer heen en weer interrumperen en debatteren. Ook daarvoor geldt, denk ik: de praktijk zal het een beetje moeten uitwijzen. Ik ben erg nieuwsgierig hoe de praktijk met deze wetsbepaling om zal gaan. Ik vind het geen halszaak, dus we laten het even.

Het is ook geen halszaak dat er nu nog geen andere scenario's zijn. Tegelijkertijd zit daarin wel voor mijn fractie de zorg; dat blijft ook zo. Stel nou dat het niet lukt met die ICT en dat het Adviescollege ICT-toetsing met een echt zorgwekkend advies komt. Dan zijn er nog geen scenario's. Dat snap ik ergens wel, want je wilt ook niet op alles vooruitlopen. Tegelijkertijd denk ik dat we wel rekening moeten houden met bepaalde dingen. Dat betekent dat mijn fractie uitziet naar het rapport van het Adviescollege ICT-toetsing en naar de scenario's die vervolgens uit de regeringskoker gaan komen. In de tussentijd zal ik mijn fractie adviseren om met beide wetsvoorstellen in te stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Vogels van de VVD.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Mevrouw Vogels i (VVD):

Dank, mevrouw de voorzitter. Dank ook aan de minister, de staatssecretaris en de regeringscommissaris voor de uitgebreide beantwoording. Ik ben blij voor de staatssecretaris te horen dat in aanwezigheid van professor Knigge de cirkel rond is op het gebied van strafprocesrecht. Het is fijn dat de regering de voorliggende wetsvoorstellen noodzakelijk en een verantwoorde stap vindt in de modernisering van het strafprocesrecht. Tegelijkertijd proeven we bij de regering ook realiteitszin, getuige de beantwoording van de vraag. Dan denk ik aan het advies van het Adviescollege ICT-toetsing, dat dit voorjaar nog volgt. Dat kan gevolgen hebben voor de datum van inwerkingtreding, zo hoorde ik de staatssecretaris zeggen. Ik denk ook aan het advies van de commissie-Koops II, waarover de minister sprak. Mijn fractie ziet uit naar die adviezen.

Ik wil de minister en de staatssecretaris bovendien nog bedanken voor de elfde voortgangsrapportage, die wij vorige week ontvingen. Daar heb ik nog één vraag over. Ik twijfelde erover, maar naar aanleiding van de reactie van de staatssecretaris op vragen van collega Recourt en van opmerkingen van de minister, wil ik daar toch even op ingaan. In de voortgangsrapportage lezen we dat er naast de 450 miljoen euro geen structurele middelen beschikbaar worden gesteld voor het wetboek. De regering gaat ervan uit dat dit budgetneutraal wordt ingevoerd. Er staat ook dat als mocht blijken dat er toch meer kosten zijn, er keuzes moeten worden gemaakt. Vervolgens lees ik: "dit betreft mogelijke aanpassing van de wetsvoorstellen op die onderdelen, zodat het nieuwe wetboek per saldo zonder meerkosten kan worden ingevoerd." Dit is een passage op pagina 14, die waarschuwt voor grote gevolgen. Duidelijkheid volgt in de invoeringswet, zo wordt ons voorgehouden. Wat zegt de regering hier eigenlijk? Dat is mijn laatste vraag.

Mevrouw de voorzitter. Gelet op de brede steun voor de voorliggende wetsvoorstellen zijn felicitaties op zijn plaats, die ik hierbij ook namens de VVD aan de regering wil overbrengen. Wij zien uit naar de stemming op 24 februari; ik kan me wat dat betreft geen mooier verjaardagscadeau wensen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Schalk i (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Natuurlijk ook dank aan de minister en de staatssecretaris. Ik heb het even laten uitrekenen door AI: zij zijn allebei ongeveer 158 dagen met dit thema bezig geweest. Ik heb begrepen dat de staatssecretaris vroeger twee keer een voldoende heeft gekregen van de heer Knigge. Ik ben benieuwd wat hij vanavond krijgt; wellicht wordt dit zijn derde voldoende. In ieder geval dank voor alle antwoorden die wij hebben gekregen. Ik kreeg zelfs meer antwoorden dan ik gevraagd had. Mij werd een vraag over de Algemene Rekenkamer toegedicht die ik niet had gesteld, maar ik vond het een prachtig antwoord. Hartelijk dank daarvoor.

Voorts de begrijpelijkheid. We zoeken naar woorden om het begrip begrijpelijkheid begrijpelijk te maken. Dat zal ongetwijfeld nog een vervolg krijgen, maar niet hier op deze plaats.

Ik wil het meest ingaan op het thema dat we wat uitvoeriger hebben besproken: het slachtoffer. Ik gebruik iets meer woorden om het goed te duiden. Bij schokkende misdrijven, dus geweld- en zedendelicten, zoals mishandeling of verkrachting, kan dit via een strafbeschikking worden afgehandeld. Wat mij betreft is dat ondenkbaar, maar goed, dat kan blijkbaar. Vervolgens kan het slachtoffer daar zijn beklag over doen en dan kan de strafbeschikking die dan is opgesteld, worden vernietigd. Dat vind ik heel erg laat. De schade voor zo'n slachtoffer zal alleen maar groter geworden zijn. Mijn gedachte zou zijn dat het belang van het slachtoffer toch sterker zou moeten worden afgegrendeld. Uit het debat heb ik begrepen dat dit kan in de eerste aanvullingswet. Mijn vraag is dan: is dat al vastgelegd in de eerste aanvullingswet of moet dat via een amendement? Dat is dan de tweede vraag. De derde vraag: kan dit wachten tot de tweede aanvullingswet, zodat het door de regering zelf nog wordt ingebracht? Mag ik op dit punt wellicht de toezegging krijgen dat dit goed wordt afgeregeld? Want we kwamen er in het debat niet helemaal uit. De vraag voor mij zou zijn: wat zou Salomo in zo'n geval hebben gedaan?

Hoe dan ook, voorzitter, alles gehoord hebbende: mijn fractie zal deze herziening van het Wetboek van Strafvordering steunen. Ik dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Van Rooijen van 50PLUS.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Rooijen i (50PLUS):

Voorzitter. Ik dank de minister, de staatssecretaris en de regeringscommissaris voor de beantwoording van onze vragen. Ik vond de aanwezigheid van de regeringscommissaris bepaald verfrissend. Hij nuanceerde op een bepaald moment een antwoord van de staatssecretaris; ook opvallend. Wat mijn fractie betreft zou de aanwezigheid van een regeringscommissaris, bijvoorbeeld voor belastingen — heel ingewikkeld — heel welkom zijn. Pensioenen mag ook, maar laten we met belastingen beginnen.

Mijn fractie hecht zwaar aan de naleving van de slachtofferrechten. De Algemene Rekenkamer zal op basis van een verbeterplan voor die naleving van slachtofferrechten een vervolgonderzoek uitvoeren. Ik vraag de bewindslieden om niet alleen de Tweede Kamer, maar ook de Eerste Kamer over dat vervolgtraject te informeren. Kan dat worden toegezegd?

Mijn fractie spreekt grote dank uit aan de minister, de staatssecretaris en de regeringscommissaris en uiteraard aan de ambtelijke staf voor de inzet en de verdediging van de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering.

Mijn fractie zal op 24 februari voor de twee wetsvoorstellen stemmen. Deze bewindslieden treden de dag ervoor af, maar wat mijn fractie betreft verdienen ze vanavond alle lof.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Ik ben blij dat mijn vragen bijna beantwoord zijn. Ik zie de staatssecretaris knikken. Hij heeft nog een antwoord van mij tegoed. Ik had de vraag gesteld: klopt het nou dat de beginselen van een goede procesorde voor alle bevoegdheden gelden die in het strafprocesrecht zijn geregeld? Zie ik het goed dat de rechter, als hij deze toepast, de eisen van behoorlijk bestuur die voor beslissingen gelden daarin zou kunnen betrekken? Daar is een kort antwoord op gekomen: ja. Daar ben ik heel blij mee, want dit betekent dat er een duidelijke begrenzing en normering is van de bevoegdheidsuitoefening.

Het tweede punt waar ik over begonnen was, is de kwestie: hoe nu als er een situatie is dat er geen raadsman is te vinden voor een verdachte? Ik heb het Marengoproces als voorbeeld genoemd. Ik heb het niet over dat proces, maar over de algemene situatie. Ik ben overigens bang dat dit vaker gaat voorkomen. Hoe moet je daarmee omgaan? Is daar op dit moment in het strafprocesrecht een oplossing voor te vinden? Ik denk dat ik er toch wel heel erg aan hecht dat de regering daar eens over nadenkt en ons daarover informeert.

Je hebt de amicus curiae; dat is eigenlijk "de vriend van de rechter", maar je kunnen zeggen dat het een procesbewaker is. Dit heeft gespeeld bij het Joegoslaviëtribunaal, waarbij Wladimiroff op een gegeven moment is ingeschakeld omdat Milosević überhaupt een raadsman weigerde. Die Wladimiroff zei: ik treed niet op voor de verdachte; ik treed op voor de rechter die mij vragen heeft gesteld. Zo zeg ik het maar even.

We hebben in het bestuursrecht die constructie in feite ook al. Daar heeft de Raad van State soms inlichtingen gevraagd aan juristen: hoe kijk jij nou aan tegen zo'n zaak? Er is zelfs een heel rapport verschenen over de vraag of dat allemaal goed loopt enzovoort. Dat kan omdat de Raad van State aan derden om inlichtingen kan verzoeken. Zo'n bepaling komt op dit moment niet in het strafprocesrecht voor. Dat is dus een hiaat. Er komt wel in voor dat de strafrechter op een gegeven moment inlichtingen kan vragen aan een deskundige. Nou zou je je kunnen voorstellen dat we die bepaling als volgt kunnen toepassen. We vragen een juridisch deskundige niet om als raadsman op te treden, maar we stellen hem de vraag: wat zou u als deskundige nou in de situatie dat u raadsman was van deze verdachte die geen raadsman wil, aanvoeren ter bestrijding van de argumenten van het OM? Kan dat? Of zeggen we: nee, de bepaling in het wetboek over deskundigen ziet daar niet op? Daar wil ik een motie over indienen; ik wil als Kamer vragen om daar een notitie over te krijgen. Die motie luidt aldus.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van belang is dat als geen advocaat bereid kan worden gevonden een verdachte bij te staan, een oplossing moet worden gevonden voor de voortgang van het proces waarbij zulke rechtsbijstand ontbreekt;

verzoekt de regering om binnen twee maanden in een notitie de Kamer te informeren over de vraag of voorschriften van het Wetboek van Strafvordering daarin voorzien en, zo nee, welke aanpassingen noodzakelijk zouden zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Nicolaï, Marquart Scholtz, Dittrich, Hartog, Van Bijsterveld, Janssen en Recourt.

Zij krijgt letter M (36327, 36636).

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik ben heel benieuwd. Ik denk dat het heel belangrijk is dat daar duidelijkheid over komt. Ik denk dat iedereen blij is als er een goeie notitie komt waarin dat wordt uitgelegd. Ik zie met belangstelling de beantwoording van de nog openliggende vragen tegemoet.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Janssen van de SP.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Janssen i (SP):

Dank u wel, voorzitter. De klok liep al. Dank voor de antwoorden van de staatssecretaris, de minister en de regeringscommissaris. U heeft uit mijn woorden wel begrepen dat ik geen onverdeeld voorstander ben van een uitgebreide toepassing van de strafbeschikking; dat is denk ik wel duidelijk geworden. Ik heb daar echter toch nog een vraag over, in het verlengde van wat de heer Schalk daar ook over gezegd heeft. Graag toch nog iets concreter: zou er vóór de strafbeschikking sprake kunnen zijn van een kennisgeving aan een slachtoffer, namelijk dat er gedacht wordt aan het toepassen van een strafbeschikking? Daarin kan gezegd worden: dit gaan we doen met een schadevergoeding et cetera et cetera. Ik vind de drempel van beklag na afloop voor een slachtoffer wel heel erg hoog. Zou u daar dus wat woorden aan willen wijden? Zou dat misschien ook kunnen als afweging bij een van de aanvullingswetten die nog gaan komen? Kan er naar die mogelijkheid gekeken worden: misschien is het wel iets, misschien is het niets, dit is ervoor en dit is ertegen? Ik zie dat wel als een charmante mogelijkheid. Iemand van wie de fiets is gestolen zal zeggen, excusez le mot: god, ik heb al een nieuwe fiets, dus ik vind het prima. Iemand anders zal zeggen: ik was er toch wel erg aan gehecht; het was een fiets van mijn overleden opa en het heeft mij emotioneel heel veel gedaan. Ik noem maar een voorbeeld. Ik bedoel dus vooraf een kennisgeving door de officier van justitie dat hij een strafbeschikking gaat toepassen. Dat is mijn vraag aan u. Ik ben heel erg tegen het verdelen van de schaarste. Mijn grote angst zit erin dat die schuif van de strafmaat gebruikt gaat worden om nog minder middelen toe te kennen. Dan wordt er gezegd: als we de grens van die strafmaat nou nog iets omhoog doen, dan zouden we best weleens met wat meer strafbeschikkingen af kunnen. Daar wil ik wel voor waarschuwen, want dat vind ik echt een glijdende schaal.

Voorzitter. Dan hoorde ik de staatssecretaris zeggen dat alle digitale communicatie zal moeten voldoen aan de daarvoor geldende normen. Ik neem aan dat de staatssecretaris daarmee de WCAG 2.1 onder de letters AA bedoelt. Dat zal vast wel iemand even voor u nakijken. Dat is wel even de vraag. Dat is ook nog weleens een probleem.

Ik heb het over de Omgevingswet gehad, niet omdat ik dat nou zo graag doe, maar omdat we daar wel heel veel van kunnen leren. Ook het Adviescollege ICT-toetsing ziet daar parallellen met het huidige traject. Dat hebben we in de deskundigenbijeenkomsten gehoord en heb ik ook uit de nagesprekken begrepen. Anders ontstaat er een scenario dat redelijk voorspelbaar is. Er is te weinig geld voor de organisaties, minder dan waar ze om gevraagd hebben. Die zeggen dan: voor dit geld hebben we het niet kunnen doen; we zijn niet klaar, maar eigenlijk is het al too big to fail geworden. Dan kunnen ze niet langer wachten, moeten ze toch een keer door, dus beginnen ze maar vast. Dat zou wel heel erg zonde zijn, want dan maken we dezelfde fouten als in het verleden. Laten we daar alstublieft van leren.

Voor mijn laatste oproep heb ik nog één opmerking. Misschien verwacht u dat het Adviescollege ICT-toetsing zegt "doe het wel" of "doe het niet". Dat gaan ze nooit zeggen. Dat hebben we ook bij de Omgevingswet geleerd. Zij geven alleen de risico's aan. De afweging om er wel of niet mee door te gaan is echt aan de regering. Zij geven geen go of no-go.

Dan sluit ik af met mijn laatste opmerking. Ik doe een oproep om met die financieringsvraag, als die er is, goed onderbouwd, serieus om te gaan. Doe dat vooral tijdig en niet te laat, want dan heeft u de vertraging ingebouwd.

Dank u wel.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik tot slot nog heel kort het woord aan de heer Van Hattem, die alsnog even het woord heeft gevraagd.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van Hattem i (PVV):

Dank, voorzitter. Dank aan de minister, de staatssecretaris en de regeringscommissaris voor de beantwoording. Bij dit wetsvoorstel is in de voorbereiding uitvoerig stilgestaan, zodat wij als PVV-fractie in dit debat geen nieuwe vragen meer opgeworpen hebben. Desalniettemin werd zojuist, onder andere door de heer Schalk, een terecht punt opgebracht over de strafbeschikking en dan met name over het inzetten van drempels bij strafbeschikkingen. Daarover heeft de PVV-fractie in de Tweede Kamer ook aandacht gevraagd. Die oproep zou ik hier toch graag willen herhalen. Houd de inzet van de strafbeschikking zo beperkt mogelijk en gebruik ze al helemaal niet voor de ernstige misdrijven, zoals aanranding en mishandeling. Laat in het bijzonder geen strafbeschikkingen meer toe bij asielzoekers omwille van het behoud van hun asielstatus. Dat vinden we een onwenselijke ontwikkeling.

Tot slot. Ik zal onze fractie positief adviseren over de voorliggende wetsvoorstellen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan zijn we nu gekomen aan het einde van de tweede termijn van de kant van de Kamer. Steekt u uw vingers op. U wilt tien minuten schorsen? U krijgt van mij zeven minuten.

De vergadering wordt van 22.26 uur tot 22.36 uur geschorst.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering. Voor de goede orde meld ik dat de heer Dittrich de ondertekening van zijn motie met letter L (36327, 36636) wenst te wijzigen naar ondertekening door de leden Dittrich en Nicolaï. Ik kijk naar de heer Dittrich om te zien of dat klopt. Dat klopt, dat is het geval. Nee, geen afsplitsingen, het gaat om niet-aanwezigen. Nog even voor de goede orde: u dient altijd handtekeningen te verzamelen achter op de motie. Die moeten wel gezet kunnen worden. Dan is de motie met de letter L in die zin aangepast.

Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Staatssecretaris Rutte i:

Voorzitter, dank u wel. Er zijn in tweede termijn een aantal vragen gesteld, maar er is ook wat blijven liggen uit de eerste termijn. Je zou denken: lekker efficiënt, dan maar geen antwoord. Maar dat is niet aardig. De heer Nicolaï had hele goede vragen gesteld. Er is gewoon een mapje blijven liggen. Ik ga er alsnog op in.

De heer Nicolaï wil meteen ruimhartig tien wijzigingen horen in de veelheid van de bepalingen die erop gericht zijn om de positie van de verdachte te versterken. Ik moet de heer Nicolaï een klein beetje teleurstellen. Ik kom niet op tien. Die zijn er misschien wel, maar dan moeten we een hele exegese gaan doen. De rechten van de verdachte zijn in de loop van de tijd aanzienlijk versterkt, voornamelijk als gevolg van de implementatie van diverse EU-richtlijnen over procedurele rechten. Deze rechten van verdachten zijn vastgelegd in het huidige wetboek en zijn overgenomen in het nieuwe wetboek.

Verder worden in het nieuwe wetboek een aantal rechten toegevoegd. Als voorbeeld noem ik een uitbreiding van de verplichting om de verdachte te informeren over zijn rechten. Voortaan moeten de aangehouden verdachte en de voor verhoor op het politiebureau uitgenodigde verdachte in alle gevallen worden geïnformeerd over hun recht om daarvoor bij de rechter-commissaris onderzoekswensen in te dienen en over het recht op kennisneming van de processtukken. De ratio hiervoor is dat de betreffende rechten ook voor deze verdachte van wezenlijk belang zijn voor het bepalen van zijn procespositie en het uitoefenen van verdedigingsrechten. Een ander punt betreft de motivering van de sepotbeslissing. Nieuw is de regel dat de officier van justitie de verdachte die is verhoord, in kennis dient te stellen van zijn beslissing om van vervolging af te zien. Deze kennisgeving vermeldt op welke gronden van vervolging is afgezien en welke rechtsgevolgen aan de kennisgeving zijn verbonden. Ik kom dus in ieder geval tot twee wijzigingen.

In een aparte wet regelen we andere dingen. Daar kan ik ook nog op ingaan, maar het is al laat. Ik stel dus voor dat ik dat even laat liggen.

De voorzitter:

De heer Nicolaï voor een korte interruptie.

De heer Nicolaï i (PvdD):

Ik had om tien wijzigingen gevraagd, omdat we honderden nieuwe bepalingen hebben gezien. Ik hoor één bepaling die eigenlijk nu al in het wetboek staat en verder twee bepalingen die zeggen dat een verdachte geïnformeerd moet worden. Dat is de versterking van de rechtspositie van de verdachte, waar de modernisering van dit wetboek op uitkomt.

Staatssecretaris Rutte:

Nee, er is wel meer. De heer Knigge heeft in eerste termijn ook een aantal zaken aangegeven. Hij heeft gesproken over de versnelling van het proces en vooral over de wijze waarop verdachten niet hoeven wachten, dus dat we niet nog een procespositie moeten opbouwen kort voordat mensen worden gedagvaard. Dat doen we nu veel eerder en tijdig. We nemen die verdachte veel meer mee. Het feit dat we het proces meer naar voren halen, is niet alleen maar in het voordeel van het Openbaar Ministerie, maar kan zeker ook in het voordeel van de verdachte zijn. We zijn daarin continu aan het wikken en wegen. De zaken die ik nu heb genoemd, zijn wel specifiek voor de verdachte.

De heer Schalk vraagt of er momenten zijn in het traject dat voor ons ligt om beter te borgen dat het slachtoffer wordt betrokken bij de keuze voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. Daar hebben we het over gehad. Ik geloof dat de heer Janssen daarover ook zijn zorgen heeft geuit. Gevraagd is of er een moment is waarop we kunnen borgen dat voor ernstige misdrijven niet zonder overleg met het slachtoffer een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd en wat de mogelijkheden zijn in de eerste aanvullingswet, of als het moet zelfs in de tweede. Ik wil nogmaals benadrukken dat de officier van justitie bij de afdoening met de strafbeschikking de belangen van slachtoffers nadrukkelijk meeweegt. Dat is ook in lijn met het beginsel dat de strafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer. Dat staat expliciet in de wet, in artikel 1.1.4. Daarnaast worden slachtoffers expliciet gewezen op de mogelijkheid om een schriftelijke slachtofferverklaring in te dienen. Ze worden hierop gewezen en daarin kan een slachtoffer alles naar voren brengen dat voor hem of haar van belang is. Op die manier kan de officier van justitie dat meewegen bij zijn beslissing over de wijze van afdoening van de zaak. Bij zaken waarin slachtoffers het recht hebben om te spreken op de terechtzitting en waarbij ze hebben aangegeven van hun spreekrecht gebruik te willen maken, geldt bovendien dat het een contra-indicatie is voor het opleggen van een strafbeschikking. Spreekrechtwaardige feiten, waaronder ernstige gewelds- en zedendelicten — dat is de categorie waar de heer Schalk zich terecht zorgen over maakt — en waarbij slachtoffers hebben aangegeven van hun spreekrecht gebruik te willen maken, worden voor de rechter gebracht.

Tot slot wijst de officier van justitie het slachtoffer uitdrukkelijk op de mogelijkheid om tegen de afdoening met een strafbeschikking beklag in te dienen bij het gerechtshof. Daar hebben we het over gehad. Hierbij moet bedacht worden dat ook het slachtoffer baat kan hebben bij een snelle afdoening van zijn zaak. De strafbeschikking is daarvoor bij uitstek geschikt. Afdoening van zaken met een strafbeschikking bevordert in het algemeen bovendien het evenwichtig inzetten van de beperkte zittingscapaciteit.

Al met al wordt het slachtoffer van tevoren dus wel degelijk expliciet gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een slachtofferverklaring. Als dat een spreekrechtwaardig feit is en het slachtoffer expliciet aangeeft te willen spreken, dan komt de zaak voor de rechter.

De heer Janssen i (SP):

Ook naar aanleiding van wat ik aangaf in mijn tweede termijn, heb ik de volgende vraag. Als slachtoffers gewezen worden op de mogelijkheid om een schriftelijke slachtofferverklaring af te leggen, kunnen zij dan ook gewezen worden op het feit dat slachtoffers daarin kunnen aangeven of zij een strafbeschikking of een zitting wenselijk vinden, als onderdeel van het hen daarop wijzen?

Staatssecretaris Rutte:

Het slachtoffer kan in de slachtofferverklaring natuurlijk alles opnemen wat het slachtoffer zou willen. Het slachtoffer zou ook kunnen aangeven dat het zijn voorkeur heeft dat de zaak ter zitting komt. De officier kan dan een afweging maken, tenzij het om zwaardere feiten gaat, want dan móét de officier de zaak ter zitting aanbrengen.

De heer Janssen (SP):

Waar het mij om gaat, is dat er ook op gewezen wordt. Uiteindelijk is het de afweging van de officier of hij dat wel of niet doet. Als het slachtoffer zegt dat graag te willen en de officier zegt "ik vind het toch te dun, dus ik doe het niet", dan volgt de weg naar beklag et cetera. Dat zou ik prima vinden. Maar het gaat mij erom dat als een slachtoffer geïnformeerd wordt — een slachtoffer moet duidelijk geïnformeerd worden over waar het recht op heeft — dat ook zou kunnen zijn: in uw slachtofferverklaring kunt u aangeven of u behoefte heeft aan een zitting of dat u de zaak zou willen laten afdoen met een strafbeschikking.

Staatssecretaris Rutte:

Ik kijk even naar rechts, maar ik denk dat ik wel kan toezeggen dat we dat in ieder geval meenemen. Dat wordt dus meegenomen in de informatie die naar het slachtoffer toe gaat.

De heer Janssen (SP):

Als dat zo is, dan denk ik dat we een prima tussenweg gevonden hebben.

De heer Schalk i (SGP):

Ik denk dat we nu in de buurt komen van waar we uit moeten komen. Kijk, deze eenvoudige man heeft nog nooit voor een strafrechter hoeven verschijnen, ook niet als slachtoffer, gelukkig. De meeste mensen weten echt niet wat ze moeten vragen. De staatssecretaris heeft voldoende kennis over een slachtofferverklaring, maar voor een leek geldt dat echt niet. Die kan ook nog eens een keer erg gekwetst zijn in zijn gevoelens en is natuurlijk wel met iets anders bezig. De staatssecretaris doet de toezegging dat dit expliciet opgenomen wordt. Mijn vraag is of dit dan in de eerste aanvullingswet wordt meegenomen of in de tweede, want het moet blijkbaar nog ingebracht worden.

Staatssecretaris Rutte:

Dit soort zaken hoeven niet wettelijk geregeld worden, maar kunnen gewoon meegenomen worden in de procedures van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie is een redelijk zelfstandige organisatie, die daar eigen richtlijnen voor maakt. Als het daarin opgenomen wordt, is het daarmee ook geregeld.

De heer Schalk (SGP):

Dit is onderdeel van de wetgeschiedenis en daardoor zegt u toe dat het Openbaar Ministerie dat standaard gaat doen, begrijp ik.

Staatssecretaris Rutte:

Dat lijkt mij wel, tenzij de minister nu helemaal in de vlekken schiet, maar dat is niet zo, denk ik. We gaan ervoor zorgen dat slachtoffers goed worden geïnformeerd over hoe en welke informatie zij kunnen aanleveren en wat daarin speelt.

De heer Nicolaï (PvdD):

Misschien ben ik een beetje achterdochtig. Ik wil echt heel goed horen wat er gevraagd is. De vraag moet zijn: heeft u er bezwaar tegen als in deze zaak afdoening geschiedt via een beschikking? Die vraag moet gesteld worden. Het gaat niet om informeren. De betrokkene moet de vraag horen: heeft u er bezwaar tegen als we het met een beschikking afdoen?

Staatssecretaris Rutte:

Het OM heeft de opdracht om het slachtoffer de mogelijkheid te bieden om een slachtofferverklaring in te leveren. Ik hoor de heer Nicolaï en ook de heer Schalk en de heer Janssen zeggen dat het OM daar wel actief in moet zijn en er de juiste vragen in moet stellen, zodat een slachtoffer weet wat hij daarin moet verklaren. Daar zou deze vraag een plek in kunnen hebben, maar ik wil niet letterlijk voorschrijven aan het OM hoe dat moet. Dat vind ik niet onze rol. Maar laat duidelijk zijn dat wij het juiste doen als het de bedoeling heeft dat het slachtoffer helder weet "met die slachtofferverklaring kan ik ook dit soort zaken aangeven".

De voorzitter:

De heer Nicolaï, tot slot.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik begrijp niet wat het probleem en de moeilijkheid is. Waarom kan u niet gewoon toezeggen: we zorgen ervoor dat die vraag gesteld wordt? Ik denk dat iedereen hier het erover eens is dat zo'n verplichting voortvloeit uit de bepaling dat gelet moet worden op de rechten van het slachtoffer. Het is heel eenvoudig. U kunt dat gewoon toezeggen en het OM kan het gewoon uitvoeren.

Staatssecretaris Rutte:

Ik ben heel ver gegaan in mijn toezegging, maar ik ga niet letterlijk voorschrijven aan het OM wat ze moeten doen. Het gaat erom dat het juiste doel hier wordt behaald. Het is niet de taak en de opdracht van mij om dit soort letterlijke voorschriften te geven. De heer Nicolaï kan erop rekenen dat slachtoffers op de juiste manier worden ondersteund.

De heer Van Hattem i (PVV):

Als ik de staatssecretaris goed beluisterd heb, dan zegt hij eigenlijk dat als in een slachtofferverklaring wordt aangegeven dat een slachtoffer het in het strafproces wil inbrengen, het dan automatisch voor de rechter komt. Dit kan dus ook betekenen dat een slachtoffer duidelijk geïnformeerd moet zijn. En dan bedoel ik het even omgekeerd: komt er dan ook duidelijk in de informatie richting het slachtoffer te staan dat als hij het niet aangeeft in een slachtofferverklaring, het automatisch kan leiden tot een strafbeschikking?

Staatssecretaris Rutte:

Nee, van beide automatismen is geen sprake. Ik zal het even iets nader duiden. Op het moment dat er een spreekrechtwaardig delict is gepleegd en een slachtoffer dan aangeeft "ik wil dat hij voor de rechter komt", vindt er geen beschikking plaats. Als het om een milder delict gaat, dan kan het slachtoffer natuurlijk aangeven er belang bij te hebben dat de zaak voor de rechter komt, maar dan geldt die verplichting niet. De officier zal dat dan wel mee moeten wegen in het geheel. Dat is even de nuance die ik hierin wil aanbrengen.

De heer Van Hattem (PVV):

Duidelijk. Het tweede punt dat ik aangaf, was of niet duidelijk moet worden aangegeven dat het risico bestaat dat de officier het met een strafbeschikking kan afdoen, dus dat dat vooraf duidelijk moet worden gecommuniceerd. Kan de staatssecretaris er misschien nog iets explicieter op ingaan of hij meer mogelijkheden ziet dat de consequentie van een strafbeschikking ook bij het slachtoffer duidelijk in beeld wordt gebracht?

Staatssecretaris Rutte:

Nee. Ten eerste is het slachtoffer niet de enige die kan bepalen hoe de afdoening is, behalve dan bij die spreekrechtwaardige dingen. Het is belangrijk dat die belangen worden meegenomen. De officier moet zijn afweging kunnen maken in dezen. Ik snap wel het punt dat het slachtoffer goed moet worden ingelicht over "wat betekent dat en welke punten moet je naar voren brengen?" om een afweging te kunnen maken. Dat kan ook betekenen dat het slachtoffer juist wél wil dat een strafbeschikking plaatsvindt, omdat daarmee snel tot afhandeling van de zaak wordt gekomen. Dat valt niet van tevoren … Ik kan niet nadenken voor het slachtoffer. Het is wel belangrijk dat iemand weet dat hij informatie kan delen en wat eventueel de consequentie kan zijn.

De voorzitter:

Tot slot, meneer Van Hattem.

De heer Van Hattem (PVV):

Misschien in zijn algemeenheid nog. Is het niet beter om juist bij zulke gevoelige zaken toch een algemene lijn aan te houden om heel terughoudend of misschien zelfs niet over te gaan tot strafbeschikkingen?

Staatssecretaris Rutte:

Daar wil ik niet in treden. Ik vind dat echt aan het Openbaar Ministerie. Het gaat om een hele grote stroom aan afhandelingen. Het kan daarbij van belang zijn dat met een strafbeschikking een zaak op een doelmatige manier tot een einde komt met een passende straf. Dat is dus niet bij voorbaat altijd een slecht idee. Het idee dat een zaak altijd voor moet komen, heeft ook weer zijn eigen complicaties en is niet voor alle procespartijen van belang en ook niet altijd voor het slachtoffer. Zo ver wil ik dus niet gaan. Ik vind het wel van belang dat een slachtoffer dit goed kan laten weten in de slachtofferverklaring en dat het op fatsoenlijke wijze wordt meegewogen. Bij spreekrechtwaardige delicten heeft zo'n verklaring waarin iemand zegt dat het voor de rechter moet komen, altijd als consequentie dat de zaak voor de rechter komt. Via die geleidelijke schaal is het passend geregeld, denk ik.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Staatssecretaris Rutte:

Aanvullend op dit punt. De heer Janssen vroeg ook nog: kan men dan op het moment dat de strafbeschikking plaatsvindt dat altijd aan het slachtoffer laten weten? Dat is misschien een beetje veel. Dat is bijna niet uitvoerbaar. Maar dan heb ik het van tevoren geregeld.

Het punt van de heer Hartog ging over het communiceren langs de elektronische weg. Volgens mij heb ik dat al ingevuld. Voor de zekerheid: het nieuwe wetboek laat in het midden welke techniek precies wordt gebruikt voor elektronisch communiceren. Dat biedt dus gewoon de ruimte voor nieuwe technieken. De essentie is dat informatie wordt uitgewisseld.

Dan nog een punt van de heer Dittrich, dat bijna semantisch, maar toch wel relevant is. Het gaat over de vraag of alleen de relevante stukken worden verstrekt. Ik kan uitdrukkelijk bevestigen dat op het moment van de indiening van de procesinleiding het volledige procesdossier aan de verdachte moet worden verstrekt. Dus in dit geval is "relevant" hetzelfde als "volledig". De officier van justitie kan dus niet meer de afweging maken om in het belang van het onderzoek bepaalde stukken uit het dossier achter te houden. Daarin zat volgens mij de zorg van de heer Dittrich. Die heb ik dan hopelijk bij dezen weggenomen.

Tot slot. Nee, niet helemaal tot slot, maar ik ga er wel vlot doorheen nu. Er was een vraag van JA21 over de voortvarendheid van de aanvullingswet en wat er nog uit het ICT-advies komt: als de eerste aanvullingswet niet voor april 2026 wordt aangenomen, leidt dat dan ook tot vertraging? Dat is een hele logische vraag. Het is zo dat de afspraak met de ketenorganisatie inderdaad is dat de teksten van wetsvoorstellen met grote impact drie jaren voor de inwerkingtreding stabiel moeten zijn. Het wetsvoorstel voor de eerste aanvullingswet is vrijwel gereed om bij de Tweede Kamer in te dienen. Dat blijkt dus voortvarend te gaan. De tekst van het wetsvoorstel is ook met die ketenorganisaties afgestemd en bij hen bekend. Op zichzelf hoeft een eventueel latere behandeling van dit wetsvoorstel dus niet per definitie tot vertraging te leiden. Men kent het voorstel en men anticipeert daarop. Zoals ik in de eerste termijn al aangaf, is de voortgang van de wetgeving wél onderdeel van de herbeoordeling van de haalbaarheid van de datum van invoering na ontvangst van het advies van het Adviescollege ICT-toetsing. Daar heeft het dus zeker impact op.

Dan kom ik bij de laatste vraag die ik wil beantwoorden en die is van mevrouw Vogels. Die keek in de voortgangsrapportage en zei: hé, als dat invoeren nou niet budgetneutraal lukt, wat dan? Een andere Rutte zei in het verleden altijd: wat-alsvragen beantwoord ik niet. Maar laat ik toch een poging doen en zo eerlijk als ik maar kan. Er zijn thans geen structurele middelen voor het wetboek voorzien. We hebben het dus in principe te doen met die 450 miljoen. Daarom hanteren we als uitgangspunt een budgetneutrale invoering van het nieuwe wetboek. Het nieuwe wetboek biedt immers kansen om werkprocessen te stroomlijnen en efficiënter te werken. Daar heb ik het over gehad; ik gaf dat in mijn eerste termijn al aan. Mocht nou blijken dat er per saldo toch meer kosten gaan ontstaan, dan zullen er keuzes gemaakt moeten worden, zoals bijvoorbeeld het efficiënter inzetten van middelen. We willen namelijk niet dat de ketenorganisaties met de kosten worden opgezadeld. We moeten gewoon echt gaan kijken wat we wel doen, wat we niet doen en hoe we die puzzel gaan leggen. Uiteraard zullen we trachten de kosten zo veel mogelijk op te vangen met beleidsmaatregelen. In de memorie van toelichting bij de invoeringswet zal het kabinet hieromtrent duidelijkheid geven. Hier wordt nog wel een nieuwe slag in gemaakt. U kunt het er dan opnieuw over hebben. Uiteraard willen we wel voorkomen dat we die wetsvoorstellen moeten gaan aanpassen. Dat zou echt een ultimum remedium zijn.

Goed. Tot slot ga ik de moties appreceren … appreciëren, niet appreceren. Ik kom ten eerste op de motie met letter K van Recourt en Veldhoen over de financiële middelen voor digitalisering. Die moet ik ontraden. Het budget voor de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is mede bestemd voor de ontwikkeling en realisering van de noodzakelijke aanpassingen aan de ICT. Dit budget is geoormerkt. Los daarvan is er ook financiering beschikbaar voor de invoering van nieuwe digitale systemen voor informatievoorziening over strafzaken. Het OM heeft aangegeven extra middelen nodig te hebben om de problemen op te lossen. Ik begrijp dat er in het coalitieakkoord middelen zijn gereserveerd. Voor de rest is het aan mijn opvolgers om daar gevolg aan te geven, maar zoals deze motie hier staat, moet ik 'm ontraden.

Dat brengt mij bij de motie met letter M van de heer Nicolaï, die ook breed ondertekend is door anderen. Ik ga het even dubbel doen. Deze motie moet ik op dit moment ten stelligste ontraden. Dat heeft alles te maken met de actualiteit. De zaak waar de heer Nicolaï eigenlijk academisch naar verwijst — dat bedoel ik niet denigrerend, maar in de zin van: dit zou kunnen gebeuren; hoe ga je daarmee om? — is op dit moment helaas een vraagstuk in de actualiteit, een heel dwingende en heel dringende zaak. Ik weet ook dat we er aan alle kanten over nadenken wat we daaraan kunnen doen, maar het speelt ook in die actuele zaak. Zolang dat speelt, kan ik geen … Nou, alles kan, maar ik vind het echt heel erg onverstandig om invulling te geven aan wat deze motie vraagt. Dat betekent niet dat het niet kan, dat dat moment niet zal komen. Als er over deze zaak, deze kwestie, een ei gelegd is, dan komt er een moment waarop er vanuit het kabinet wel degelijk een reactie kan komen over de manier waarop wij omgaan met dit vraagstuk in bredere zin. Maar de timing maakt dat ik op dit moment zeg: ik moet deze motie ontraden.

De voorzitter:

Eerst de heer Hartog.

De heer Hartog i (Volt):

Mag ik de staatssecretaris daar een vraag over stellen? De actuele situatie wordt toch afgedaan onder het huidige Wetboek van Strafvordering? Dit gaat over het nieuwe. Eerlijk gezegd zie ik het verband dus niet.

Staatssecretaris Rutte:

De motie vraagt wel degelijk om te kijken naar de situatie waarin iemand moeite heeft om een advocaat te vinden, met alle voetangels en klemmen die daaraan zitten. De vraag is of het wetboek daar voldoende in voorziet. Ik zou ten stelligste niet willen dat er in de actuele zaak argumenten op tafel komen op basis van wat ik nu als notitie naar dit huis zou sturen. Daarom zou ik 'm willen ontraden. Ik vind het een ontzettend relevante kwestie. Je zou bijna denken dat ik het er niet over wil hebben, maar het is buitengewoon relevant. Het heeft een enorm hoge prioriteit. Maar vanwege de actualiteit zou ik de motie in de huidige vorm, waarin wordt gevraagd om binnen twee maanden iets te sturen, moeten ontraden.

De heer Nicolaï (PvdD):

Daarom had ik ook een hele ruime termijn genomen van twee maanden. In die twee maanden is dat wel opgelost, want in de actuele zaak moet het hof daar naar mijn oordeel binnen anderhalve week à twee weken een oplossing voor vinden. Dat is één. Ten tweede kan ik me ook voorstellen dat als er inderdaad legitieme redenen zijn, zoals de staatssecretaris nu naar voren brengt, om niet in je boekje te laten kijken, om het zo maar te zeggen, dat aan het eind van die termijn van twee maanden wordt medegedeeld. Ik denk dat de Kamer de regering dan alle gelegenheid zal geven om het nog even uit te stellen.

Staatssecretaris Rutte:

Ik help u hopen dat het op zo'n korte termijn niet meer zal interfereren met de actualiteit, maar ik blijf vooralsnog bij mijn appreciatie van deze motie.

De voorzitter:

Helder.

Staatssecretaris Rutte:

De Kamer zal daar zelf een oordeel over vellen, want daar gaat ze zelf over.

De voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de minister. Meneer Dittrich, de appreciatie van uw motie is voor de minister.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

Minister Van Oosten i:

Het kabinet vergeet geen enkele motie te appreciëren, maar ik ga eerst een paar vragen beantwoorden. Ik begin met de vraag van de heer Dittrich over het sluiten van bilaterale verdragen met Afrikaanse landen. Ik heb daar al het nodige over gezegd, maar ik kan de heer Dittrich denk ik gelukkig maken, want het meest recente verdrag met een Afrikaans land, met Marokko, ligt nu bij de Tweede Kamer aangemeld voor een plenaire behandeling.

De heer Recourt stelde een vraag over deepfakes. Politie en NFI zijn ervoor opgeleid om deepfakebewijs te onderzoeken en herkennen. Dat betekent dat kan worden onderzocht of documenten, audio, video et cetera, ook echt zijn of dat zij bewerkt zijn of gemaakt met AI. Maar dan belangrijk voor het juridische aspect: door de opsporingsambtenaren wordt daar verslag van gedaan. Daar wordt verantwoording over afgelegd in de processen-verbaal. Het procesdossier, en de inhoud daarvan, wordt dan ter rechtszitting weer besproken en kan in rechten worden aangevochten. Zoals ik eerder ook heb gezegd, heeft de verdediging natuurlijk altijd de mogelijkheid om de officier of de rechter te verzoeken een deskundige te benoemen met de opdracht de authenticiteit en de integriteit van het bewijs te onderzoeken. Dat ter nadere verduidelijking rondom dat thema.

De heer Walenkamp stelde een vraag over voorlopige hechtenis. De heer Recourt deed over datzelfde thema een mededeling. Ik heb daar in eerste termijn over gezegd dat het wetsvoorstel waarborgt waar de rechter alternatieven steeds dient af te wegen. Het al dan niet bevelen van een voorlopige hechtenis blijft een rechterlijk oordeel op basis van de feiten en omstandigheden in elke individuele zaak. Dat hoef ik niet te herhalen. Maar ik probeer ook te luisteren naar wat de heer Recourt zegt. Een aantal anderen hebben dat ook opgebracht. Ik heb aangegeven dat het mij verstandig lijkt dat in de evaluatie van de wet, die we op enig moment gaan meemaken — mits u ermee instemt, maar ik heb daar goede hoop op — het WODC ook wordt gevraagd om dit punt mee te nemen. Dat gaat nu dus ook gebeuren. Daarmee heeft u misschien niet helemaal wat u wilt, maar er is in elk geval wel weer een haakje geslagen om dit onderwerp te bewaken.

De heer Walenkamp vraagt mij ook nog naar de ICT bij de politie en naar specifieke berichtgeving. Ik weet niet precies welke berichtgeving de heer Walenkamp voor ogen heeft. Het is natuurlijk wel zo dat ook bij de politie, zoals in diverse andere organisaties, aandacht is voor cyberveiligheid en de maatregelen die genomen moeten worden om risico's te mitigeren et cetera. Daar is recent ook nog een stevig document onder de verantwoordelijkheid van mede de NCTV over naar buiten gebracht. Elke organisatie is op dit ogenblik kwetsbaar. Dat is ook de realiteit. Je hebt dus continu te werken aan het verstevigen en bestendigen van systemen.

Ik krijg van de staatssecretaris nog een vraag aangereikt. Die was van de staatssecretaris, maar hij is nu van mij geworden, begrijp ik. Het is de vraag van de heer Janssen over digitale communicatie. Die moet voldoen aan alle normen. Daarmee bedoelen ze dan — nu snap ik waarom de staatssecretaris hem aan mij geeft — WCAG 2.1, AA. Voor de ontwikkeling van nieuwe digitale infrastructuur door de overheid gelden voor onderdelen waarmee de burger in aanraking komt de standaarden voor toegankelijkheid. Die zijn neergelegd in het Tijdelijk besluit digitale toegankelijkheid overheid. In dit besluit komt naar voren dat organisaties moeten voldoen aan het voornoemde. Het Overheidsbreed Beleidsoverleg Digitale Overheid werkt aan verdere standaardisering van onder andere digitale toegankelijkheidsnormen. Ik doe altijd mijn best de antwoorden wat vrijer en niet te veel van het papier te formuleren, maar daarvoor is mij bij dit antwoord de mogelijkheid niet geboden.

Ten slotte mag ik nog de motie met letter L van de heer Dittrich en de heer Nicolaï namens het kabinet appreciëren. Die motie gaat over een verzoek om onderzoek te doen naar een onafhankelijke externe toetsingscommissie. Ik ontraad de motie. Ik verwijs naar de opmerking die ik heb gemaakt ten aanzien van de zeven diverse punten die wat mij betreft van de zijde van het kabinet in voldoende mate tegemoetkomen aan vormen van toezicht, nog los van het feit — die opmerking zou ik ook willen maken — dat de organisaties in de strafrechtketen zich ten volle bewust zijn van zaken die zwaar ingrijpen in het individuele leven van mensen. Daar ben ik echt van overtuigd en dat heb ik ook gezien de afgelopen maanden waarin ik als minister van Justitie en Veiligheid op die stoel mocht zitten. Daarbij moet je denken aan zaken als high impact crimes et cetera. Ik weet dat men echt prioriteit wil geven aan opsporing, vervolging en berechting in dit soort zaken. Ik zie dus geen aanleiding om het toezicht verder uit te breiden.

Ik dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u ook.

Minister Van Oosten:

Ik wil nog iets zeggen, excuus! Ik had het nog zo genoteerd. Ik wil professor Knigge mede namens de staatssecretaris bedanken voor alle inspanningen.

(Applaus)

Minister Van Oosten:

Hetzelfde geldt voor alle medewerkers. Dan heb ik het niet alleen over de medewerkers die wij nu hebben meegenomen naar de Eerste Kamer, ook al zijn dat er veel, maar ook over alle andere medewerkers die in de afgelopen jaren ongelofelijk veel harde arbeid hebben verricht op dit onderwerp.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Ik dank ook alle leden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot afhandeling van de wetsvoorstellen. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel 36327? Dat is het geval. Dan stel ik voor dat we op 24 februari, na het voorjaarsreces, over het wetsvoorstel gaan stemmen.

Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel 36636, Vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering? Dat is het geval. Dan gaan we daar ook op 24 februari over stemmen.

Ik stel voor dan ook over de ingediende moties te stemmen.

Hiermee zijn wij gekomen aan het einde van de vergadering en ook aan het einde van de zittingsduur van deze minister en deze staatssecretaris. Ik dank alle leden, de minister, de staatssecretaris, de regeringscommissaris en de medewerkers die deze vergadering mogelijk hebben gemaakt, en de aanwezigen op de publieke tribune voor hun komst naar de Kamer. Ik wens u een goed voorjaarsreces. Ik sluit de vergadering.