Plenair Dittrich bij behandeling Nieuw Wetboek van Strafvordering



Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.35 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Dittrich i (D66):

Dank u wel, voorzitter. Het huidige Wetboek van Strafvordering is dit jaar precies 100 jaar geleden in werking getreden. Het dateert in essentie uit 1926. Het is dus goed dat we dat gaan moderniseren. Zelden heb ik eigenlijk een wetsvoorstel behandeld dat zo grondig is voorbereid. De heer Recourt had het er ook al over. Het is het resultaat van de afgelopen tien jaar zorgvuldig kijken: door de praktijk, door de wetenschap, door regeringscommissaris Knigge en door de commissie onder leiding van Rianne Letschert, die dit allemaal in gang gezet en bekeken hebben. Ook de Tweede Kamer en de Eerste Kamer hebben dit heel serieus opgepakt: 160 pagina's gedetailleerde antwoorden van de regering. Dat brengt ons ertoe om ons te beperken tot een aantal onderwerpen.

Het eerste wat ik namens de fractie van D66 aan de orde zou willen stellen, is de beweging naar voren en de regie in het strafproces. Een van de dragende pijlers van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is de zogenoemde beweging naar voren. Zo veel mogelijk onderzoek vindt plaats in de voorfase onder regie van de rechter-commissaris, zodat de zitting beter kan worden voorbereid en procedures worden verkort. Dat doel onderschrijft mijn fractie, want te lange doorlooptijden zijn schadelijk voor verdachten, voor slachtoffers en voor het vertrouwen in de rechtsstaat. Daarom vinden wij ook dat strafzaken sneller moeten worden behandeld, maar uiteraard met behoud van zorgvuldigheid. De kernvraag is eigenlijk niet of dit doel wenselijk is, maar of de gekozen systematiek dat doel daadwerkelijk dichterbij brengt. In de nieuwe constructie krijgen de officier van justitie, de advocaat van de verdachte en de rechter-commissaris een grotere rol, zodat aan veel van de onderzoekswensen onder leiding van de rechter-commissaris wordt voldaan, voordat de officier van justitie de procesinleiding, zeg maar de dagvaarding, de deur uitstuurt. Het meeste werk is dan voor de openbare zitting verricht, zodat de strafzaak soepel kan worden behandeld.

We hebben natuurlijk ook signalen gehad van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en die maken duidelijk dat doorlooptijden mogelijk helemaal niet korter zullen worden. Dat kan te maken hebben met de proceshouding van de verdediging. Het kan te maken hebben met vertraging als de voorzitter van de strafkamer opdracht geeft tot extra onderzoek, of door personeelstekorten bij het kabinet van de rechter-commissaris, tekorten bij rechters of tekorten aan zittingszalen. Mijn vraag aan de minister is: wat zijn de mogelijkheden van de minister om, mocht blijken dat die doorlooptijden niet korter worden, additionele maatregelen te nemen om de hoofddoelstelling van dit nieuwe Wetboek van Strafvordering te bereiken? Gaat hier specifiek op gelet worden bij de invoeringstoetsen, één en drie jaar na de inwerkingtreding?

In de onderzoeksfase krijgt de rechter-commissaris een regierol: het bijeenroepen van partijen, het bespreken van onderzoekwensen en het bewaken van de voortgang. Tegelijkertijd zijn die procespartijen niet verplicht om daaraan deel te nemen. De vraag aan de regering is dan ook: hoe stevig kan de regie zijn wanneer medewerking daaraan vrijblijvend is? Waarom is er eigenlijk niet een aanwezigheidsplicht opgenomen in het wetboek zoals bij de huidige pro-formazittingen? Acht de minister regie zonder afdwingbaarheid wel voldoende robuust? Hoe wordt voorkomen dat het gezag van de rechter-commissaris in de praktijk daardoor wellicht onder druk komt te staan?

Na de procesinleiding verschuift de regie naar de voorzitter van de meervoudige strafkamer. Dat roept vragen op over de efficiëntie en de taakafbakening. De verdediging kan namelijk onderzoekwensen indienen bij zowel de rechter-commissaris als bij de voorzitter van de strafkamer. Als de voorzitter besluit dat alsnog door de rechter-commissaris onderzoek moet worden uitgevoerd, dan raken die verantwoordelijkheden elkaar. Bovendien moet de rechter-commissaris na de procesinleiding steeds toestemming vragen aan de voorzitter om nog onderzoekhandelingen te kunnen verrichten, ook wanneer beide partijen met de rechter-commissaris zouden instemmen. Kan de minister dus nog eens toelichten waarom deze extra schakel nodig is? Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot extra overlegmomenten, vertraging en administratieve lasten?

Over de verhouding tussen de rechter-commissaris en de voorzitter van de strafkamer hebben wij als D66 in de schriftelijke voorbereiding heel veel vragen gesteld vanuit de gedachte dat deze twee actoren elkaar niet voor de voeten moeten lopen, maar soepel als een tandem met elkaar moeten kunnen samenwerken. De praktijk zal uiteraard moeten uitwijzen hoe dat gaat lopen. Wil de minister toezeggen dat dit vraagstuk bij de wetsevaluatie na vijf jaar specifiek wordt meegenomen?

Tot slot op dit onderdeeltje: erkent de minister dat de beweging naar voren extra capaciteit vraagt en dat de baten, zoals tijdwinst, nog niet zijn geraamd? Dat maakt de vraag des te urgenter: is er een realistische inschatting gemaakt van het beslag op schaarse capaciteit binnen de rechtspraak? Is de minister bereid om bij tegenvallende resultaten in overleg met het veld het stelsel op dit punt aan te passen?

Voorzitter. Dan een enkel woord over de openbaarheid van de rechtspraak. De beweging naar voren geeft uitdagingen voor de openbaarheid van het strafproces. Veel beslissingen worden in het voortraject genomen. Ik hoorde de heer Recourt van GroenLinks-Partij van de Arbeid daar ook al over praten. Onze vraag is eigenlijk: in hoeverre gaan wij uit de pas lopen bij andere Europese landen omdat bij ons in de strafzaak, bij de openbare terechtzitting, vaak getuigenverklaringen worden voorgelezen of samengevat? Het is op dat moment niet echt heel contradictoir. Graag ziet mijn fractie op dat punt een reflectie van de minister.

Dan de positie van de verdachte en de verdediging. Het nieuwe wetboek versterkt terecht de rol van de verdediging in een vroeg stadium. Dat past ook bij moderne opvattingen over equality of arms. Maar rechten hebben eigenlijk alleen betekenis als zij daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend. Veel van de verdachten zijn afhankelijk van gefinancierde rechtsbijstand. Advocaten in die praktijk werken al onder enorm hoge druk met beperkte middelen. De vraag aan de minister is: kan hij concreet toelichten hoe wordt geborgd dat de uitbreiding van taken en verantwoordelijkheden voor de verdediging gepaard gaat met voldoende capaciteit en financiering? Wat betekent het voor de rechtsbescherming van de verdachte als die actieve rol in de praktijk niet of minder kan worden waargemaakt?

Daarnaast vraagt de fractie van D66 aandacht voor het doenvermogen van verdachten, want het nieuwe stelsel vraagt meer initiatief, meer procesinzicht en snelle besluitvorming. Hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot rechtsongelijkheid tussen mondige en minder mondige verdachten? Daarbij raakt dit thema ook aan de modernisering van het bewijsrecht, want de toenemende digitalisering en de mogelijkheden tot selectie van processtukken kunnen bijdragen aan overzicht en efficiency, maar brengen ook risico's met zich mee. Hoe wordt geborgd dat de verdediging daadwerkelijk toegang houdt tot alle relevante informatie en dat selectie van stukken niet ten koste gaat van transparantie of de mogelijkheid om het bewijs effectief te betwisten?

Een herziening ten voordele van de gewezen verdachte is geregeld in artikel 5.8.1. Onder c van lid 1 staat vermeld dat de Hoge Raad een strafvonnis ten voordele van de gewezen verdachte kan herzien als er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat uiteraard serieus genoeg is om het te laten leiden tot een andere beslissing. Ik parafraseer enigszins. Er is een preadvies verschenen van professor Geert-Jan Knoops over het "ne bis in idem"-beginsel. Hij pleit op pagina 272 voor de mogelijkheid om herziening ook bij ernstige twijfel mogelijk te maken, ondanks het feit dat er dan strikt genomen geen echt nieuw gegeven aanwezig is. Ik zou graag een toezegging van de minister willen vragen of hij bereid is de Eerste Kamer te informeren rond dat preadvies en dat punt van ernstige twijfel en de Eerste Kamer te laten weten of herziening bij ernstige twijfel een begaanbare weg zou zijn.

Voorzitter. Dan wil ik kort stilstaan bij de positie en de afdwingbaarheid van slachtofferrechten. Ook de positie van het slachtoffer verdient bijzondere aandacht. De afgelopen decennia zijn er al belangrijke stappen gezet om slachtoffers een volwaardige plaats te geven in het strafproces. Denk bijvoorbeeld aan het spreekrecht voor slachtoffers. Tegen die achtergrond zijn de bevindingen van de Algemene Rekenkamer op dit punt echt zorgwekkend. Bijna een op de vijf slachtoffers wordt niet adequaat geïnformeerd door het Openbaar Ministerie. Wettelijke informatieplichten worden niet nageleefd. Soms gebeurt dat al jarenlang niet. Dat raakt niet alleen individuele slachtoffers, maar ook het vertrouwen in de rechtsstaat. Het nieuwe wetboek bevat een uitgebreide catalogus van slachtofferrechten, maar die zijn niet afdwingbaar. Dat roept de vraag op: wat is dan de praktische waarde van die slachtofferrechten? Wat betekent een recht als het niet kan worden afgedwongen wanneer het wordt geschonden? Waarom is ervoor gekozen om slachtofferrechten niet te voorzien van effectieve rechtsmiddelen? Mijn fractie ziet ruimte om deze rechten serieuzer te verankeren, bijvoorbeeld door vormen van afdwingbaarheid die geen afbreuk doen aan de positie van andere procespartijen.

In dat kader roept ook de beperking van het spreekrecht "in het belang van het slachtoffer" vragen bij ons op, want de kern van het spreekrecht is juist dat het slachtoffer zelf bepaalt of en hoe hij of zij spreekt. Waarom wordt die afweging in dit wetboek nu bij de voorzitter of bij het Openbaar Ministerie gelegd?

Voorzitter. Dan wil ik even stilstaan bij de onafhankelijke positie van het Openbaar Ministerie. In de praktijk kan het Openbaar Ministerie besluiten om een onderzoek niet te starten, geen extra onderzoekshandelingen uit te voeren of deze slechts gedeeltelijk uit te voeren. Soms wordt een nieuw onderzoeksteam gevormd voor een second opinion, maar soms beslist de officier simpelweg geen vervolgonderzoek te doen, bijvoorbeeld door werkdruk of door het ontbreken van een in de ogen van het Openbaar Ministerie gerede aanleiding. In dergelijke gevallen blijft de belanghebbende vaak met lege handen staan en biedt ook het nieuwe artikel 3.5.1 geen duidelijke uitkomst.

Daarnaast biedt de interne klachtenregeling van het Openbaar Ministerie geen onafhankelijk of bindend herstel van rechten. Die richt zich voornamelijk op interne afhandeling. Ook de informatierechten van artikel 1.5.4 lid 1 bieden onvoldoende dekking, met name wanneer nog geen concrete verdachte is aangewezen of niet duidelijk is of er sprake is van een misdrijf omdat er bijvoorbeeld sprake kan zijn van een ongeval of zelfdoding.

Dit aspect van het opportuniteitsbeginsel kan in de praktijk als onrechtvaardig worden aangevoeld. Het Openbaar Ministerie bepaalt immers zelf of vervolgonderzoek nodig is, waardoor fouten of nieuwe feiten soms niet adequaat kunnen worden opgepakt. Daarom stelt de fractie van D66 voor om een permanente externe toetsingscommissie in te stellen, die beslissingen van het Openbaar Ministerie in zaken van levensbelang opnieuw kan beoordelen op verzoek van een belanghebbende. Dit voorstel sluit aan bij het WODC-rapport "Toezicht op strafvorderlijk overheidsoptreden" uit 2018, waarin wordt vastgesteld dat dit externe toezicht ontbreekt. Ik vraag de minister om toe te zeggen een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van zo'n landelijke toetsingscommissie en hoe die in de praktijk kan worden ingericht, zodat de rechten van slachtoffers en andere belanghebbenden daadwerkelijk worden gewaarborgd.

Voorzitter. De heer Recourt van GroenLinks-Partij van de Arbeid heeft gesproken over de implementatie, over ICT en over de uitvoerbaarheid richting 2029. Inderdaad is het zo dat wellicht de grootste uitdaging van dit wetboek in de uitvoering ligt. De invoering per 1 april 2029 vraagt om ingrijpende aanpassingen van werkprocessen en ICT-systemen bij de politie, bij het Openbaar Ministerie, bij de rechtspraak en bij de advocatuur. Deze systemen zijn onderling sterk afhankelijk van elkaar. Falen bij de ene schakel raakt de hele keten. Recente verstoringen en kwetsbaarheden in de digitale infrastructuur van de strafrechtketen laten zien hoe gevoelig dit allemaal is. Op de hoorzitting die de Eerste Kamer heeft georganiseerd, hebben we gehoord dat er een gerede kans is dat het Openbaar Ministerie om uitstel zal vragen van de invoering van dit nieuwe Wetboek van Strafvordering.

Daar komt nog eens het hele ingewikkelde thema van het overgangsrecht bij. Na 2029 zal langdurig met het oude en het nieuwe recht naast elkaar moeten worden gewerkt. Het Openbaar Ministerie zal tegelijkertijd het huidige rechtssysteem moeten hanteren voor lopende zaken en het nieuwe systeem voor nieuwe zaken. Die hybride toepassing brengt aanzienlijke risico's op fouten, vertraging en rechtsongelijkheid met zich mee. Slachtoffers zouden daardoor niet adequaat worden geholpen, verdachten kunnen hinder ondervinden en criminelen mogen niet de dans ontspringen door een haperend ICT-systeem. De D66-fractie hecht veel waarde aan een stevige centrale regie daarover. De vraag is dan: wie is uiteindelijk verantwoordelijk voor het bewaken van de voortgang en het ingrijpen bij geconstateerde problemen? Hoe worden de adviezen van de adviescommissie ICT, die pas in de loop van dit jaar worden verwacht, betrokken bij de besluitvorming? Is de regering bereid die adviezen zwaar te laten wegen en gemotiveerd verantwoording af te leggen indien daarvan wordt afgeweken? Stel dat de adviescommissie ICT ernstige bedenkingen heeft of serieuze aanbevelingen doet, die de voorgenomen planning wijzigen, is de minister of zijn opvolger dan bereid om die adviezen op te volgen en de Eerste Kamer hierover tijdig te informeren?

Voorzitter. Dan Boek 8, dat gaat over internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking, en dan met name over samenwerking op basis van internationale rechtshulp in strafzaken. Naar aanleiding van de gesprekken met Nederlandse ambassadeurs in verre landen wil ik daarover graag het volgende opmerken. Soms zijn ambassadeurs mede geaccrediteerd in andere landen, al komen ze daar minder frequent en hebben ze daar ook niet zo'n goed netwerk als in hun land van accreditatie. Maar politionele en justitiële samenwerking draait juist op onderling vertrouwen, elkaar kennen en elkaar iets gunnen. Dat heeft totaal geen prioriteit bij de huidige regering en ook niet bij de vorige regeringen, waardoor veel internationale misdrijven onder de radar kunnen blijven.

Mijn vraag is of hier extra aandacht aan besteed kan worden. Dat vraag ik, omdat er in Nederland veel synthetische drugslabs worden opgerold, met name in Brabant. Heel goed natuurlijk, maar de export vanuit Nederland van synthetische drugs naar andere landen is gigantisch, en wederkerigheid is in Boek 8 echt een belangrijk principe. Nu blijkt dat veel landen vinden dat Nederland veel te weinig doet aan het stoppen van die export, waardoor Nederland kansen mist op een soepele samenwerking. Daar hoor ik graag een reactie op.

Als een Nederlandse crimineel in bijvoorbeeld een Afrikaans land woont, zegt Nederland vaak tegen dat Afrikaanse land "wij willen die persoon graag hebben, maar dan op basis van het wereldwijde uitleveringsverdrag". Maar Afrikaanse landen zeggen nu juist weer tegen onze ambassadeurs in die landen "nee, wij willen dat op basis van een bilateraal verdrag". Dan ontstaan er allerlei onderhandelingen. Ik heb vernomen dat het ministerie van Justitie en Veiligheid er naar verluidt veel te afhoudend in is om bilaterale verdragen te sluiten, met als gevolg dat Nederland regelmatig achter het net vist als het zo'n rechtshulpverzoek doet.

Als een rechtshulpverzoek vanuit een ander land bij de bevoegde Nederlandse autoriteiten wordt ingediend, belandt dat vaak onder een stapel, omdat de strafrechtsketen in Nederland al ernstig onder druk staat. Gevolg: zaken slepen zich maanden en maanden voort, tot frustratie van het verzoekende land. De vraag is dus of daarin verbetering optreedt met dit nieuwe wetboek, met Boek 8. We kunnen immers niet zo doorgaan.

De voorzitter:

Meneer Dittrich, wilt u afronden?

De heer Dittrich (D66):

Jazeker. Als laatste op dit onderdeel doe ik een concreet verzoek. Als een Nederlandse man bijvoorbeeld in een land buiten de EU veroordeeld is voor kindermisbruik en hij gaat vervolgens als toerist bijvoorbeeld naar de Filipijnen, dan staat hij niet in Nederland geregistreerd. Dat belemmert onze opsporing in Nederland. De vraag is of de wet op dit punt kan worden aangepast.

Mevrouw de voorzitter, ik hoor u vragen aan mij of ik wil afronden. Dat ga ik ook doen. D66 staat voor een strafrechtspleging die bij de tijd is, effectief en rechtvaardig. Dit wetboek biedt daarvoor een sterke basis. Daarom kan ik nu al aankondigen dat mijn fractie voor dit nieuwe wetboek zal stemmen. Maar de kwaliteit van het recht wordt uiteindelijk bepaald door de uitvoering: heldere regie, voldoende capaciteit, betrouwbare ICT en daadwerkelijke naleving van rechten zijn daarvoor onmisbaar. Vanuit die verantwoordelijkheid ziet mijn fractie met belangstelling uit naar de antwoorden van de regering. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Van Bijsterveld van de fractie van JA21.