Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 14.57 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Van Bijsterveld i (JA21):
Voorzitter. Alvorens te starten met mijn bijdrage, wens ik eerst namens mijn fractie onze waardering uit te spreken voor de zeer zorgvuldige behandeling van de twee wetsvoorstellen die vandaag in dit huis worden behandeld, en uiteraard voor iedereen die daar een bijdrage aan heeft geleverd. De behandeling van deze wetten was aan de overkant al zeer uitvoerig, met ondersteuning van vele deskundigen uit het veld, maar ook in samenspraak met de gehele strafrechtketen en maatschappelijke organisaties die hebben meegedacht en bijgedragen aan dit vernieuwde Wetboek van Strafvordering.
Het is een historisch moment; laten we daar met elkaar dan ook even goed bij stilstaan. Voor de minister en de staatssecretaris is het naar ik aanneem ook een bijzonder moment om nog binnen hun mandaat deze wet vandaag in dit huis te verdedigen. Een warm welkom aan de heer Knigge, de regeringscommissaris voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Wij zijn vandaag in goede handen. Tot slot wil ik alle medewerkers van het ministerie die vandaag achter de schermen aanwezig zijn, succes wensen en danken voor hun bijdrage om vandaag tot een mooi en inhoudelijk debat met elkaar te komen.
Voorzitter. Dan begin ik met mijn bijdrage. Er wordt weleens gezegd dat wetten gestolde moraal zijn. Het is zeer de vraag of dit klopt, maar toch lijken wetten van tijd tot tijd aangepast te worden aan iets wat "tijdgeest" wordt genoemd. Het is ook maar zeer de vraag of er zoiets bestaat als een tijdgeest. Hoe het ook zij, er is gedacht dat het tijd is om te komen tot een nieuw Wetboek van Strafvordering. Het huidige wetboek stamt uit 1926 en dit nieuwe Wetboek van Strafrecht is geen cosmetische ingreep, maar een structurele herziening van het corpus. Hier ligt een fundamentele herstructurering van het strafprocesrecht voor, met verstrekkende gevolgen voor de gehele strafrechtketen. Dit raakt politie, Openbaar Ministerie, rechtspraak, advocatuur en burgers die met het strafrecht in aanraking komen, als verdachte, slachtoffer of anderszins. Juist vanwege die reikwijdte past de Eerste Kamer terughoudendheid, of beter: grondigheid. Dat is gelet op de omvang van de materie ofwel een ondoenlijke opdracht, ofwel een titanenklus. Dat is een veeg teken. Wij moeten ons niet alleen afvragen of dit wetsvoorstel juridisch goed in elkaar zit, maar vooral of het uitvoerbaar, handhaafbaar, betaalbaar en verantwoord is in de praktijk van alledag.
Tijdens een deskundigenbijeenkomst van deze Kamer op 11 februari 2025 is door geleerden verbonden aan de Rijksuniversiteit Leiden een aantal aandachtspunten meegegeven. Zij stelden dat bij het ontwerp van het wetboek een duidelijke visie ontbreekt en geen fundamentele keuzes zijn gemaakt. Volgens hen is het een resultaat vooral gebaseerd op overleg met ketenpartners en compromissen. Invulling van belangrijke onderwerpen uit de wet worden aan de praktijk overgelaten. Dit wordt onder meer zichtbaar in de buitengerechtelijke afdoening en de voorlopige hechtenis, die ondanks de bestaande problematiek nauwelijks heeft geleid tot aanpassing in de wettelijke regeling. Dat brengt mij dan ook gelijk bij de vraag of de minister hierop kan reflecteren.
Maar dan even terug naar het grotere plaatje. In deze Kamer, waarin zo veel leden nostalgie voelen naar de toekomst, zal het wellicht verbazen dat JA21 niet tegen modernisering is. Het huidige Wetboek van Strafvordering is in de loop van decennia uitgegroeid tot een complex en versnipperd geheel, waarin samenhang soms met een lantaarntje te zoeken was. Er was sprake van noodreparaties, toevoegingen en allerlei onderdelen die niet meer aansloten op de digitale werkelijkheid. Overzichtelijk is anders, maar erger is het dat de rechtszekerheid daarmee onder druk is gezet. Voor JA21 geldt echter een duidelijke randvoorwaarde. Een noodzakelijke voorwaarde voor geslaagde wetgeving is dat zij uitvoerbaar is. Dat betekent uitvoerbaar voor alle betrokken partijen, met aanvaardbare kosten, met voldoende capaciteit en met systemen die daadwerkelijk functioneren. Wetgeving die op papier klopt, maar in de uitvoering vastloopt, schaadt het vertrouwen in de rechtsstaat en ondermijnt de legitimiteit van het strafrecht.
Tegen die achtergrond kijken wij met zorg naar de implementatieplanning. De regering gaat uit van een beoogde inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering per 1 april 2029. Uit de stukken en de toelichtingen van de ketenpartners blijkt echter dat deze datum alleen haalbaar wordt geacht indien de strafrechtketen uiterlijk rond 1 april 2028 in belangrijke mate gereed is voor implementatie. Die datum heeft weliswaar geen formele status, maar fungeert als een door ketenpartners zelf genoemde referentie om een jaar later tot verantwoorde inwerkingtreding te kunnen komen. Dat is naar de mening van mijn fractie een buitengewoon smalle marge. Het betekent dat er nauwelijks ruimte is voor tegenslagen, terwijl de ervaring leert dat bij trajecten van deze omvang tegenslagen eerder regel dan uitzondering zijn.
Ook zijn er grote zorgen over de capaciteit en werkdruk. De uitvoeringsorganisaties kampen al met personeelstekorten, hoge werkdruk en oplopende doorlooptijden. Het nieuwe wetboek introduceert nieuwe procedures, uitgebreidere motiveringseisen en extra beslismomenten. In theorie kunnen deze bijdragen aan zorgvuldigheid, maar in de praktijk betekenen zij ook meer werk, meer administratieve lasten en meer druk op de toch al overbelaste ketenpartners.
De rechtspraak, het OM en de politie waarschuwen ook dat zonder substantiële en structurele extra middelen de invoering zal leiden tot vertragingen, hoge werkdruk en mogelijk zelfs rechtsongelijkheid. JA21 vindt het zorgelijk om een stelselwijziging van deze omvang door te voeren zonder duidelijke garanties dat de uitvoering dit aankan. Graag een reflectie van de minister op deze punten.
Daar komt nog bij dat het wetgevingsproces nog niet is afgerond. Er volgen nog aanvullingswetten, de Innovatiewet, invoeringswetten, uitvoeringsregels en uitwerkingen. Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat men moet bouwen terwijl de blauwdruk nog niet volledig vaststaat. Dat is riskant, zeker waar het gaat om ICT-systemen en ketenafspraken die lastig achteraf te corrigeren zijn. Mijn vragen aan de minister zijn de volgende. Staat de implementatie van de twee vaststellingswetten onder druk, als de eerste aanvullingswet niet voor 1 april 2026 wordt aangenomen? Heeft de minister een plan B, mocht gaandeweg blijken dat invoering per 1 april 2029 gewoonweg niet haalbaar is?
De regering erkent deze spanning ook en spreekt daarom ook over de noodzaak van een beleidsluwe periode van twee jaar voor en één jaar na invoering. Rinus Otte, de voorzitter van het College van procureurs-generaal, vraagt ook om een aantal jaren van wetgevingsluwte. Wij vragen ons af: leggen wij ons als parlement niet zelf aan de ketting vanwege deze buitengewoon omvangrijke operatie? Kunnen wij het de komende jaren wel vergeten dat geweldplegers tegen hulpverleners uiteindelijk zwaarder worden gestraft, omdat het OM de gehoopte wetswijziging niet kan verwerken? Graag een reflectie van de minister hierop met het oog op alle eventuele wets- en beleidswijzigingen.
Een ander zorgenkind is de digitalisering. Dit nieuwe wetboek is niet alleen een juridische herziening, maar in belangrijke mate ook een grootschalig ICT-project voor alle ketenpartners. Zowel politie als OM hebben aangegeven dat de benodigde systemen nog niet op het vereiste niveau zijn en dat de invoeringstermijn erg ambitieus is. Ook dient voor bepaalde tijd nog gewerkt te worden met twee digitale systemen, voor de oude zaken die nog vallen onder de huidige wetgeving en de nieuwe zaken die vallen onder het nieuwe wetboek. De overgang van het huidige Geïntegreerd Processysteem Strafrecht naar nieuwe systemen bij het Openbaar Ministerie en de rechtspraak is ambitieus en raakt de kern van de strafrechtspleging. Het gaat om dossieropbouw, gegevensuitwisseling en de toegankelijkheid van het proces voor procespartijen.
In de afgelopen jaren is het Openbaar Ministerie meermaals doelwit geworden van succesvolle hackaanvallen, waardoor interne systemen zelfs voor langere periodes platlagen en de privacy van verdachten, slachtoffers en andere betrokkenen gecompromitteerd werd. Kan de minister aangeven welke concrete maatregelen er worden getroffen om de veiligheid en vertrouwelijkheid van verplichte elektronische indiening van stukken te waarborgen, mede gelet op het risico van cyberaanvallen? Rinus Otte heeft tijdens een informatiebijeenkomst in ons huis van 3 november 2025 opnieuw zijn zorgen geuit of de ingangsdatum van 1 april 2029 gehaald gaat worden — collega Dittrich refereerde er ook al aan — gezien de grote problemen in zijn ICT-systemen. De Kamer verwacht medio april een eerste rapport van het Adviescollege ICT-toetsing met een globaal beeld van de situatie en een risicoappreciatie. Kan de minister toezeggen dat als dit eerste rapport bekend is, er opnieuw beschouwd wordt of 1 april 2029 een realistische planning blijkt te zijn voor de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering?
Een verder punt van aandacht is de zogenaamde "beweging naar voren". Het nieuwe wetboek beoogt meer regie in de voorbereidende fase van het strafproces, met als doel efficiëntere zittingen en minder aanhoudingen. Met name de positie van de rechter-commissaris verdient hierbij aandacht. De rol wordt zwaarder en structureel, maar een concreet en onderbouwd beeld van de gevolgen voor werklast, formatie en opleiding ontbreekt nog. Graag een reactie van de minister op dit punt.
De rechter-commissaris heeft een regierol in het voorbereidend onderzoek: sturen op voortgang, bewaken van proportionaliteit, beslissen over onderzoekswensen enzovoort. Het idee is: meer rechterlijke controle aan de voorkant. Echter, de rechter-commissaris heeft regie zonder tanden. De regierol kan werken, maar is niet zelfhandhavend. Het succes hangt dus niet af van de wet, maar bijvoorbeeld van institutionele discipline en rechterlijke assertiviteit. De rest van de strafrechtketen moet meebewegen en zich schikken naar de nieuwe rollen. Hoe maakt men zich nieuwe rollen eigen en hoe worden oude patronen doorbroken? Dat is de vraag. Is de minister bereid toe te zeggen dat bij de invoeringstoets expliciet wordt beoordeeld in hoeverre de regierol van de rechter-commissaris, die niet is voorzien van eigen sanctiemiddelen, in de praktijk daadwerkelijk bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van de "beweging naar voren"?
Voorzitter. JA21 wil dat het nieuwe Wetboek van Strafvordering een succes wordt. Dat betekent niet alleen dat het wordt aangenomen, maar vooral ook dat het werkt. Dat vereist realisme over planning, capaciteit, digitalisering, voldoende financiële middelen en governance. Het vereist ook de bereidheid om tijdig pas op de plaats te maken als blijkt dat aan de randvoorwaarden nog niet is voldaan.
Wij zien uit naar de duidelijke en concrete antwoorden van de regering, want meebewegen met de tijd is alleen enigszins verantwoord als het weldoordacht is.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Walenkamp van de Fractie-Walenkamp.