Plenair Doornhof bij behandeling Nieuw Wetboek van Strafvordering



Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 15.18 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Doornhof i (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Uzelf, de bewindslieden, de regeringscommissaris, de collega-Kamerleden, en ook ikzelf: iedereen is wel bekend met grote of kleine voorbeelden, van jezelf of uit directe kring, waaruit blijkt hoe strafvordering daders en slachtoffers heel direct raakt. Zo weten we dat er soms met lof over de politie wordt gesproken als een aangifte meteen is opgepakt en er recht is gedaan aan iemand die met criminaliteit te maken heeft gehad. In andere gevallen is er juist kritiek op justitie, omdat iemand bijvoorbeeld ten onrechte als mogelijke dader zou zijn lastiggevallen of, andersom, als een zaak zomaar zou zijn geseponeerd.

Wat betreft die grote voorbeelden van de impact van strafvordering op mensen wil ik wijzen op Slachtofferhulp, de recentelijk in het leven geroepen podcast van BNNVARA. Daarin vertellen nabestaanden van geweldsdelicten onder meer wat het strafproces voor hen betekende. In de eerste afleveringen hoor je reconstructies van de families van Scott, die door een inbreker werd doodgestoken, en Sela, een slachtoffer van femicide. Die verhalen maken duidelijk dat de manier waarop de organen van onze rechtsstaat communiceren en beslissingen nemen en uitvoeren, niet abstract is, maar rechtstreeks invloed heeft op hoe nabestaanden hun verlies ervaren en verwerken. Uiteindelijk staat hun vertrouwen in de rechtsstaat op het spel, en dat kun je een understatement noemen. In dit verband is het niet voor niets dat de voorzitter van de raad van bestuur van Slachtofferhulp Nederland, mevrouw Rosa Jansen, liet weten dat ze artikel 1.1.4 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering aan de muur spijkert. Het luidt: "Strafvordering heeft plaats op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer."

Dit sluit aan bij het christendemocratische uitgangspunt van publieke gerechtigheid. In het algemeen betekent dit uitgangspunt dat er nadruk wordt gelegd op onder meer de menselijke waardigheid, die door de rechtsstaat gekoesterd moet worden, juist als mensen gedurende hun levensloop kwetsbaar zijn en rechtvaardig behandeld behoren te worden. Dat brengt enerzijds met zich mee dat de wet wordt gehandhaafd door middel van het strafrecht. Een geloofwaardig overheidsoptreden voorkomt dat burgers eigenrichting plegen of het vertrouwen in en het respect voor het recht verliezen. Anderzijds is een bestanddeel van publieke gerechtigheid dat de positie en rechten van de verdachte uiterst zorgvuldig in ogenschouw worden genomen.

Nu ik toch begonnen ben met verwijzen naar media: in de documentaire Napels aan de Noordzee, van PowNed, wordt zichtbaar hoe een langdurige strafrechtelijke procedure een stad, bestuurders en betrokkenen jarenlang in zijn greep houdt, nog los van de uiteindelijke rechterlijke beoordeling. De naam van Marco Borsato laat ik in dit verband ook vallen. Ik citeer daarom opnieuw uit de nieuwe wet, en wel uit artikel 1.1.2: "De verdachte heeft recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn." Dat sluit natuurlijk aan bij de bepalingen die hierover al in het EVRM en in de Grondwet staan, maar uiteindelijk is het niet de bedoeling dat het bij dit nieuwe wetboek blijft bij een codificatie-exercitie. Met de nieuwe regels voor strafvordering wordt ingezet op een strafrechtketen die digitaal samenwerkt, voortgang kan aantonen en beslissingen kan uitleggen aan de verdachte, aan het slachtoffer en aan de samenleving.

Mevrouw de voorzitter. Dit wetboek omvat een van de meest omvangrijke wetswijzigingen uit de Nederlandse wetsgeschiedenis. Dat hebben we als Kamer zelf ook niet onderschat: niet voor niets is er een speciale werkgroep ingesteld om de behandeling van dit wetsvoorstel voor te bereiden. Graag grijp ik meteen de kans om onze voorzitter, collega Vogels, te bedanken voor haar betrokken leiding, alsook de griffie voor de professionele ondersteuning. Ik zie dat mevrouw De Graag naast u zit, voorzitter. Haar kijk ik dan ook in het bijzonder aan.

In het kader van de voorbereiding hebben we onder meer een gesprek gevoerd over de praktijk van het huidige strafproces, afgezet tegen hoe dat in het nieuwe wetboek is. Er is toen ingezoomd op de rollen van de rechter-commissaris en de raadkamer. Uiteindelijk moet er een beweging naar voren komen, zodat strafzaken beter voorbereid bij de zittingsrechter terechtkomen. Er zijn nu te veel pro-formazittingen nadat de dagvaarding is uitgebracht. De doorlooptijden moeten korter worden. Daarom krijgt de rechter-commissaris een meer samenhangende en regisserende rol in de onderzoeksfase. De raadkamer behoudt wel de bevoegdheid over bijvoorbeeld gevangenhouding, maar pro-formazittingen en het voeren van regie vallen weg. De officier van justitie is ook niet langer verplicht om na 90 dagen verlenging van de gevangenhouding de zaak op zitting aan te brengen. Er gaat pas een procesinleiding uit op het moment dat de officier van mening is dat het onderzoek gereed is — zie artikel 4.1.1.

Om er nu voor te zorgen dat doorlooptijden ook echt korter worden, moeten de veranderingen in regels wel gepaard gaan met een cultuuromslag. De regering schrijft zelf dat voor een geslaagde beweging naar voren het belangrijk is dat alle actoren, ieder vanuit zijn eigen rol, bijdragen aan de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. De beweging naar voren vergt een goede samenwerking tussen deze actoren en een — ik citeer — "proactieve attitude". Dit deed mijn fractie meteen denken aan die andere, uiterst omvangrijke wetswijziging, namelijk — het woord is al gevallen — de Omgevingswet. Ook die wet is inhoudelijk doordacht, maar al vroeg werd duidelijk dat het succes niet primair afhangt van de juridische regels en instrumenten, maar van de uitvoering met een houding van "nee, tenzij" naar "ja, mits" ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de overheid.

Daarvoor is onderlinge samenwerking cruciaal. De Omgevingswet veronderstelt dus een werkelijkheid met één loket, samenwerkende overheden en actuele en digitale informatie. Maar uit een eerste evaluatie — ik heb zelf ook zo mijn ervaringen met die wet — is al gebleken dat binnen gemeenten weliswaar vaker en eerder contact wordt gezocht tussen afdelingen, met ruimtelijke ordening enerzijds en vergunningen, toezicht en handhaving anderzijds, maar dat oude verkokerde werkpraktijken toch steeds de kop opsteken. Bovendien is het digitale stelsel nog steeds niet op orde.

Kunnen de bewindslieden in het licht van deze ervaring concreter maken hoe, als het nu gaat om dat nieuwe Wetboek van Strafvordering, de cultuuromslag binnen de strafrechtketen echt waar wordt gemaakt? In de beantwoording van onze vraag heeft de CDA-fractie in het bijzonder herhaald zien worden wat het beoogde resultaat is, maar de echte maatregelen ontbreken waarmee de cultuuromslag moet worden bereikt. Waaraan mogen we in deze Kamer het vertrouwen ontlenen dat in dit opzicht het nieuwe wetboek echt tot verbetering en versnelling leidt?

Voorzitter. De achtergrond van deze vragen is als volgt. Als wetgeving veronderstelt dat functionarissen en digitale systemen samenwerken, dan is dat geen implementatiedetail, maar een constitutieve vereiste voor het slagen van de wet. Dan hebben we het bij het Wetboek van Strafvordering niet over omgevingsvergunningen, hoe verstrekkend die overigens ook kunnen zijn, maar over vrijheid, veiligheid en rechtsbescherming. We mogen daarom niet, nog minder dan bij de Omgevingswet, te optimistisch zijn over de uitvoerbaarheid.

Voorzitter. Daarom is het ook terecht dat naast die focus op de uitvoering van het nieuwe wetboek, onze Kamer zich geconcentreerd heeft op informatietechnologie. Ook daarover hebben we een aparte deskundigenbijeenkomst gehad. Daarin heeft de heer Van Leest toegelicht dat binnen de rechtspraak de Basisapplicatie Strafrechtspraak, kortweg BAS, intrede doet. Aan de kant van het OM wordt EMMA ontwikkeld. Naast de zelfstandigheid die de rechtspraak nastreeft, is de afhankelijkheid van het Openbaar Ministerie in het proces van de totstandkoming van de ICT-systemen benadrukt, in de woorden van de heer Van Leest: "BAS en EMMA moeten samen dansen."

Er is ook nog de politie, die ervoor moet zorgen dat dossiers via haar systemen digitaal naar het Openbaar Ministerie en uiteindelijk de rechtspraak gaan. Daarbij is door mevrouw Vis, programmadirecteur bij de politie, evenzeer de afhankelijkheid van het OM genoemd. Wat zei het OM dan zelf? Het heeft de wens om nader onderzoek te doen, gericht op de ketenbrede voortgang en de haalbaarheid om het nieuwe wetboek succesvol in te voeren. De regering heeft laten weten dat het OM en het ministerie hierover op korte termijn in gesprek gaan en dat de eerstgenoemde daarvoor de nodige analyses uitvoert.

In dit verband is het recente coalitieakkoord tussen de fracties van D66, VVD en CDA overigens hoopgevend. Ik citeer: "Het Openbaar Ministerie vervult een onmisbare rol in onze strafrechtketen, maar wordt gehinderd door grote IT-problemen die mogelijk invloed kunnen hebben op strafzaken. We zorgen voor rust in het beleid ten aanzien van het OM en maken goede afspraken om de digitale bedrijfsvoering duurzaam op orde te brengen." Bij dit alles komt betekenis toe aan het feit — het is eerder al gevallen — dat wij als Kamer zelf hebben besloten advies te vragen aan het Adviescollege ICT-toetsing. Daarbij gaat het om de voorbereiding van de individuele organen in de strafrechtketen op alle ICT-aanpassingen en de overkoepelende regie. Dit laatste lijkt nadrukkelijk ook het ministerie te betreffen. Uiteindelijk blijft het uiteraard nog steeds een rare volgorde: vandaag voeren we eerst dit debat, en pas in april beschikken we over een eerste rapport van het adviescollege met een globaal beeld.

De heer Recourt i (GroenLinks-PvdA):

Ik ben blij dat de heer Doornhof het regeerakkoord aanhaalt. Ik heb die zin ook gelezen en ben toen verdergegaan naar de financiële paragraaf. Daarin kon ik helemaal niets vinden over het geld dat het OM nodig heeft. Heb ik verkeerd gekeken of staat het er inderdaad niet in?

De heer Doornhof (CDA):

Ik heb zelf niet op die manier gekeken naar deze bepaling. Met de kennis die ik heb over de onderhandelingen in de Tweede Kamer, zou ik wel durven stellen dat het van de hele Kamer gaat afhangen welk geld hier uiteindelijk beschikbaar voor wordt gesteld. U weet dat het om een minderheidskabinet gaat. Als u van mening bent dat daar op dit moment te weinig geld naar gaat, zou ik u de suggestie willen doen om contact op te nemen met uw partijgenoot aan de overkant; mogelijk zou die nog wat voor u kunnen betekenen.

De heer Recourt (GroenLinks-PvdA):

Dank voor de suggestie, maar ik wilde iets anders voorstellen. Ik wil voorstellen om nu aan de minister te vragen de financiële kaders helder te maken en de toezegging te doen dat deze in begrotingen worden opgenomen, zodat wij controle hebben over hoe dat geld georganiseerd moet worden.

De heer Doornhof (CDA):

Even serieus dan, om de vraag van collega Recourt goed te beantwoorden. Ik heb zelf gezien dat de regering in de beantwoording nu vrij geruststellend zegt: wij voeren die gespreken; het OM doet nu analyses naar wat het nodig heeft en hoe het ministerie daarbij zou kunnen helpen. In mijn ogen zat daar meteen al een soort bereidwilligheid in om hieruit te komen. Volgens mij geldt voor ons beiden, zeg ik via de voorzitter, dat de uitvoerbaarheid buiten kijf moet komen te staan. Ik vond het extra hoopgevend dat dit niet alleen iets is wat deze regering naar voren bracht, maar dat we het ook aantreffen in het nieuwe coalitieakkoord.

Ik had het over de wat rare volgorde. We praten nu over de wet en krijgen straks nog het advies van het adviescollege. Ook daarbij zie je misschien wel de parallel met de Omgevingswet. Daar werd ook aan gerefereerd. Eerst moeten we de wet aanvaarden en dan moeten we een tijd wachten op de inwerkingtreding. Ook professor Otte is al een paar keer aan de orde geweest. Hij zegt dat we niet te romantisch mogen zijn. Of die 2029 een halszaak is of niet; het is toch een kwestie van nader onderzoek en het heeft misschien meer tijd nodig, aldus de voorzitter van het College van procureurs-generaal.

De regering heeft in ieder geval gezegd dat als de bevindingen van het Adviescollege ICT-toetsing aanleiding geven tot bijstelling van de geplande inwerkingtredingsdatum, onze Kamer en de Tweede Kamer daarover te informeren. Kunnen de bewindslieden misschien wat meer zeggen over hoe zij de gedachtewisseling over de advisering door het adviescollege met de senaat voor zich zien? Het zal natuurlijk niet verbazen dat wij daarbij in het bijzonder betrokken willen blijven. Daarbij speelt de vraag in hoeverre het feit dat de digitale inbedding van de strafvordering een constitutief vereiste is samen kan gaan met de mening van de CDA-fractie dat 2029 misschien inderdaad geen halszaak is, maar dat de modernisering die wij vandaag bespreken echt niet veel langer op zich mag laten wachten, in het belang van slachtoffers en verdachten.

Overigens waardeert de CDA-fractie het dat de politie en het Nederlands Forensisch Instituut informatietechnologie ook gebruiken door via algoritmes strafzaken op te lossen. In dit verband geldt dat het nieuwe wetboek hier nog niet speciaal op is aangepast. De heer Recourt zei dat ook. Kan de regering wellicht zeggen of op dit punt nog extra innovaties voor de opsporing zijn te verwachten om de pakkans na een gepleegd misdrijf verder te vergroten? Het gebruik van AI valt nu onder de eisen van zorgvuldigheid en controleerbaarheid van het wetboek. De regering heeft in dit verband bevestigd dat er geen sprake is van het vaststellen van een verdenking of het beoordelen van bewijs door AI zonder dat is voorzien in menselijke tussenkomst.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

Ik zat nog heel even te kauwen op die zinsnede van collega Doornhof dat 2029 geen halszaak is, maar wel van het grootste belang, of woorden van die strekking. Daarvan denk ik dan: dat is eigenlijk een synoniem. Ik vraag dus maar even via u, voorzitter, aan collega Doornhof: wat zegt hij daarmee dan eigenlijk, als het geen halszaak is, maar wel van het grootste belang?

De heer Doornhof (CDA):

Het heeft misschien met het woord "balans" te maken. Enerzijds zeg ik inderdaad dat het niet zo kan zijn dat je met dat nieuwe wetboek aan de gang gaat terwijl je de uitvoerbaarheid niet hebt verzekerd. Anderzijds ontstond er misschien ook een beetje een sfeer van — misschien zeg ik het dan een beetje weinig parlementair — "dan moet het gewoon maar wat langer de tijd hebben, en dat maakt dan niet uit". Ik weet niet of dat heel onparlementair is, maar goed "we laten het een beetje op z'n beloop", terwijl ik dat besef van urgentie hier nu namens mijn fractie nog een keer goed wil benadrukken. Ik geloof dat het de heer Dittrich was die een concrete vraag stelde: hoe hard is nou die datum van 2029? Wij gaan hier vanuit de Kamer, zou ik zeggen, natuurlijk niet de voorzitter van het college van pg's tegenspreken als deze zegt: 2029 gaat gewoon niet gebeuren. Maar het moet niet omslaan in een houding van: nou ja, we nemen nog jaren de tijd. Laat ik dat zo tegen de collega zeggen.

De voorzitter:

De heer Doornhof vervolgt zijn betoog.

De heer Doornhof (CDA):

Over AI heeft de regering ook gezegd dat de verdediging — ik hoorde zojuist iets anders — juist wel met behulp van dezelfde systemen die ook de opsporing gebruikt een desbetreffende dataset kan doorzoeken met het oog op het vinden van relevante gegevens. Bovendien kan worden verzocht een deskundige te benoemen met de opdracht om tegenonderzoek te doen. Dit alles neemt niet weg dat de minister niet lang geleden de commissie-Koops II heeft ingesteld met de vraag om aanbevelingen te doen voor een nadere normering van het verwerken van bulkdata ten behoeve van de politietaak. Op dit punt wordt het nieuwe wetboek mogelijk nog aangevuld. Kunnen de bewindslieden zeggen of dit betekent dat op dit moment eventuele nieuwe technologische innovaties in de opsporing nog niet toegepast kunnen worden?

Voorzitter. Ik kom aan het slot van mijn betoog. Vandaag staan de juridische en uitvoeringstechnische kant van het wetsvoorstel nogal centraal, waardoor misschien wat te weinig wordt uitgesproken dat er grote waardering is voor onze politiemensen. Zij werken met overtuiging, professionaliteit en loyaliteit aan de rechtsstaat. Dit doen ze, terwijl ze niet altijd de steun van hun burgemeester of van het OM ervaren. Bovendien zijn rechterlijke beslissingen voor de werkvloer soms moeilijk te begrijpen. In zoverre juicht mijn fractie het toe dat, aan de overkant dus, in het coalitieakkoord door de fracties dank wordt uitgesproken aan politie, hulpverleners en andere hoeders van de rechtsstaat. De coalitie belooft te zullen zorgen dat ze voldoende mensen, middelen en mogelijkheden hebben om hun werk goed te doen.

Bij de CDA-fractie in déze Kamer bestaat hoe dan ook het besef dat achter elk strafdossier hard politiewerk zit. Het gaat om uren en soms jaren van recherche, observatie, verhoor en analyse, en dan vaak onder hoge druk en met grote maatschappelijke verwachtingen. Dat werk verdient respect. Dat respect zit niet alleen in woorden en politieke beloften, maar zeker ook in de manier waarop aan een concrete zaak door officieren van justitie en rechters een vervolg wordt gegeven. Want niets is zo ontmoedigend voor politiemensen als een zaak waarin een dossier zorgvuldig is opgebouwd en het onderzoek professioneel is uitgevoerd, maar de vervolging hapert, bijvoorbeeld door gebrekkige samenwerking in de keten. De beloning voor goed politiewerk is een zorgvuldige vervolging en een rechtelijk oordeel dat standhoudt. Dat is recht doen aan het slachtoffer, dat is recht doen aan de verdachte en dat is recht doen aan de inzet van de politie. Daarmee is een goed werkend Wetboek van Strafvordering uiteindelijk niet alleen iets wat juridisch moet, maar ook een morele verplichting tegenover iedereen die dagelijks werkt aan publieke gerechtigheid, aan onze rechtsstaat.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Talsma van de fractie van de ChristenUnie.