Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 15.49 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Marquart Scholtz i (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik heet namens mijn fractie de bewindslieden en de regeringscommissaris van harte welkom in deze Kamer bij de verdediging van deze twee wetten. Het is vandaag een bijzondere dag. In januari 1926, 100 jaar geleden, trad het destijds nieuwe Wetboek van Strafvordering in werking, nadat al in 1921 de Eerste Kamer het wetsontwerp had aangenomen. En vandaag, 10 februari 2026, behandelen wij hier plenair het nieuwe Wetboek van Strafvordering, specifiek de Vaststellingswet en de Tweede Vaststellingswet, tezamen een indrukwekkend wettelijk systematisch bouwwerk, een bouwwerk waarvoor mijn fractie grote waardering heeft. Graag spreek ik allereerst de dank van mijn fractie uit aan allen die meer dan tien jaar aan dit wetboek hebben gewerkt en die deze majeure operatie, door andere sprekers al een groot werkstuk genoemd, hebben afgerond. Ook dank aan de medewerkers en medeleden van de werkgroep Voorbereiding behandeling Wetboek van Strafvordering in deze Kamer, onder de bezielende leiding van collega mevrouw Vogels.
Voorzitter. Het oude wetboek heeft ruim een eeuw lang richting gegeven aan de strafrechtpleging. Alleen al dat feit toont aan dat destijds een wetgeving tot stand is gebracht van grote klasse. Dat wetboek betekende een volledige breuk met het wetboek van 1838. Immers, het strafproces werd systematischer opgebouwd, meer geüniformeerd en duidelijker verankerd in de rechtsstatelijke uitgangspunten. Nu de tijd niet stilstaat en nieuwe ontwikkelingen zich aandienen, werd door de vele noodzakelijke deelwijzigingen het wetboek steeds minder overzichtelijk. Een voorbeeld hiervan is titel 5b, Bijzondere bevoegdheden tot opsporing van terroristische misdrijven, dat zo is uitgedijd dat we zelfs een artikel 126zga aantreffen. Zo goed als, zou je kunnen zeggen. In het begin van deze eeuw werd steeds duidelijker dat de modernisering van het wetboek onontkoombaar was, waarbij het niet ging om een fundamentele herijking van het strafproces, maar veeleer om het verrichten van achterstallig onderhoud. Het ging, kort gezegd, niet om stelselvernieuwing, maar om stelselmodernisering, aldus professor Crijns. Lag in 1921 de nadruk op het vormgeven van de moderne rechtsstaat, thans ligt de nadruk op het behoud en de uitvoering daarvan in een complexe samenleving.
Het feit dat de wetgever verantwoordelijkheid draagt om wetten niet alleen rechtvaardig maar ook begrijpelijk en uitvoerbaar te houden, klinkt door in de hoofddoelstelling van de huidige herziening, zoals onder meer blijkt uit de begeleidende brief al uit 2014 bij de contourennota van destijds, namelijk "om te komen tot een toekomstbestendig, voor professionals en burgers toegankelijk en in de praktijk werkbaar wetboek, dat voorziet in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen, en om daarmee te voorzien in een wetboek waarin zo veel mogelijk bevorderd wordt dat een adequate justitiële reactie kan worden gegeven op strafbaar gedrag en dat onjuiste justitiële beslissingen zo veel mogelijk worden voorkomen".
Die hoofddoelstelling maakt dat het wetboek zo belangrijk is. Het regelt de bevoegdheden van de overheid op het gebied van de opsporing, en dat zijn zeer vergaande bevoegdheden die diep in iemands leven kunnen ingrijpen. Tegelijkertijd geeft het ook regels voor diezelfde opsporing om burgers te beschermen tegen de kwaadwillende, door die op te sporen en voor de rechter te brengen. Daarmee raakt het aan de kern van gerechtigheid, de bescherming van de slachtoffers en de waarborging van de rechtsstaat.
Voorzitter. In de vierde klas van mijn gymnasium behandelde mijn onvergetelijke leraar Nederlands dr. Zwaan de gedichten van Willem de Mérode. Nog altijd zijn mij de eerste twee regels van een van zijn kwatrijnen bijgebleven:
Bewaar mij voor de waanzin van het recht,
De sluwe waarheid van de letterknecht.
Dat zijn bittere woorden, die De Mérode dichtte nadat er groot onheil in zijn leven was gekomen: hij was in 1924 als onderwijzer veroordeeld voor handelen in strijd met het toen geldende artikel 248bis van het Wetboek van Strafrecht. Dat was, zoals u weet, ontucht tussen een meerderjarige en een minderjarige van 16 tot 29 jaar van hetzelfde geslacht, het wetje-Regout.
Tijdens mijn rechtenstudie heb ik vaak aan die woorden gedacht, en vooral aan het woord "letterknecht". Dat is iemand die in vergaande mate vasthoudt aan regels, een scherpslijper dus. Regels zijn juist gecodificeerd in wetboeken waarin het formele recht is neergelegd, zoals het Wetboek van Strafvordering. De Mérode zou trouwens vooral hebben gedoeld op de toepassing van 248bis en niet zozeer op de formele kant van de zaak. Is het dan ook scherpslijperij als een jurist zich in de praktijk laat leiden door al die strikte voorschriften en regels uit het wetboek? Geenszins. Al snel werd mij tijdens de bestudering van het strafprocesrecht duidelijk dat juist dat verfijnde stelsel van regels en procesvoorschriften niet knecht, maar waarborg is voor vrijheid en een bescherming tegen willekeur. Zonder heldere procesregels is er immers sprake van chaos en willekeur en is er geen recht.
"Het nieuwe wetboek is belangrijk en noodzakelijk, maar de implementatie mag niet worden onderschat", aldus ook het positionpaper van het Openbaar Ministerie, overgelegd aan de commissie voor Justitie en Veiligheid van deze Kamer op 23 september 2025 ter gelegenheid van de deskundigenbijeenkomst. Over die implementatie leven bij mijn fractie grote zorgen. Het wetboek introduceert namelijk andere manieren van werken, met een grote nadruk op een digitale wijze van werken. Het vergt van het Openbaar Ministerie, en uiteraard ook van de hele strafrechtsketen, een ingrijpende herziening van werkprocessen en ICT-systemen om dat te kunnen uitvoeren.
Dat is een enorme opgave, niet alleen voor de hele strafrechtsketen, maar vanwege de centrale positie daarbinnen vooral ook voor het Openbaar Ministerie. Het raakt het OM tot in de haarvaten en is van invloed op al zijn werkprocessen. Naast de noodzaak om een compleet en passend opleidingsaanbod te maken voor bijna 70% van alle OM-medewerkers, is de vernieuwde ICT conditio sine qua non. Die ICT is verouderd en niet toekomstbestendig. De leden van mijn fractie hebben in de schriftelijke inbreng in het bijzonder op dit punt vragen gesteld, aangezien ze er niet op gerust zijn dat vlekkeloze invoering op ICT-gebied geborgd is. Die vrees is aangewakkerd door het grote veiligheidsincident van vorige zomer, waardoor het werk van het OM vrijwel onmogelijk werd, en door het feit dat nog steeds storingen optreden. Daarbij komt nog de groeiende frustratie van de medewerkers van het OM zelf, die blijkt uit het verzenden van een brandbrief aan het College van procureurs-generaal in november '25. Daarbovenop komt dan nog de discussie over digitale onafhankelijkheid of kwetsbaarheid van de nieuwe ICT-infrastructuur in wording.
Ik wijs in dit verband ook nog op de recente briefwisseling tussen de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het College van procureurs-generaal in die maand, november '25. De NVvR wijst op de snel toenemende onvrede en onrust bij de OM-achterban, onder andere veroorzaakt door ICT-problemen, en vreest dat de loyaliteit van medewerkers aan de organisatie niet langer als vanzelfsprekend kan worden beschouwd. Dat is nogal wat.
Ook de aangekondigde bezuinigingen op de OM-organisatie van 4,5% tot 5,5% acht mijn fractie zorgwekkend. Onlangs, op 13 januari, verscheen in de Volkskrant een interview met procureur-generaal Otte, waarin hij stelt dat hij graag zou willen dat het nieuwe kabinet scherpe keuzes maakt: "Want het kan niet langer zo. Zolang onze ICT-basis niet op orde is, kan het OM nieuw beleid en nieuwe wetgeving niet verwerken." Onlangs deed hij dat nog eens dunnetjes over op LinkedIn. Hij acht 80 miljoen euro structureel op jaarbasis nodig. Welnu, er is nog geen nieuw kabinet; nog net niet. Desondanks wil ik namens mijn fractie de regering dringend vragen om gehoor te geven aan deze noodkreet van het Openbaar Ministerie en met spoed extra budget ter beschikking te stellen voor modernisering van de ICT van het OM.
Daartoe vraag ik twee toezeggingen van de regering. Kan de regering toezeggen om nu al, zonder het door de Kamer verzochte advies van het Adviescollege ICT-toetsing af te wachten, alle door het OM op het gebied van ICT noodzakelijk geachte maatregelen te willen nemen? Wil de regering afzien van het toepassen van bezuinigingen op de OM-organisatie in 2026 en daaropvolgende jaren? Dekking hiervoor kan in de Voorjaarsnota bijvoorbeeld gevonden worden door niet 4 miljard subsidie de zee op te jagen naar windturbines, maar enkele tientallen miljoenen minder.
Voorzitter. Een tweede punt is het volgende. Zowel de Raad voor de rechtspraak als de korpsleiding van de politie pleiten in hun respectievelijke position papers, overgelegd op 23 september, voor een beleidsluwe periode — weer een bijzonder woord, maar goed — in de aanloop naar en rond de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Dat zijn dus de komende drie jaren. Op dit moment zijn op het gebied van Justitie bij deze Kamer tien wetsvoorstellen in behandeling, waaronder drie initiatiefwetsvoorstellen. Gereed voor plenaire behandeling door deze Kamer zijn zes wetsvoorstellen, met inbegrip van de wetsvoorstellen van vandaag. Nog in behandeling bij de Tweede Kamer zijn 34 wetsvoorstellen, waarvan 16 initiatiefwetsvoorstellen. Ik kan er een of twee hebben gemist, maar van "beleidsluw" is geen sprake. Natuurlijk hebben niet alle tot wet te verheffen wetsvoorstellen dezelfde invloed op het opsporings- en vervolgingsbeleid, maar toename van de werklast voor de rechterlijke macht en politie zal hier zeker het gevolg van zijn en zal zeker effect hebben op de beschikbaarheid of bruikbaarheid van ICT-systemen. Het zou daarom in de lijn van de wens van de rechtspraak en politie liggen als zowel het ministerie als de leden van de Tweede Kamer niet alleen bereid waren tot een beleidsluwe periode, maar ook tot een beleidssluwe periode. Mijn fractie ondersteunt deze wens en verzoekt de regering hieraan gevolg te geven. Is de minister het met ons eens en kan hij in dit in zijn overdracht aan zijn opvolger benadrukken?
Voorzitter. Ik kom tot een derde punt. Het nieuwe wetboek kent in Boek 7 de regels omtrent de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Dat is een probleem op het ogenblik. Vonnissen worden niet compleet ten uitvoer gelegd. Veroordeelden komen zelfs twee weken eerder los. Er is een wachtlijst van 3.300 zelfmelders, die in totaal nog 584 detentiejaren moeten uitzitten. Sinds 2012 zijn 26 gevangenissen gesloten. Personeel is naar huis gegaan. Nu rechterlijke vonnissen niet volledig kunnen worden uitgevoerd en bepaalde gedetineerden dus eerder vrijkomen, kan naar mijn oordeel en dat van mijn fractie gesproken worden van een crisis in het gevangeniswezen. Dan spreek ik nog niet over de tbs'ers. Tbs'ers krijgen te horen: er zijn nog 270 wachtenden voor u. Kan de regering toezeggen dat met voortvarendheid zal worden gewerkt aan het oplossen van deze crisis door versneld gevangenissen te renoveren, gesloten inrichtingen zo mogelijk weer in bedrijf te brengen en door een ambitieus wervings- en aannamebeleid te voeren ten aanzien van penitentiair inrichtingswerkers? Welke maatregelen kan de Kamer op korte termijn van de regering verwachten op dit vlak?
Voorzitter, ik kom tot een afronding. Op 14 januari, zoals collega Talsma ook al zei, van het jaar 1921 werd het wetsontwerp Vaststelling van een Wetboek van Strafvordering zonder hoofdelijke stemming aangenomen, en het trad vijf jaar later in werking. Namens de regering trad op die 14de januari minister Heemskerk aan. De Handelingen van de Eerste Kamer van die 14de januari geven het antwoord van de minister op de vragen van de senatoren weer. Hij gaat daarbij onder andere in op het nieuwe artikel 29, waarin de verplichting tot het geven van de cautie is vermeld. Tevoren had hij met SDAP-senator Mendels van gedachten gewisseld over de inquisitoire aard van het strafproces. Om te illustreren dat enerzijds evenals toen van een belangrijke herziening van het wetboek sprake is en anderzijds dat de tijdgeest veranderd is, en niet zo zuinig ook, en om nog even aan te tonen dat niet elk woord in deze Kamer gesproken van een diepe ernst getuigt, veroorloof ik mij enkele regels uit die Handelingen voor te lezen. Ik ga dan verder waar collega Talsma gebleven is. De minister zegt dan over artikel 29: "In Engeland is het de gewoonte, dat, als iemand verdacht is, men tot hem zegt: alles wat gij zegt, kan tegen u worden uitgelegd. Dat is niet de formule, welke hier wordt voorgeschreven; alleen kan eenvoudig op gepasten, objectieven, kalmen toon gezegd worden: ik herinner u er aan, dat ge niet verplicht zijt tot antwoorden. Dan moet de verdachte het zelf maar weten." … "Indien hij een serieuze verdediging heeft, zal hij in verreweg de meeste gevallen wel degelijk antwoorden." Dan interrumpeert de heer Mendels: "Vooral als de beklaagde een vrouw is; vrouwen antwoorden altijd." De minister vervolgt dan droogjes: "Ik heb eens als plaatsvervangend kantonrechter een vrouw voor mij gehad, die beschuldigd werd, dat zij op een verboden uur matten had uitgeklopt tegen het politiebureau. Zij begon met het te ontkennen, maar toen de agent van politie als getuige verscheen en het proces-verbaal bevestigde, zeide zij: als ik het gedaan heb, heb ik het niet tegen het politiebureau gedaan. Ik heb die vrouw toen een gulden boete opgelegd; ik meende, dat zij het wel gedaan had."
Matten kloppen, voorzitter. Dat was pas een vervolgenswaardig feit. Het geeft haarfijn aan hoe in een eeuw niet alleen de maatschappij is veranderd, maar ook het crimineel handelen veranderd en verhard is. Reden om een wetboek van 100 jaar oud weer bij de tijd te brengen. Dat is met deze grote wetswijziging met succes geschied. Daarom zal ik mijn fractie aanraden voor het aannemen van deze voorstellen te stemmen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Vogels van de fractie van de VVD.