Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.05 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Vogels i (VVD):
Mevrouw de voorzitter. Alvorens in te gaan op de inhoud van de voorliggende wetsvoorstellen wil ik namens mijn fractie dank en waardering uitspreken voor de zorgvuldigheid waarmee dit omvangrijke wetgevingsproject ter hand is genomen en is doorlopen. Vanaf de eerste contourennota in 2015 tot en met de behandeling in de beide Kamers der Staten-Generaal is zichtbaar met toewijding, openheid en vakmanschap gewerkt en samengewerkt door en met het ministerie, de wetenschap, de rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de nationale politie, de advocatuur, kortom, alle ketenpartners in de strafrechtspleging en vele andere bij de strafrechtspraktijk betrokken organisaties. De vele gevraagde en ongevraagde adviezen, soms kritische, zijn niet terzijde geschoven, maar zichtbaar verwerkt, ook die van de Raad van State. Dat waardeert mijn fractie zeer. Wetgeving die op deze wijze tot stand komt, kan bogen op een zeer breed draagvlak en getuigt van institutionele volwassenheid in onze democratische rechtsstaat.
Ook de Tweede Kamer heeft haar rol met grote ernst vervuld met de aanstelling van rapporteurs, intensieve ondersteuning vanuit de wetenschap en uitgebreide wetgevingsoverleggen. Persoonlijk heb ik genoten van die wetgevingsoverleggen: bewindslieden en collega-parlementariërs van verschillende politieke partijen in gesprek om de rechtsstaat te versterken, idealen te verwezenlijken en tegelijkertijd luisterend naar elkaar, de uitvoeringspraktijk in ogenschouw nemend, bereid om compromissen te sluiten en niet zomaar het gesprek, maar wat ik noem, het goede gesprek, ook met de regeringscommissaris. En dat omdat wetgeving aan de orde was die raakt aan de fundamenten van onze rechtsstaat.
Mevrouw de voorzitter. Ik hecht er ook aan om nog even stil te staan bij de samenwerking in dit huis. Ook deze Kamer heeft zich tijdig en zorgvuldig voorbereid. Zo werd al in december 2023, ruim anderhalf jaar voordat de voorliggende wetsvoorstellen in de Tweede Kamer werden aangenomen, een voorbereidingswerkgroep ingesteld met een brede afspiegeling van partijen. Ik dank de collega's Dittrich van D66, Doornhof van het CDA, Marquart Scholtz van de BBB, Recourt van GroenLinks-PvdA en Talsma van de ChristenUnie voor de samenwerking in deze werkgroep én voor hun toewijding, vakinhoudelijke denkkracht en visie. Ik ben onze griffie erkentelijk voor de professionele ondersteuning. Het is voor mij en mijn fractie een voorrecht geweest om samen met u, zo spreek ik via de voorzitter, het voortouw te hebben mogen nemen in de adviezen aan de vaste Kamercommissie van Justitie en Veiligheid.
We hebben samengewerkt vanuit het perspectief hoe we de rol van de Eerste Kamer goed tot zijn recht konden laten komen. We benadrukten en spraken naar elkaar uit dat we vooral niet het werk van de Tweede Kamer over wilden doen, maar een Eerste Kamer wilden zijn die, als chambre de réflexion, wetsvoorstellen toetst op hun kwaliteit vanuit het oogpunt van rechtmatigheid, handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Met de vele technische briefings, colleges en deskundigenbijeenkomsten heeft de Eerste Kamer die klassieke rol van chambre de réflexion zichtbaar waargemaakt. Er volgden zelfs werkafspraken voor de schriftelijke behandeling: focus op implementatie en uitvoering. Met die focus, zoals we als VVD-fractie gewoon zijn, konden we heel goed uit de voeten. We zijn nog niet klaar.
Mevrouw de voorzitter. Vanuit de samenleving is de afgelopen jaren vaak de vraag aan de orde geweest of in Den Haag nog wel wordt samengewerkt; samenwerken in de Staten-Generaal, in de beide Kamers, dwars door alle partijen heen. Zo-even schetste ik hoe dat eruitziet en -zag. Wij kunnen het wel. Dit wetgevingsproject is daarvan in mijn ogen het levende bewijs.
Voorzitter. Ik begon met het uitspreken van dank en waardering voor de zorgvuldige aanpak en behandeling van dit omvangrijke wetgevingsproject. Ter afronding van dit punt: die zorgvuldigheid vormt — over rechtmatigheid gesproken — een wezenlijk onderdeel van de legitimiteit van de voorliggende wetsvoorstellen.
Dan naar de inhoud van die wetsvoorstellen, want na 100 jaar is het weleens tijd. Het huidige Wetboek van Strafvordering, dat op 1 januari 1925 in werking trad, dient de Nederlandse rechtsstaat nu ruim een eeuw, maar het draagt onmiskenbaar de sporen van een samenleving die ingrijpend is veranderd, nationaal en internationaal, technologisch en maatschappelijk. Niet alleen is de aard van de criminaliteit in 100 jaar veranderd, ook zijn de strafrechtelijke sancties veranderd die kunnen worden opgelegd. Door nieuwe technieken ontstonden nieuwe opsporingsbevoegdheden, die ook weer hun weerslag hebben op de afdoening van strafzaken. Bovendien kijken we heden ten dage anders naar de rolverdeling tussen de strafvorderlijke actoren: de rechter, de verdachte, de officier van justitie, het slachtoffer. Als medewetgever hebben we die ontwikkelingen zo goed en zo kwaad als het ging bijgehouden, maar door de vele en vaak onvermijdelijke wijzigingen is het wetboek in de loop der jaren onoverzichtelijk en minder toegankelijk geworden. Met de behandeling van deze eerste twee wetsvoorstellen uit de reeks die dan tezamen dat nieuwe Wetboek van Strafvordering zullen vormen, staan wij dan ook aan het begin van een ingrijpende, maar ook in de ogen van mijn fractie noodzakelijke modernisering van het strafprocesrecht. Voor de VVD wegen handhaving en uitvoering daarbij zwaar. Ik kom daar zo op terug.
De VVD-fractie omarmt de doelen van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Het is een overzichtelijk wetboek, dat het geldende recht weerspiegelt, toegankelijk is voor burgers en professionals en duidelijke regelingen kent rondom de rechtspositie van verdachten en slachtoffers, waarin opsporingsbehoeften zijn vereenvoudigd en geactualiseerd en waarmee het digitale strafproces wordt gefaciliteerd. Het draagt bij aan een voortvarende procesgang. Behoudens de rechtszekerheid zijn dat voor ons als liberalen op zich geen ideologische keuzes, maar praktische randvoorwaarden voor een strafrechtspleging die haar legitimiteit behoudt in de eenentwintigste eeuw. Ziet de regering dat ook zo?
Naast codificatie van jurisprudentie en herstructurering waardeert mijn fractie overigens ook de processuele vernieuwingen, zoals de beweging naar voren, waarbij strafrechtelijk onderzoek zo veel mogelijk voor de terechtzitting wordt afgerond. Er is hierbij sprake van meer regie voor de voorzitter en de rechter-commissaris, toegang tot het digitale procesdossier voor de verdachte, afdoening van hogerberoepszaken door één rechter en invoering van het grievenstelsel in dat hoger beroep, zeg ik als civilist. Zo zijn er nog wel meer punten. Het betreft een eerlijk en voortvarend proces, zoals we dat in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens hebben afgesproken.
Het nieuwe Wetboek van Strafvordering heeft dan ook grote implicaties voor de uitvoering. De voorstellen raken alle organisaties die betrokken zijn bij de opsporing van strafbare feiten, de terechtzitting en de tenuitvoerlegging van straffen. Daarover heeft mijn fractie nog wel wat zorgen. Een van de belangrijkste voorwaarden voor een succesvolle implementatie van het nieuwe wetboek bij alle ketenpartners betreft allereerst de ICT-voorzieningen. Die moeten op orde zijn. Ten tweede denk ik aan voldoende capaciteit. De VVD-fractie heeft daarom in de schriftelijke voorbereiding bijzondere aandacht gevraagd voor de implementatie, de personele capaciteit en de digitale infrastructuur bij de ketenpartners. Dit hebben we niet gedaan omdat wij twijfelden aan de richting van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, maar juist omdat we haar willen laten slagen. Ik dank de bewindslieden voor de uitvoerige beantwoording.
Over de door de ketenpartners gevraagde beleidsluwe periode rondom de datum van inwerkingtreding was de regering niet heel expliciet in de beantwoording van de vragen van diverse partijen, waaronder de VVD. Er werd enkel aangegeven dat er begrip is voor de zorgen bij de ketenpartners. Daarom stel ik de volgende vraag: kan de regering daar nog eens op reflecteren?
De regering heeft in nauwe afstemming met de nationale politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak gekozen voor een implementatieperiode van drie jaar en een beoogde datum van inwerkingtreding van 1 april 2029. Dat was al eens een uitstel van drie jaar. Tijdens de laatste deskundigenbijeenkomst in dit huis is bevestigd dat de betrokken organisaties zich richten op gereedheid per 1 april 2028, zodat er nog ruim de tijd is om te testen, zij het dat het Openbaar Ministerie een slag om de arm hield. Wij herinneren ons bovendien de hack van afgelopen zomer, die de organisatie nog maar net te boven is. De regering heeft weliswaar daarna schriftelijk geantwoord dat voldoende middelen beschikbaar zijn, maar daarmee zijn niet alle zorgen van mijn fractie weggenomen. Dit zeg ik ook vanwege recente geluiden vanuit het OM in de media. Collega Marquart Scholtz verwees er al naar. Graag verneemt mijn fractie dan ook de laatste stand van zaken hierover, in het bijzonder bij het Openbaar Ministerie. Kan de regering ook toezeggen dat ze alles in het werk zal stellen om ervoor te zorgen dat het Openbaar Ministerie op 1 april 2028 ook gereed is? Hoe is zij voornemens dat te doen?
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Nicolaï.
Mevrouw Vogels (VVD):
Ik wilde nog zeggen: ik hoorde van andere collega's ook al vergelijkbare vragen.
De heer Nicolaï i (PvdD):
Er is al een vergelijking gemaakt met de invoering van de Omgevingswet, waarvan we in feite hadden kunnen leren. Zegt mevrouw Vogels nou dat als de ICT, de capaciteit en de financiering niet op orde zijn, wij als Eerste Kamer, die naar de uitvoerbaarheid van een wet moet kijken, eigenlijk klem zitten? Begrijp ik het betoog van mevrouw Vogels zo goed?
Mevrouw Vogels (VVD):
Dank voor de nadere vraag van de heer Nicolaï. Ik zie ons als Eerste Kamer nog niet klem zitten, niet in de laatste plaats omdat wij, met het oog op die uitvoering en de gefaseerde invoering van de verschillende wetsvoorstellen die nu en te zijner tijd voorliggen, ook nog advies hebben gevraagd aan het Adviescollege ICT-toetsing. Ik verwacht daarom dat we met die informatie te zijner tijd goed geïnformeerd zijn en hier goede besluiten kunnen nemen.
De heer Nicolaï (PvdD):
Mag ik daaruit afleiden dat de VVD zal concluderen dat invoering in feite niet zinvol is op het moment dat uit de adviezen van die ICT-commissie blijkt dat er onoverkomelijke problemen zijn?
Mevrouw Vogels (VVD):
Nogmaals, ik zie op dit moment geen enkele aanwijzing dat er sprake is van klem zitten of dat de uitvoerbaarheid op de voorgenomen termijn niet mogelijk is. Maar daarom ook mijn vraag aan de regering om te bevestigen dat dit inderdaad nog haalbaar is. Komt tijd, komt raad, ook wat betreft de uitvoering en de precieze datum van invoering.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Vogels (VVD):
Mevrouw de voorzitter. Over de tenuitvoerlegging van straffen is ook het nodige te doen geweest in de bijna afgelopen kabinetsperiode. De tekorten in ons gevangeniswezen zijn bekend. De VVD hecht eraan dat door de rechter opgelegde straffen onverkort worden uitgevoerd, zeker met de invoering van dit nieuwe wetboek, dat doorlooptijden beoogt te verkorten. Hoe lost de regering dat op? Hoe voorkomt de regering nieuwe knelpunten in de uitvoering? Mijn fractie ziet in ieder geval bemoedigende passages daarover op bladzijde 12 van het coalitieakkoord.
Ten slotte, voorzitter. Voor mijn fractie is deze modernisering niet alleen een technisch-juridische exercitie, maar ook een investering in het vertrouwen van burgers in de rechtsstaat. Strafvordering grijpt diep in in het leven van mensen, of ze nou verdachte, slachtoffer of nabestaande zijn. Juist daarom moet het Wetboek van Strafvordering toegankelijk en duidelijk zijn en moet het de rechtsposities van verdachte en slachtoffer goed borgen. Verder ziet mijn fractie dat deze wetsvoorstellen het resultaat zijn van een zeer zorgvuldig proces, gedragen door de praktijk, de wetenschap en de instituties van onze rechtsstaat, van inhoudelijk hoge kwaliteit en met oog voor de uitvoerbaarheid. Wij zien dit wetsvoorstel dan ook als een noodzakelijke en verantwoorde stap in de modernisering van het strafprocesrecht. Deelt de regering deze visie? De ketenpartners drukken ons sinds de aanvang van de behandeling in deze Kamer op het hart: wij willen met de voorliggende wetsvoorstellen aan de slag. Waarvan akte.
Voorzitter. Mijn fractie ziet met vertrouwen uit naar het verdere debat, de reactie van de regeringszijde en de vervolgstappen in dit omvangrijke wetgevingsproject.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Schalk van de SGP.