Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 16.28 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
De heer Van Rooijen i (50PLUS):
Voorzitter. Ik heet de minister en de staatssecretaris en ook de regeringscommissaris welkom. Hadden we ook maar een regeringscommissaris voor de belastinghervorming, maar dat zal nog wel een paar eeuwen duren.
Voor mijn fractie staat het buiten kijf dat deze modernisering van het strafprocesrecht een noodzakelijke is, die veel beter aansluit bij actuele juridische en maatschappelijke eisen. Na een jarenlange gedegen voorbereiding, waarbij veel samenspraak is geweest met tal van organisaties op het gebied van strafrechtpleging, liggen er nu twee wetsvoorstellen voor, die naar het zich laat aanzien een breed draagvlak hebben.
De uitgebreide behandeling van de wetsvoorstellen in de Tweede Kamer, de deskundigenbijeenkomst en de schriftelijke ronde in de Eerste Kamer, vastgelegd in de nota naar aanleiding van het verslag, waarbij al veel vragen zijn gesteld en beantwoord, zorgen ervoor dat mijn fractie zich beperkt tot het stellen van slechts enkele vragen.
In het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt het bewijscriterium van de rechterlijke overtuiging vervangen door het criterium dat de rechter het bewijs slechts kan aannemen als buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het feit heeft begaan. Volgens de memorie van toelichting zorgt deze wijziging ervoor dat het objectieve karakter van de bewijsstandaard beter tot uitdrukking komt. In het huidige recht bestaat er al een grote mate van consensus over dat de rechter slechts tot een bewezenverklaring mag komen indien buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.
Daarnaast blijft gewaarborgd dat de rechter niet verplicht is om tegen zijn overtuiging in een bewezenverklaring uit te spreken. Het gaat dan om gevallen waarin de rechter, ondanks het feit dat de bewijsmiddelen volgens de objectieve bewijsstandaard een bewezenverklaring kunnen dragen, toch niet overtuigd is van de schuld van de verdachte. De rechter is onder het huidige recht dan niet gehouden om tot een bewezenverklaring te komen. Dan volgt er vrijspraak. Hier verandert niets aan in het nieuwe artikel 4.3.7, lid 3, Strafvordering.
Mijn fractie hecht eraan te benadrukken dat deze persoonlijke, individuele afweging en overtuiging van een rechter bij het vaststellen van een vonnis overeind moet blijven. Maar juist uitspraken die afwijken van die waarbij je met toetsing aan objectieve bewijsmaatstaven wel tot een bewezenverklaring komt, leiden vaak — minstens soms — tot veel onbegrip en verwarring in de samenleving. Is de minister het met de 50PLUS-fractie eens dat persoonlijke en individuele afwegingen van een rechter en diens overtuiging ook het risico met zich brengen dat een zekere mate van rechtsongelijkheid kan ontstaan? Hoe kan dit in het strafrecht worden voorkomen? Graag een toelichting van de minister: aan welke voorwaarden moet de motivering van een vonnis voldoen indien de rechter tot een andere conclusie komt dan de conclusie gebaseerd op toetsing aan objectieve bewijsmaatstaven?
Voorzitter. Mijn fractie heeft met belangstelling de vragen en beantwoording over de schriftuur met grieven gelezen. In het belang van versnelde doorlooptijden wordt de vrijblijvendheid van een procespartij om in hoger beroep te gaan, beperkter. Een officier van justitie wordt verplicht om een schriftuur met grieven in te dienen bij het instellen van een hoger beroep. De verdachte die in hoger beroep gaat, heeft deze verplichting echter niet. Tijdens de terechtzitting kan de verdachte zijn bezwaren tegen het vonnis nog mondeling toelichten; artikel 5.4.18. Al eerder vroeg de BBB-fractie waarom dezelfde verplichting voor indiening van een schriftuur met grieven niet geldt voor de verdachte. Het antwoord luidde dat de wetgever van oordeel is dat deze eis voor de verdachte te ver zou voeren, zeker voor een verdachte die zich niet juridisch laat bijstaan. Mijn fractie heeft begrip voor die laatste casus. Maar het afzien van juridische bijstand kan een eigen keuze zijn van de verdachte. Om een indruk te krijgen van om hoeveel gevallen dit gaat, hoort mijn fractie graag van de minister een getal of een percentage: de gevallen waarin een verdachte in hoger beroep niet is voorzien van rechtsbijstand.
De overgrote meerderheid van verdachten procedeert wel degelijk met rechtsbijstand, en van advocaten als professionals mag verwacht worden dat zij hun bezwaren tijdig kenbaar kunnen maken. Juist dat tijdig kenbaar maken van bezwaren tegen onderdelen van een rechterlijke uitspraak, zowel van de kant van het OM als van die van de verdachte, zou kunnen leiden tot een efficiëntere en betere procesplanning. Dit blijkt wel uit het gegeven antwoord: "Ook het zo snel mogelijk bekend worden van onderzoekwensen van de verdachte is van belang ter voorbereiding van de behandeling in hoger beroep, en de schriftuur kan daartoe een middel zijn."
De verdachte heeft echter onverkort het recht om pas op de terechtzitting mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis te uiten; artikel 5.4.18. Zoals hiervoor gezegd kan de verdachte eerst tijdens de terechtzitting in hoger beroep zijn bezwaren dan wel eventuele onderzoekwensen kenbaar maken. Is de minister het met onze fractie eens dat dit gevolgen heeft voor de doorlooptijd van het proces als geheel? Dit leidt toch wederom tot vertragingen en extra inspanning voor de toch al overbelaste rechterlijke macht? Graag een antwoord van de minister.
Dan blijkt uit de beantwoording dat een strikt grievenstelsel, waarbij de appelrechter zich alleen over ingediende bezwaren buigt, niet wenselijk is. Zowel de verdachte als de advocaat-generaal kunnen nog andere zaken aan de orde stellen dan in de schriftuur is vermeld. Maar dan rijst bij onze fractie de vraag waarom zo'n schriftuurverplichting dan überhaupt is opgenomen nu daarvan toch weer kan worden afgeweken. De rechter is immers niet gebonden aan de door de procespartijen ingenomen standpunten en beantwoordt zelfstandig de relevante vragen van het rechterlijk beslismodel. Waarin zit hem dan de meerwaarde van de schriftuurverplichting? Kan de minister deze meerwaarde nog eens duidelijk voor ons uiteenzetten?
Voorzitter. Dan wil de 50PLUS-fractie nog een vraag stellen over het stimuleren van het gebruik van mediation en andere herstelvoorzieningen. Dit onderdeel is aangescherpt door het aangenomen amendement-Mutluer/Van Nispen op stuk nr. 51. Er bestaat onder het huidige recht al een informatieplicht van de politie aan slachtoffer en verdachte over de mogelijkheden van herstelrecht. Mijn fractie is verheugd dat, niet alleen in de fase van het opsporingsonderzoek door de politie, zowel het slachtoffer als de verdachte het recht krijgt om verzoeken te doen om na te gaan of mediation mogelijk is. Dit recht wordt nu ook naar andere fasen in het strafproces uitgebreid.
Ook als het onderzoek door de politie is afgerond, bij indiening van de stukken bij het Openbaar Ministerie óf in de fase bij de terechtzitting, heeft het slachtoffer of de verdachte nog steeds dit recht op mogelijke mediation. De verwachting is dat een geslaagde mediation de doorlooptijd van de strafzaak kan verkorten. Onze fractie onderschrijft deze verwachting als in een vroegtijdig stadium van een strafproces dit herstelrecht wordt uitgeoefend, maar als mediation pas in de fase van de terechtzitting aan de orde komt, zal dit naar het oordeel van onze fractie van weinig invloed zijn op de verkorting van de doorlooptijd. Kan de minister mijn fractie uitleggen waarom mediation die pas plaatsvindt in de fase van de terechtzitting, tot een verkorting van de doorlooptijd in die strafzaak leidt?
Voorzitter. Collega Dittrich heeft indringende vragen gesteld over de rechten van slachtoffers en de naleving hiervan. Welke vragen zijn beantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag? Erkend wordt dat slachtoffers lang niet altijd alle wettelijke verplichte informatie ontvangen. Het meest schrijnende is wel als het slachtoffer informatie heeft gevraagd over de datum van de terechtzitting, maar deze informatie niet heeft ontvangen en de terechtzitting inmiddels heeft plaatsgevonden. Dat heeft een onherstelbaar effect. Naar aanleiding van de aanbevelingen uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer wordt door het Openbaar Ministerie ingezet op verbetering van de naleving van slachtofferrechten via een verbeterplan. Op basis van dit verbeterplan zal de Algemene Rekenkamer een vervolgonderzoek uitvoeren. De minister heeft toegezegd dat hij de Tweede Kamer zal informeren over het vervolgtraject. Kan de minister toezeggen dat ook deze Kamer geïnformeerd wordt over het vervolgtraject?
Voorzitter. Tot slot. Ik sluit mij aan bij de al eerder gestelde vragen van mijn collega's over de ICT-voorzieningen en of die bij alle ketenpartners tijdig op orde zullen zijn. Ik zie uit naar de beantwoording van de door onze fractie gestelde vragen.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Nicolaï van de Partij voor de Dieren.