Plenair Nicolaï bij behandeling Nieuw Wetboek van Strafvordering



Verslag van de vergadering van 10 februari 2026 (2025/2026 nr. 17)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.39 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken wij over een van de grootste wetgevingsoperaties van deze tijd, de zogeheten modernisering van het Wetboek van Strafvordering. Het doel, een toegankelijker, coherenter en toekomstbestendiger wetboek, onderschrijven wij. Ik denk dat alle senatoren dat onderschrijven. De eerste vraag die hier natuurlijk voorligt, is: gaat met dit voorstel dat doel bereikt worden? De tweede vraag is de kwestie van de uitvoerbaarheid.

Er zijn door eigenlijk alle voorgaande sprekers al vragen gesteld over de uitvoerbaarheid, vooral over de ICT en de capaciteit. Ik was zelf erg onder de indruk van de analyse van mevrouw Van Bijsterveld. Haar zorgenkindjes zijn ook zorgenkindjes van onze fractie. Hetzelfde geldt voor wat de heer Dittrich, de heer Recourt en de heer Talsma naar voren hebben gebracht. Ik heb geconstateerd dat ook de BBB en de VVD zeggen dat er echt geld moet komen en dat de ICT echt opgelost moet worden. Daar ben ik blij mee.

Voorzitter. Ik ga naar de modernisering. Op drie punten die modernisering betreffen, zal ik stilstaan bij de vraag of er eigenlijk voldoende rekening wordt gehouden met nieuwe opvattingen en nieuwe omstandigheden.

Voorzitter. Het eerste punt betreft de kwestie van de relatie tussen overheid en verdachte. Dat is in feite een species van de relatie tussen overheid en burger. De opvattingen over de relatie tussen overheid en burger zijn de laatste tien jaar sterk in beweging. Zowel de Nationale ombudsman als de Staatscommissie rechtsstaat wijzen op het belang van versterking van het burgerperspectief en introductie van de menselijke maat en versterking van de positie van de burger. Te lang is door de overheid dat perspectief veronachtzaamd in de uitwerking van de relatie tussen overheid en burger. Is een vergelijkbaar perspectief nu in het gemoderniseerde strafprocesrecht te herkennen? Getuigt dit ontwerp nu van een sterkere positie van de burger, in dit geval van de verdachte in relatie tot de macht van de vervolgende overheid? Ik heb het niet over de rechter. Ik heb het over de vervolgende overheid. Dat is het bestuur. De Nederlandse orde van advocaten heeft betoogd dat van een modernisering op dat punt, bestaande uit de verhoging van de rechtsstatelijke bescherming tegen overheidsoptreden, geen sprake is. Onder het mom van modernisering, aldus de NOvA, behelst het ontwerp eerder wijzigingen waarin efficiency de boventoon voert dan een erkenning van het grotere belang vanuit, zeg maar, het verdachtenperspectief. Mijn vraag aan de bewindslieden is: kunnen de bewindslieden in de veelheid van nieuwe bepalingen tien wijzigingen aangeven die erop gericht zijn de positie van de verdachte te versterken? Tien, dat lijkt me niet veel als je ziet hoeveel bepalingen we tot ons hebben moeten nemen. Tot zover het punt van het burgerperspectief.

Dat brengt mij bij het tweede punt: zijn de behoorlijkheidseisen voor de bevoegdheidsuitoefening bij opsporing en vervolging aangepast aan de eisen van de tijd? De bevoegdheden van de met opsporing en vervolging belaste overheidsorganen zijn — dat zullen we hier allemaal erkennen — diep ingrijpend. Bij zulke bevoegdheden past een stevige normatieve begrenzing. In de eerste plaats is dat de taak van de wetgever, die het lex certa-beginsel dient te hanteren en die zo veel mogelijk criteria zal moeten vastleggen waarmee de bevoegdheidsuitoefening van het OM en van alle andere met opsporing belaste overheidsfunctionarissen wordt begrensd. Maar soms moet aan zulke organen beleids- of beoordelingsvrijheid worden gelaten. En dan komt het aan op begrenzing door algemene bepalingen en door rechtsbeginselen die door de wetgever in rechte worden erkend.

Voorzitter. Een belangrijke discretionaire bevoegdheid van het OM betreft de vervolgingsbeslissing. De Afdeling advisering van de Raad van State wees op een tekort aan rechtsbescherming en drong aan op een sterkere normering. Dat is door de regering gevolgd. In artikel 3.1.1, eerste lid, is bepaald dat de officier van justitie bij zijn beslissing de beginselen van goede procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging, in acht moet nemen. In Boek 2, Titel 1.2, zijn twee belangrijke bepalingen opgenomen. Zo wordt in artikel 2.1.2 voorgeschreven dat een bevoegdheid niet wordt uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, en dat zij alleen mag worden uitgeoefend indien dit in het belang van het onderzoek is. In artikel 2.1.3 worden het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel gecodificeerd. Is dit een normering die aan de eisen van de tijd voldoet? Voor bestuursorganen geldt de Awb en in aanvulling daarop de rechtspraak van de bestuursrechter, die algemene beginselen van verantwoordelijk bestuur kan toepassen. Dat geeft een sterk normatief karakter en draagt bij aan de rechtsstatelijkheid van het overheidsoptreden.

Wat valt op als we die artikelen 2.1.2, 2.1.3 en 3.1.1 analyseren? Voor andere beslissingen van het OM dan vervolgingsbeslissingen is niet in de wet bepaald dat die moeten voldoen aan beginselen van behoorlijke procesorde. Hetzelfde geldt voor alle uitoefening van opsporingsbevoegdheid, waarop de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 betrekking hebben. Slechts misbruik van bevoegdheid is verboden en toepassing van het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel is voorgeschreven. Maar over andere in acht te nemen behoorlijkheidsbeginselen wordt niet gerept.

Juist omdat het OM en de bij opsporing betrokken overheidsorganen in de praktijk veelvuldig discretionaire ruimte hebben, dringt zich de vraag op of het nog wel bij de tijd is om zulke organen aan minder beoordelingsregels te binden dan die welke gelden voor bestuursorganen in het algemeen. Wie de betreffende voorschriften analyseert, ziet dat de belangrijke beginselen die we in het bestuursrecht vanzelfsprekend achten, niet expliciet terugkomen als algemene norm voor bevoegdheidsuitoefening bij opsporing en vervolging. Dan heb ik het over het beginsel van zorgvuldig onderzoek, het beginsel van een zorgvuldig beslissingsproces, het motiveringsbeginsel, het fairplaybeginsel, het gelijkheidsbeginsel/consistentiebeginsel en het beginsel van afweging van het bijzondere geval. Betekent dit dat die behoorlijkheidsnormen niet meer in acht hoeven worden genomen? Dat zou haaks staan op de moderne toetsing van overheidsoptreden. De Afdeling advisering van de Raad van State benadrukte dan ook dat een vroegtijdige en gedegen juridische toetsing past bij de beweging naar voren waar wij het alsmaar over hebben.

Voorzitter. Op pagina 808 van de memorie van toelichting wordt ingegaan op de codificatie van de beginselen van een goede procesorde in artikel 3.1.1. Ik citeer: "De keuze voor vastlegging in Boek 3 laat onverlet dat genoemde beginselen ook in andere delen van het strafprocesrecht een rol spelen en dat ook andere beginselen van betekenis kunnen zijn voor de normering van vervolgingsbeslissingen." Dat stelt gerust, want zie ik het goed dat die passage in de memorie van toelichting impliceert dat naar het oordeel van de regering beginselen van een goede procesorde én beginselen van behoorlijk bestuur over de hele linie door de rechter zullen kunnen worden gehanteerd?

Dit debat kan worden benut om daarover nog extra helderheid te verkrijgen. Graag verneemt onze fractie van de minister een reactie op de volgende vragen. Kunnen de bewindslieden bevestigen dat het OM ook bij andere beslissingen dan vervolgingsbeslissingen de beginselen van een goede procesorde in acht dient te nemen? Kunnen de bewindslieden bevestigen dat het feit dat in de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 de beginselen van een goede procesorde ontbreken, er niet aan in de weg staat dat de rechter bij toetsing van de rechtmatigheid van uitoefening van bevoegdheid waarop die artikelen betrekking hebben, de beginselen van behoorlijke procesorde mag hanteren? Volgende vraag: delen de bewindslieden ons oordeel dat toepassing van de beginselen van een goede procesorde de rechter ruimte laat om daarin de eisen van beginselen van behoorlijk bestuur, die in principe voor alle bestuursbeslissingen gelden, te betrekken?

Voorzitter. Tot slot nog een andere kwestie, die te maken heeft met de moderne ontwikkeling van de criminaliteit. In hoeverre is dit ontwerp voldoende toegesneden op de toenemende impact van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit?

De heer Dittrich i (D66):

Ik heb een vraag over de algemene rechtsbeginselen. Is de heer Nicolaï met mij van mening dat rechters dan ook in hun uitspraken die beginselen beter of uitgebreider zouden moeten motiveren, zodat men ook weet dat die beginselen zijn toegepast?

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank u wel voor deze vraag. Dat ligt voor de hand. Laat ik het zo zeggen: als wij in dit debat helder krijgen dat ook de regering vindt en dat wij misschien wel allemaal vinden dat die beginselen van toepassing zijn, dan is dat natuurlijk ook een stimulans voor de rechter om zich daarop te oriënteren. Dat is één. En als tweede: als hij ze toepast, maar dat is een normaal motiveringsbeginsel voor rechters, dan zal hij dat ook in de uitspraak moeten aangeven. Dat ben ik geheel met u eens. In de Wet op de Raad van State en in de Awb zie je ook dat een bestuursrechter, als hij die beginselen toepast, dat inderdaad ook in zijn uitspraak moet vermelden.

De heer Talsma i (ChristenUnie):

De heer Nicolaï was het aan het begin van zijn termijn met zo ongelofelijk veel mensen eens dat ik even moest bijkomen daarvan. Maar ik hoorde hem hardop de vraag stellen of de behoorlijkheidsvereisten bij de bevoegdheidsuitoefening nu voldoende zijn aangepast aan de eisen van de tijd. Ik vermoed dat zijn antwoord daarop "nee" is. Collega Nicolaï verwijst dan naar een paar artikelen in beide wetsvoorstellen. Als zijn antwoord op die vraag eigenlijk "nee" is, welke beginselen, anders dan de bestuursrechtelijke beginselen die hij noemt, zouden er dan moeten worden opgenomen, die niet al sinds mensenheugenis, zou ik bijna zeggen, of eigenlijk al sinds 1921, 1926 in het Wetboek van Strafvordering staan en ook in bijvoorbeeld de Europese jurisprudentie en de rechtsspraak van de Hoge Raad zijn opgenomen? Welke nieuwe, aanvullende teksten vereist deze tijd dan?

De heer Nicolaï (PvdD):

Dank voor deze vraag. Laat ik het zo zeggen: het mooiste zou natuurlijk zijn als in de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 gewoon vermeld zou worden dat niet alleen de proportionaliteit en de subsidiariteit, maar ook alle overige beginselen van een goede procesvoering, met inbegrip van de van toepassing zijnde eisen van behoorlijk bestuur, in de wet zouden worden opgenomen. Wij kunnen hier geen amendement indienen. Als ik dat had gekund, zou ik zo'n amendement indienen.

Mijn vraag aan de regering is: als men bevestigt dat dat in de ogen van de regering eigenlijk al besloten ligt in de toetsingsbevoegdheid van de rechter ... Een rechter moet namelijk altijd toetsen aan rechtsbeginselen. Er is geen wet die hem kan verbieden aan rechtsbeginselen te toetsen, want dan zegt hij: die wet is in strijd met een rechtsbeginsel, namelijk dat ik de wet moet uitvoeren. Uiteindelijk horen de rechtsbeginselen, als ze levend zijn in het zogeheten algemeen rechtsbewustzijn, door de rechter te worden toegepast. Als de regering dus zegt: de memorie van toelichting die de heer Nicolaï citeert, geeft aan dat wij dat onderschrijven, dan is het op dit moment voldoende dat het aan de rechters wordt overgelaten. Er moet niet gezegd worden "ja, maar die beginselen ontbreken als toetsingscriteria aan de wet, dus ik kom er niet aan", maar "ze zijn niet in de wet opgenomen, maar ik mag er wel aan toetsen".

De heer Talsma (ChristenUnie):

Korte vervolgvraag. Ik ben niet de spreekbuis van de regering en ik ben ook niet van plan dat vandaag te worden, maar ik vermoed eerlijk gezegd dat de regering dat gaat bevestigen, want dat is denk ik al geruime tijd het geval. Ik heb nog een afrondende vraag op dit punt. Ik vraag me toch nog maar één keer hardop af waaraan collega Nicolaï dan de gedachte ontleent dat die beginselen nu geen deel uitmaken van het strafprocesrecht en nu alsnog aan de eisen van de tijd zouden moeten worden aangepast, als een ingrijpende wijziging ten opzichte van wat we in de afgelopen 100 jaar hebben gedaan.

De heer Nicolaï (PvdD):

Laat ik het zo zeggen. Voordat de Algemene wet bestuursrecht tot stand kwam, werden de beginselen van behoorlijk bestuur natuurlijk ook al toegepast. Ja, dat klopt, maar de modernisering van de Algemene wet bestuursrecht betekende dat ze uitdrukkelijk in de wet werden genoemd en ook als een wettelijke toetsingsmaatstaf in de wet werden opgenomen. Die modernisering mis ik hier, want op gezag van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is alleen het verbod van willekeur, inhoudende het vertrouwensbeginsel en redelijkheid en billijkheid, erin gezet, maar dat is natuurlijk maar een van de beginselen. Dat had ruimer gekund. Dat is één. Twee. Voor zover het niet om de vervolgingsbeslissing van het OM maar om alle andere bevoegdheidsuitoefeningen gaat, ontbreken ze; dat betreft de artikelen 1.1.2 en 1.1.3. Daarvan zeg ik dat een goede, aan de eisen van de tijd voldoende wetgeving die beginselen daar eigenlijk had moeten noemen. Dat is niet gebeurd. Dat kunnen wij op dit moment niet repareren, maar de reparatie bestaat er voor mijn gevoel uit dat de regering zegt: het is niet gebeurd, maar het is ook niet nodig, want de rechter mag het al. Maar dat wil ik hier dan wel graag horen; laat ik het zo zeggen. Dat was de insteek van mijn bijdrage aan het debat op dit punt.

Voorzitter. Ik ga verder. Ik was bezig met de eisen van de tijd en de ontwikkeling van de criminaliteit. De vraag is in hoeverre dit ontwerp voldoende toegesneden is op de toenemende impact van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. Het is een heftig punt, maar ik vind wel dat het hier ook aan de orde moet komen, omdat je je kan afvragen of er eigenlijk niet een lacune in de wet zit. Een moord op een advocaat en op een verslaggever, bedreigingen van rechters en politici, bunkers die nodig zijn voor strafzittingen; we kennen die feiten allemaal. Leden van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit — daar komt ie — kunnen zich beroepen op verdragsrechtelijke bepalingen die de rechtsstatelijkheid beschermen, terwijl ze er juist op uit zijn om de rechtsstaat te ondermijnen. Dat lijkt mij een duivels dilemma.

Ik ga naar het Marengoproces, waarin een verdachte het zonder raadsman moet doen. Er hebben zich een aantal advocaten teruggetrokken en daarnaast zijn drie advocaten wegens verdenking van strafbare feiten zelf aangehouden en hebben ze de verdediging moeten staken. Uit artikel 6 EVRM vloeit voort dat de Staat erin voorziet dat een verdachte die geen raadsman heeft, aanspraak heeft op rechtsbijstand in de strafzaak. Uit die bepaling wordt bovendien afgeleid dat de rechter moet bewaken dat het proces eerlijk verloopt. In de artikelen 1.4.13 en 1.4.14 van het ontwerp is geregeld dat de Raad voor Rechtsbijstand voor een verdachte die geen raadsman heeft een raadsman aanwijst. Hoewel er een wettelijke verplichting voor de Raad voor Rechtsbijstand is om een raadsman aan te wijzen, lukt dat niet. Kennelijk hebben moord, bedreigingen en chantage door de zware georganiseerde en ondermijnende criminaliteit een sfeer geschapen waarin advocaten geen risico willen lopen en dus afzijdig willen blijven. Zie ik het goed, dan is in het huidige ontwerp niet geregeld hoe dan verder moet worden gegaan. Als vastgehouden wordt aan de eis dat er een raadsman moet zijn — artikel 6 EVRM — dan wordt het proces opgehouden. Maar als het proces te lang duurt en de redelijke termijn van artikel 6 EVRM — een andere eis — wordt overschreden, dan dreigt de verdachte vrijuit te gaan. Mijn vraag is: zitten we hier klem? Is hier niet een lacune in de wet? Hoe kan worden voorkomen dat een verdachte in zo'n situatie vrijuit zou gaan wegens overschrijding van de redelijke termijn?

Ik kijk met belangstelling uit naar de beantwoording. Dank u.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Janssen van de SP.